← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 624

- 30 ELI link Pub nr 1808121650 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 625

- 30 ELI link Pub nr 1808121650 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel VII (Art. 589 tot en met 648) -

Art. 626- 30 ELI link Pub nr 1808121650 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0643.N O. D., verzoeker tot herstel in eer en rechten, eiser, met als raadsman mr. Bruno Soenen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 624 en 625 Wetboek van Strafvordering: het arrest verwijst niet naar de door de eiser ingediende besluiten; in die besluiten heeft de eiser, anders dan wat door de procureur-generaal werd voorgehouden, aangevoerd dat hij wel degelijk blijk heeft gegeven van verbetering en goed gedrag en dit te rekenen vanaf het laatste feit; het arrest laat na aan te geven waarom de eiser tijdens de proeftijd vanaf 2 maart 2022 geen blijk zou hebben gegeven van verbetering en goed gedrag.
  3. Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over een verzoek tot herstel in eer en rechten.
  4. De kamer van inbeschuldigingstelling dient enkel te antwoorden op verweren die zijn ontwikkeld in een regelmatig voor haar genomen conclusie, dit wil zeggen in een conclusie waarvan is vastgesteld dat ze werd ingediend op de rechtszitting. Op een ter griffie ingediende conclusie moet niet worden geantwoord.
  5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. Artikel 624, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het herstel in eer en rechten afhankelijk is van een proeftijd waarin de verzoeker blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag. Volgens artikel 625, 1°, Wetboek van Strafvordering loopt de proeftijd, die voortduurt tot de dag waarop het arrest van eerherstel wordt gewezen, vanaf de dag van de voorwaardelijke veroordeling. Volgens artikel 625, 4°, Wetboek van Strafvordering loopt in andere dan de in artikel 625, 1° tot en met 3°, Wetboek van Strafvordering bedoelde gevallen de proeftijd vanaf de uitvoering van de straf. Volgens artikel 626, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bedraagt de minimumduur van de proeftijd drie jaar voor veroordelingen tot politiestraffen of correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar niet te boven gaan.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de proeftijd een aanvang nam op 14 oktober 2013, dit is de datum van de voorwaardelijke veroordeling van de eiser met het vonnis van 14 oktober 2013, en is die blijven doorlopen tot de datum van het arrest. In zoverre het middel aanvoert dat de proeftijd slechts liep vanaf 2 maart 2022 en dit voor een termijn van drie jaar, kan het niet worden aangenomen.
  8. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door het arrest over het voldaan zijn aan de voorwaarde van goed gedrag en verbetering en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,51 euro, waarvan 32,51 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.