id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.24 Rolnummer: P.25.1218.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-09-15 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-06-18 18:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Uit artikel 3, tweede en vierde lid, Uitleveringswet 1874 volgt dat de exequaturbeslissing van de raadkamer een zelfstandige uitvoerbare titel inhoudt op grond waarvan het aan het openbaar ministerie staat de persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, te zoeken en aan te houden; voor de regelmatigheid van die vrijheidsberoving is geen navolgende beslissing of motivering vanwege het openbaar ministerie vereist. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Fiches 5 - 8 Het feit dat een persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, niet wordt opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer die beslist over de uitvoerbaarheid van een bevel tot aanhouding dat te zijnen laste is afgeleverd door een vreemde gerechtelijke autoriteit, heeft niet de onregelmatigheid tot gevolg van zijn op dat uitvoerbaar verklaarde bevel gesteunde vrijheidsberoving; het recht van verdediging van die persoon is voldoende gewaarborgd door zijn mogelijkheid om tegen de exequaturbeschikking hoger beroep in te stellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling, die met volle rechtsmacht en na een procedure op tegenspraak beslist over de vermelde uitvoerbaarheid
(1).
(1)Zie S. DEWULF, Handboek uitleveringsrecht, Intersentia, 2013, p. 114 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Fiches 9 - 12 De fundamentele rechten van de betrokkene tijdens zijn vrijheidsberoving die volgt op de exequaturbeschikking en die duurt zolang hij ter beschikking van de uitvoerende macht staat, zijn gewaarborgd door zijn recht om, zolang die beslissing ongedaan kan worden gemaakt, overeenkomstig de artikelen 5.1.f en 5.4 EVRM en in overeenstemming met artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 zijn voorlopige invrijheidstelling te vragen aan de kamer van inbeschuldigingstelling, alsook door zijn recht om, nadat die beslissing definitief is geworden, op grond van artikel 5.1.f en 5.4 EVRM aan de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding; de omstandigheid dat de vermelde rechten van de betrokkene niet uitdrukkelijk in de wet zijn bepaald, maar volgen uit de uitlegging die de rechtspraak aan de wet geeft, heeft niet tot gevolg dat artikel 3 Uitleveringswet 1874 artikel 5.1.f EVRM schendt of dat de aanhouding van de betrokkene willekeurig is
(1).
(1)Zie Cass. 27 februari 2024, AR P.24.0235.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17; Zie S. DEWULF, Handboek uitleveringsrecht, Intersentia, 2013, p. 120-
- Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1218.N M. C., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, eiser, aangehouden, met als raadsman mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1.f EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van gerechtelijke beslissingen: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser op 12 april 2025 regelmatig is aangehouden ter uitvoering van de niet-gemotiveerde beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, van 29 november 2024, waarbij de lastens de eiser verleende Indische aanhoudingsbevelen van 23 mei 2018 en 15 juni 2021 uitvoerbaar werden verklaard; het hoger beroep van de eiser tegen die beschikking is thans aanhangig bij de kamer van inbeschuldigingstelling; het arrest, dat oordeelt over eisers verzoek tot invrijheidstelling van 22 augustus 2025, beantwoordt niet zijn verweer over de schending van artikel 5.1.f EVRM; de exequaturbeschikking is gewezen in afwezigheid van de eiser, die ondanks het verzoek van zijn raadsman niet is opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer; het openbaar ministerie heeft de eiser vijf maanden na de exequaturbeschikking aangehouden zonder daartoe een eigen, gemotiveerde beslissing te nemen; aldus is eisers aanhouding willekeurig.
- In zoverre het middel is gericht tegen de exequaturbeschikking van de raadkamer van 29 november 2024 en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 5.1.f EVRM bepaalt: “Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure: in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.” Artikel 5.4 EVRM bepaalt: “Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.”
- Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 zal de uitlevering onder meer worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding van een bevoegde vreemde overheid, op voorwaarde dat dit bevel uitvoerbaar wordt verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden. Op grond van artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet 1874 zal de vreemdeling worden opgesloten ter uitvoering van het uitvoerbaar verklaarde bevel tot aanhouding en na behoorlijke betekening ervan, en zal de regering het advies inwinnen van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling werd aangehouden.
- Hieruit volgt dat de exequaturbeslissing van de raadkamer een zelfstandige uitvoerbare titel inhoudt op grond waarvan het aan het openbaar ministerie staat de persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, te zoeken en aan te houden. Voor de regelmatigheid van die vrijheidsberoving is geen navolgende beslissing of motivering vanwege het openbaar ministerie vereist.
- Het feit dat een persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, niet wordt opgeroepen voor de rechtszitting van de raadkamer die beslist over de uitvoerbaarheid van een bevel tot aanhouding dat te zijnen laste is afgeleverd door een vreemde gerechtelijke autoriteit, heeft niet de onregelmatigheid tot gevolg van zijn op dat uitvoerbaar verklaarde bevel gesteunde vrijheidsberoving. Het recht van verdediging van die persoon is voldoende gewaarborgd door zijn mogelijkheid om tegen de exequaturbeschikking hoger beroep in te stellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling, die met volle rechtsmacht en na een procedure op tegenspraak beslist over de vermelde uitvoerbaarheid.
- Voor het overige zijn de fundamentele rechten van de betrokkene tijdens zijn vrijheidsberoving die volgt op de exequaturbeschikking en die duurt zolang hij ter beschikking van de uitvoerende macht staat, gewaarborgd door zijn recht om, zolang die beslissing ongedaan kan worden gemaakt, overeenkomstig de artikelen 5.1.f en 5.4 EVRM en in overeenstemming met artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 zijn voorlopige invrijheidstelling te vragen aan de kamer van inbeschuldigingstelling, alsook door zijn recht om, nadat die beslissing definitief is geworden, op grond van artikel 5.1.f en 5.4 EVRM aan de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding.
- De omstandigheid dat de vermelde rechten van de betrokkene niet uitdrukkelijk in de wet zijn bepaald, maar volgen uit de uitlegging die de rechtspraak aan de wet geeft, heeft niet tot gevolg dat artikel 3 Uitleveringswet 1874 artikel 5.1.f EVRM schendt of dat de aanhouding van de betrokkene willekeurig is.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest dat eisers in het middel vermelde verweer verwerpt met verwijzing naar de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, beoordeelt zijn verweer onder meer op grond van artikel 5.1.f EVRM. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van gerechtelijke beslissingen: het arrest oordeelt dat de door de eiser beschreven verblijfsomstandigheden in de gevangenis op basis van de thans beschikbare informatie noch op zich, noch in samenhang, dermate zwaarwichtig zijn dat zij doen besluiten tot een schending van artikel 3 EVRM; de eiser heeft aangehaald dat er volgens het EHRM drie toetsingscriteria zijn om de verenigbaarheid van iemand zijn gezondheid te toetsen met zijn verblijf in de gevangenis: a) medische toestand van de gedetineerde, b) adequate medische zorg in de gevangenis en c) de wenselijkheid om de bewaringsmaatregel te handhaven gelet op de gezondheidstoestand van de gedetineerde, alsook dat reeds verschillende uitspraken van het EHRM hebben gesteld dat psychische klachten een gedetineerde extra kwetsbaar maken in vergelijking met de andere gedetineerden; het arrest maakt geen melding, noch houdt het rekening met eisers bijzondere kwetsbaarheid en met de door de eiser aangehaalde specifieke omstandigheden; het beperkt zich tot de vaststelling dat de eiser toegang zou hebben tot medische zorgen zonder zich te buigen over de verenigbaarheid van zijn opsluiting met zijn lichamelijke en psychische aandoeningen.
- De kamer van inbeschuldigingstelling dient binnen een korte tijd te beslissen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd. Bijgevolg moet de kamer van inbeschuldigingstelling de aanvoeringen van de betrokkene niet tot in de bijzonderheden beantwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan foltering, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.
- Het enkele feit dat een persoon ongemakken ondervindt van zijn opsluiting, maakt die opsluiting nog niet strijdig met artikel 3 EVRM. Daarvoor is een minimum aan zwaarwichtigheid vereist.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de betrokkene daadwerkelijk is opgesloten in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 3 EVRM en in het bijzonder of de vereiste drempel van minimale zwaarwichtigheid is bereikt.
- Het arrest (p. 4-8) houdt wel degelijk rekening met de lichamelijke en psychische aandoeningen van de eiser, de medische hulp waarover hij in de gevangenis voor die aandoeningen kan beschikken, zijn concrete detentietoestand zoals die aan de kamer van inbeschuldigingstelling is gekend en de nood tot zijn verdere vrijheidsberoving in afwachting van de beslissing over zijn uitlevering. Het arrest stelt tevens vast dat de kamer van inbeschuldigingstelling de eiser ter rechtszitting heeft uitgenodigd om uitstel te vragen teneinde de kamer van inbeschuldigingstelling toe te laten de door hem voorgehouden schendingen verder na te gaan door bijkomende bevraging in het penitentiaire centrum, maar dat de eiser daarop niet is ingegaan. Het oordeelt dienvolgens met de redenen die het middel vermeldt dat de detentietoestand van de eiser onvoldoende zwaarwichtig is om te besluiten tot een schending van artikel 3 EVRM.
- Op grond van die redenen kan de kamer van inbeschuldigingstelling wettig oordelen dat eisers opsluiting niet strijdig is met artikel 3 EVRM. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 189,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. A. Birant J. Decoker S. Van Overbeke E. Van Dooren E. Francis F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div