Obsah (5)
Art. 15Art. 16Art. 1017Art. 1018Art. 1022id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 15
- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 16
- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1017
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1018
, 6° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.
C.23.0495.N FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 199, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0477.445.084, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- G.R., eerste verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eerste verweerder woonplaats kiest.
- ONAFHANKELIJK CONTROLE BUREEL vzw, met zetel te 2550 Kontich, Koningin Astridlaan 60, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.312.034, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de tweede verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 juni
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 20 mei 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel Eerste subonderdeel
- De appelrechters oordelen dat “uit het voorliggende AREI-keuringsverslag blijkt dat alle onderdelen van de volledige installatie aanwezig waren, inclusief de panelen”, zodat “de volledige installatie aldus ‘geplaatst’ was”. In zoverre het subonderdeel aanvoert dat de appelrechters oordelen dat de gelijkvormigheidscontrole kan plaatsvinden op een onvolledige fotovoltaïsche elektriciteitsinstallatie, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 270, eerste lid, van het Algemeen Reglement van 10 maart 1981 op de elektrische installaties, hierna AREI, zoals van toepassing, moet elke huishoudelijke laagspanningsinstallatie, zelfs deze gevoed via een privé-installatie, met uitzondering van luchtlijnen en ondergrondse leidingen van openbare elektriciteitsverdelingsnetten voor de ingebruikname van de installatie aan een gelijkvormigheidsonderzoek worden onderworpen volgens de voorschriften van het reglement. Het door deze bepaling vereiste gelijkvormigheidsonderzoek van de elektrische installatie strekt tot controle of een installatie op een veilige manier in werking kan worden gesteld vooraleer zij in gebruik wordt genomen en moet bijgevolg buiten spanning gebeuren. In zoverre het subonderdeel aanvoert dat geen geldig gelijkvormigheidsonderzoek kan plaatsvinden van een volledig geplaatste en gebruiksklare maar nog niet aangesloten of werkzame installatie, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het bijgevolg naar recht. Tweede en derde subonderdeel samen
- De subonderdelen die steunen op de door de appelrechters ten overvloede gegeven reden dat door de eiseres na de ontvangst van het AREI-keuringsverslag geen enkele opmerking werd geformuleerd, zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 270, derde lid, AREI, zoals van toepassing, moet elke laagspanningsinstallatie na belangrijke wijziging of beduidende uitbreiding van de bestaande installatie worden gecontroleerd of deze conform met de reglementaire voorschriften werden uitgevoerd. Dit gelijkvormigheidsonderzoek beperkt zich tot het bijgevoegde of gewijzigde gedeelte van de installatie.
- Een belangrijke wijziging of beduidende uitbreiding in de zin van deze bepaling is een wijziging of uitbreiding van een elektrische installatie die een bijkomende impact heeft op de veiligheid van personen of goederen, die nog niet is afgedekt door een gelijkvormigheidscontrole. Een bijkomend gelijkvormigheidsonderzoek is derhalve slechts vereist wanneer de wijziging of uitbreiding in het licht van de bepalingen van het AREI tot een inbreuk zou kunnen leiden die nog niet kon worden vastgesteld bij het gelijkvormigheidsonderzoek van de reeds bestaande elektrische installatie.
- De appelrechters oordelen dat: - de gelijkvormigheidscontrole van elektrische installaties buiten spanning kan gebeuren, wat meteen ook aantoont dat een herkeuring naar aanleiding van de verhuis van de panelen naar het dak niet was onderworpen aan een nieuwe AREI-keuring; - noch aan de installatie noch aan de aansluiting zelf enige wijziging of uitbreiding werd verricht; - een nieuwe keuring vereist is indien de zonnepanelen eerst van het net worden gekoppeld en nadien worden teruggekoppeld, wat hier niet het geval was; - de plaatsing in de tuin dan wel op het dak niet relevant was.
- De appelrechters die op grond van deze redenen oordelen dat de bedoelde wijziging van de bestaande elektrische installatie geen belangrijke wijziging of beduidende uitbreiding is in de zin van artikel 270, derde lid, AREI, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel Ontvankelijkheid
- De tweede verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: het onderdeel behelst niet de geldigheid van de gelijkvormigheidscontrole maar de omvang van de minimumsteun per groenestroomcertificaat en is derhalve zonder belang voor de tweede verweerster als keurder van de elektrische installatie.
- De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden aangenomen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 7.1.1 van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid, hierna Energiedecreet, zoals van toepassing, kent de VREG een groenestroomcertificaat toe aan de eigenaar van een productie-installatie die gelegen is in het Vlaamse Gewest of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen, voor iedere 1.000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. Krachtens artikel 7.1.6, § 1, eerste lid, Energiedecreet, zoals van toepassing, kennen de netbeheerders een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die is opgewekt in installaties die aangesloten zijn op hun net en op gesloten distributienetten, gekoppeld aan hun net voor zover de producent zelf daarom verzoekt. Krachtens artikel 7.1.6, § 1, zevende lid, Energiedecreet, zoals van toepassing, begint de in het eerste lid bedoelde verplichting bij de inwerkingtreding van een nieuwe productie-installatie.
- Uit voormelde bepalingen volgt dat het recht op minimumsteun voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen pas ontstaat vanaf de ingebruikname van de productie-installatie, wat betekent dat de elektrische installatie wordt aangesloten en stroom begint op te wekken.
- De appelrechters die vaststellen dat de fotovoltaïsche elektrische installatie van de eerste verweerder in mei 2012 werd aangesloten en stroom is beginnen opwekken, en vervolgens oordelen dat het recht op minimumsteun per groenestroomcertificaat wordt vastgesteld gelet op de datum van de gelijkvormigheidscontrole die op 7 december 2011 plaatsvond, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel
- Artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij zelfs ambtshalve in de kosten verwijst, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Artikel 1018, 6°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de kosten de rechtsplegingsvergoeding omvatten, zoals bepaald in artikel
- Artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij is. Artikel 15 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tussenkomst een rechtspleging is waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. Zij strekt ertoe hetzij de belangen van de tussenkomende partij of van een der partijen in het geding te beschermen hetzij een veroordeling te doen uitspreken of vrijwaring te doen bevelen. Artikel 16 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de tussenkomst vrijwillig is wanneer de derde opkomt om zijn belangen te verdedigen. Zij is gedwongen wanneer de derde in de loop van een rechtspleging wordt gedagvaard door een of meer partijen.
- Krachtens deze bepalingen creëert een vordering tot tussenkomst en vrijwaring een nieuwe procesverhouding tussen de eiser tot vrijwaring en de verweerder in vrijwaring. De partij die binnen deze procesverhouding in het ongelijk wordt gesteld, dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij. Deze rechtsplegingsvergoeding wordt afzonderlijk bepaald op basis van de vordering tot tussenkomst en vrijwaring. Indien de rechter de hoofdvordering afwijst en de vordering tot tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp verklaart, dient de eiser tot vrijwaring een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de verweerder in vrijwaring.
- De appelrechters stellen vast dat: - de eiseres een hoofdvordering heeft ingesteld tegen de eerste verweerster tot terugbetaling van onterecht uitbetaalde minimumsteun; - de eerste verweerster vervolgens de tweede verweerster heeft gedagvaard tot tussenkomst en vrijwaring; - de tweede verweerster in hoger beroep de afwijzing van de hoofdvordering van de eiseres vordert, minstens de afwijzing van de vordering tot vrijwaring van de eerste verweerster. De appelrechters oordelen dat de hoofdvordering van de eiseres ongegrond is en de vordering tot vrijwaring van de eerste verweerster zonder voorwerp.
- Door de eiseres vervolgens te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding, niet alleen ten aanzien van de eerste verweerder maar ook ten aanzien van de tweede verweerster, terwijl noch de hoofdvordering noch de vordering tot vrijwaring een procesverhouding heeft doen ontstaan tussen de eiseres en de tweede verweerster, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de omvang van de minimumsteun en in zoverre het uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.926,65 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 8 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250908.3N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div