← België

PROCUREUR DES KONINGS TE HALLE-VILVOORDE contra R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.2 Rolnummer: P.25.0716.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS TE HALLE-VILVOORDE contra R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-09-15 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-06-18 08:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De immobilisering van een voertuig als beveiligingsmaatregel zoals bepaald in artikel 58bis, § 1, Wegverkeerswet heeft als doel te beletten dat hij die één van de in die bepalingen van de Wegverkeerswet bedoelde rijbewijsgerelateerde inbreuken heeft begaan, opnieuw een dergelijke inbreuk zou plegen en om dit te verhinderen wordt het recht van de betrokkene om vrij te beschikken over het voertuig waarmee de overtreding werd begaan hem voor een bepaalde periode ontnomen; deze beveiligingsmaatregel belet de eigenaar van het voertuig niet dit voertuig te verkopen of maakt de verkoop ervan niet afhankelijk van het akkoord van het openbaar ministerie; het verbod op een dergelijke vervreemding volgt niet uit het doel van de beveiligingsmaatregel noch bestaat daarvoor een wettelijke grondslag. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 58 - Artikel 58bis Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 5 Uit het doel van de door de wetgever met artikel 58bis, § 3/1, Wegverkeerswet ingevoerde regeling volgt dat indien de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, de zaak bij de politierechtbank aanhangig maakt, de politierechtbank moet onderzoeken of: 1°de beveiligingsmaatregel is genomen door een bevoegde overheid; 2°de voorwaarden voor het bevelen van de beveiligingsmaatregel zijn vervuld en meer bepaald of er aanwijzingen zijn voor een overtreding als bedoeld in de artikelen 30, § 1 tot en met § 3, en 48 Wegverkeerswet; 3° is voldaan aan de in artikel 58bis, § 3, tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde voorwaarden voor opheffing van de maatregel; en 4° in het licht van het met de immobilisering beoogde doel en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak waaronder de band tussen de overtreder en de eigenaar van het voertuig, de voortzetting van de immobilisering geen onevenredige aantasting inhoudt van de rechten van de eigenaar van het voertuig

(1).
(1)Cass. 3 september 2024, AR P.24.0587.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.4; Cass. 20 juni 2023, AR P.23.0690.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 58 - Artikel 58bis Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 58bis - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0716.N PROCUREUR DES KONINGS TE HALLE-VILVOORDE, eiser, tegen P. R., persoon die om de opheffing heeft verzocht van de immobilisering van een voertuig, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige politierechtbank Vilvoorde van 4 april
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
  3. Het eerste middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek, artikel 58bis, § 3, Wegverkeerswet en de artikelen 5.29 en 5.55 Burgerlijk Wetboek: het vonnis beslist ten onrechte tot de opheffing van de immobilisering van het voertuig; op het ogenblik van de overtreding was C.R. eigenaar van het voertuig; het voertuig is ook op haar naam ingeschreven en dat was ook het geval op het ogenblik van het verzoek tot opheffing; C.R. blijft bijgevolg de juridische eigenaar voor inbreuken op het verkeersrecht; het vonnis oordeelt dat er een geldige verkoop is tot stand gekomen tussen C.R. en de verweerder, maar gaat volledig eraan voorbij dat de verkoopprijs onredelijk laag is en de poging tot verkoop van het voertuig net gebeurde omdat de eigenaar er niet vrij over kon beschikken; de verkoop is nietig omdat hij geen geoorloofde oorzaak heeft en er geen afgifte van de zaak gebeurde; de Belgische Staat is geschaad in haar belangen door deze schijnverkoop die oplichting uitmaakt en waarvoor de eiser een strafdossier heeft geopend; de listige kunstgreep bestaat in het bedrieglijk sluiten van een verkoopovereenkomst met een meewerkende derde; het is niet ondenkbaar dat de eiser het voertuig terug ter beschikking zal stellen aan C.R. of dat het voertuig zal worden terug aangekocht door C.R.; de verweerder heeft het voertuig niet ingeschreven op zijn eigen naam. Het tweede middel voert schending aan van artikel 665 Strafwetboek en artikel 58bis Wegverkeerswet: een geïmmobiliseerd voertuig valt onder de bescherming van artikel 665 Strafwetboek; een analogie met de ontdraging van een beslagen goed dringt zich op; anders wordt artikel 58bis Wegverkeerswet uitgehold; het zal dan immers volstaan dat de eigenaar een koopovereenkomst overlegt; dit zou de parketten ertoe kunnen brengen niet meer te immobiliseren maar het voertuig telkens in beslag te nemen.
  4. Er bestaat in het hier toepasselijke Strafwetboek geen artikel
  5. In zoverre het middel schending aanvoert van die bepaling, faalt het naar recht.
  6. In zoverre het eerste middel aanvoert dat het niet ondenkbaar is dat de verweerder het voertuig terug ter beschikking zal stellen van C.R. nadat het wordt vrijgegeven of dat het terug zal worden aangekocht door C.R., berust het op een loutere hypothese en is het niet ontvankelijk.
  7. Volgens artikel 58bis, § 1, Wegverkeerswet kan de immobilisering van een voertuig als beveiligingsmaatregel worden bevolen in de gevallen bedoeld 2in de artikelen 30, §1 tot en met §3, en 48 Wegverkeerswet.
  8. Deze beveiligingsmaatregel heeft als doel te beletten dat hij die een van de in die bepalingen van de Wegverkeerswet bedoelde rijbewijsgerelateerde inbreuken heeft begaan, opnieuw een dergelijke inbreuk zou plegen. Om dit te verhinderen wordt het recht van de betrokkene om vrij te beschikken over het voertuig waarmee de overtreding werd begaan hem voor een bepaalde periode ontnomen.
  9. Artikel 58bis, § 4, Wegverkeerswet bestraft hij die gebruik maakt of aan een derde toelaat gebruik te maken van een voertuig waarvan hij weet dat de immobilisering als beveiligingsmaatregel is bevolen.
  10. Deze beveiligingsmaatregel belet de eigenaar van het voertuig niet dit voertuig te verkopen of maakt de verkoop ervan niet afhankelijk van het akkoord van het openbaar ministerie. Het verbod op een dergelijke vervreemding volgt niet uit het doel van de beveiligingsmaatregel noch bestaat daarvoor een wettelijke grondslag.
  11. Volgens artikel 58bis, § 3, Wegverkeerswet kan hij die bewijst eigenaar te zijn van het voertuig en die niet de overtreder is het bevoegde openbaar ministerie verzoeken de immobilisering op te heffen. Volgens artikel 58bis, § 3/1, Wegverkeerswet kan, indien een verzoek tot opheffing van de immobilisering door de eigenaar van het voertuig wordt afgewezen, de zaak worden aangebracht bij de politierechtbank die territoriaal bevoegd is voor de plaats waar het voertuig geïmmobiliseerd werd en dit volgens de in die bepaling geregelde procedure.
  12. Uit het doel van de door de wetgever met artikel 58bis, § 3/1, Wegverkeerswet ingevoerde regeling volgt dat indien de eigenaar van het voertuig die niet de overtreder is, de zaak bij de politierechtbank aanhangig maakt, de politierechtbank moet onderzoeken of: - de beveiligingsmaatregel is genomen door een bevoegde overheid; - de voorwaarden voor het bevelen van de beveiligingsmaatregel zijn vervuld en meer bepaald of er aanwijzingen zijn voor een overtreding als bedoeld in de artikelen 30, § 1 tot en met § 3, en 48, Wegverkeerswet; - is voldaan aan de in artikel 58bis, § 3, tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde voorwaarden voor opheffing van de maatregel; - in het licht van het met de immobilisering beoogde doel en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak waaronder de band tussen de overtreder en de eigenaar van het voertuig, de voortzetting van de immobilisering geen onevenredige aantasting inhoudt van de rechten van de eigenaar van het voertuig.
  13. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  14. In zoverre het eerste middel aanvoert dat het voertuig nog steeds is ingeschreven op naam van C.R. en niet van de verweerder, het voertuig werd verkocht tegen een onredelijk lage prijs en de verweerder het voertuig heeft gekocht zonder keuring, gegevens die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  15. Het vonnis oordeelt dat de verweerder bewijst dat hij eigenaar is van het geïmmobiliseerde voertuig, dat een band tussen de verweerder en C.R. niet is aangetoond en dat in het licht van het met de immobilisering beoogde doel en rekening houdend met de omstandigheden van de zaak de voortzetting van de immobilisering een onredelijke aantasting van de rechten van de verweerder zou inhouden. In zoverre het eerste middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel over de feiten, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 9,63 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.