id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.27 Rolnummer: P.25.1181.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-09-15 Raadplegingen: 470 - laatst gezien 2026-06-15 05:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De kamer voor de bescherming van de maatschappij als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege inzake de uitvoering van een interneringsbeslissing moet de aanvoering dat een geïnterneerde niet langer geestesziek is of weliswaar geestesziek is maar niet dermate ernstig dat dit zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden ernstig aantast en hij dus in vrijheid moet worden gesteld, onderzoeken en daarover gemotiveerd standpunt innemen; de kamer is daarbij niet gebonden door het advies van een door de geïnterneerde geraadpleegde psychiater wat betreft de aan- of afwezigheid van een geestesziekte, de behandelmogelijkheden en de sociale gevaarlijkheid en evenmin moet de kamer de met de interneringsbeslissing gemaakte beoordeling van de geestestoestand van de geïnterneerde en zijn sociale gevaarlijkheid op het ogenblik van die interneringsbeslissing herbeoordelen; hoewel de kamer onaantastbaar oordeelt over deze aspecten, gaat het Hof na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.25.1181.N S. C., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Anneleen De Smedt, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 7 augustus 2025, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 29 juli
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
- Het eerste middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis handhaaft eisers plaatsing in de afdeling ter bescherming van de maatschappij (hierna ABM) te Merksplas, terwijl dit geen ziekenhuis, kliniek of aangepaste instelling is voor de vrijheidsberoving van een geesteszieke; de eiser verblijft reeds vanaf 28 februari 2022 tot 10 januari 2024 in de gevangenis te Sint-Gillis en vanaf 10 januari 2024 in de gevangenis te Merksplas zonder dat hij enige vorm van behandeling krijgt voor zijn problematiek; het zorgprogramma waarnaar het vonnis verwijst bevat geen enkele vorm van therapie of behandeling; uit diverse rapporten blijkt dat de ABM geen gepaste zorginstelling is voor geïnterneerden; de redelijke termijn waarbinnen een geïnterneerde moet worden overgebracht naar een aangepaste instelling is ruimschoots overschreden; er werd sinds anderhalf jaar geen enkele vooruitgang geboekt in de zoektocht naar een gepast zorgtraject, wat aan de eiser niet kan worden verweten; de eiser kan niet worden verplicht zijn eigen reclassering te organiseren; het vonnis had een schending van artikel 5.1.e EVRM moeten vaststellen en die afwegen tegen de gevolgen van een invrijheidstelling van de eiser voor de samenleving; hoewel uit het verslag van dr. D. van 15 mei 2025 blijkt dat er bij de eiser geen sprake is van een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen ernstig aantast of de controle over zijn daden tenietdoet, weigert het vonnis de onmiddellijke invrijheidstelling van de eiser te bevelen; dat de invrijheidstelling van de eiser een veiligheidsrisico inhoudt kan geen vrijgeleide zijn om hem zonder concreet vooruitzicht en voor onbepaalde tijd op te sluiten zonder de nodige zorg waarop hij recht heeft; de uitvoerende macht faalt daardoor; door de plaatsing te handhaven schendt de rechterlijke macht de vermelde verdragsbepaling. Het tweede middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis handhaaft de plaatsing van de eiser in de ABM Merksplas zonder op ernstige wijze na te gaan of het risico op het plegen van de door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven niet kan worden weggenomen door een minder verdergaande uitvoeringsmaatregel zoals een invrijheidstelling op proef; uit het verslag van dr. D. blijkt dat, hoewel er sprake is van een geestesstoornis, deze niet dermate ernstig is dat zij zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden teniet doet; uit de redenen die het vonnis aanneemt ter verwerping van eisers verweer blijkt niet dat het vonnis heeft onderzocht of een verdere plaatsing nog wel noodzakelijk was dan wel of het risico op het plegen van nieuwe misdrijven niet kon worden weggenomen door een minder verregaande uitvoeringsmaatregel zoals een invrijheidstelling op proef.
- In zoverre het eerste middel is gericht tegen het (niet-)optreden van de uitvoerende macht en de houding van de rechterlijke macht in het algemeen en dus niet tegen het vonnis, is het niet ontvankelijk.
- In zoverre het eerste middel verplicht tot een onderzoek van feiten, zoals de concrete zorg die de eiser ontvangt bij een plaatsing in een ABM, is het niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) heeft aangevoerd dat een ABM geen geschikte instelling is voor de vrijheidsberoving van een geesteszieke, maar enkel dat de eiser in vrijheid moet worden gesteld omdat uit het verslag van dr. D. blijkt dat hij niet geestesgestoord is en dat een behandeling in een medium security voorziening meer aangewezen is. In zoverre het eerste middel die aanvoering voor het eerst voor het Hof formuleert, is het nieuw en dus niet ontvankelijk.
- De kamer als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege inzake de uitvoering van een interneringsbeslissing moet de aanvoering dat een geïnterneerde niet langer geestesziek is of weliswaar geestesziek is maar niet dermate ernstig dat dit zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden ernstig aantast en hij dus in vrijheid moet worden gesteld, onderzoeken en daarover gemotiveerd standpunt innemen. De kamer is daarbij niet gebonden door het advies van een door de geïnterneerde geraadpleegde psychiater wat betreft de aan- of afwezigheid van een geestesziekte, de behandelmogelijkheden en de sociale gevaarlijkheid. Evenmin moet de kamer de met de interneringsbeslissing gemaakte beoordeling van de geestestoestand van de geïnterneerde en zijn sociale gevaarlijkheid op het ogenblik van die interneringsbeslissing herbeoordelen.
- Hoewel de kamer onaantastbaar oordeelt over deze aspecten, gaat het Hof na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Uit het vonnis blijkt dat de kamer het advies van dr. D. in overweging heeft genomen en ter zake onder meer als volgt oordeelt: - dr. D. stelt op geen enkel ogenblik dat de eiser niet lijdt aan een geestesstoornis, maar hij stelt wel de diagnose van een middelen- en een antisociale persoonlijkheidsstoornis; - de feiten waarvoor de eiser werd geïnterneerd dateren van meer dan drie jaar geleden en sindsdien verblijft de eiser in een sterk gestructureerde omkadering met een vaste dagstructuur, met weinig tot geen mogelijkheid om verboden middelen te nuttigen en met toegang tot een betere zelfzorg, alsook tot een zorgprogamma, psychiater en medicatie; - dr. D. stelt vast dat de eiser nog steeds lijdt aan een geestesproblematiek en dat hoewel die is gestabiliseerd er sprake is van een recidiverisico; - deze psychiater acht de kans op nieuwe agressiefeiten reëel, zelfs in nuchtere toestand, waarbij de vraag wordt gesteld of de eiser die nuchterheid kan volhouden eens hij in vrijheid is gesteld; - dr. D. acht een residentieel behandeltraject noodzakelijk, wat aansluit bij het besluit van de gerechtsdeskundige dr. S., alsook bij de analyse van de psychosociale dienst (hierna PSD); - enig concreet vooruitzicht op een residentiële opname ter behandeling van de problematiek van de eiser ligt niet voor; - de PSD zag destijds mogelijkheden om een opname te realiseren in een medium of low security omgeving, mits blijvende aandacht voor het gebrek aan probleeminzicht en motivatie en een behandeling gericht op de middelen- en persoonlijkheidsproblematiek, maar vrij snel bleek dat het resultaat van de indicatiestelling een opname in de weg stond; - op de rechtszitting bleek bij de eiser enige motivatie om een behandeling aan te gaan of minstens in die richting mee te denken, zodat dit moment moet worden aangegrepen om een geschikt residentieel plan te ontwikkelen; - dit zal van de eiser wilskracht vragen en het is aan hem om zijn motivatie meer te tonen en reeds in de mate van het mogelijke gebruik te maken van het aanbod door het zorgteam en uit zijn isolement te breken; - om alle mogelijkheden voor de verdere reclassering open te houden, worden uitgaansvergunningen toegekend met het oog op sociale re-integratie; - hoewel een forensisch psychiatrisch centrum (hierna FPC) niet de meest geschikte behandelomgeving voor de eiser is en een dergelijke plaatsing moet worden vermeden, wordt de eiser wel op de wachtlijsten van het FPC geplaatst, wat hem mogelijk motiveert om bijkomend alles op alles te zetten om een dergelijke opname te vermijden en in afwachting van het doorlopen van een wachttijd constructief mee te werken aan de realisatie van een opnamemogelijkheid met een noodzakelijke behandeling voor zijn middelen- en persoonlijkheidsproblematiek in een andere residentiële setting; - de eiser nu al plaatsen op de wachtlijst van het FPC zorgt ervoor dat hij, mocht hij alsnog uit de boot vallen, sneller in een FPC terecht kan, waar hij dan aangepaste zorg op maat kan krijgen om van daaruit zijn verder zorgtraject mee vorm te geven.
- Op grond van die redenen kan het vonnis wettig oordelen dat de eiser nog steeds een geestesproblematiek heeft en er sprake is van een recidiverisico op het plegen van nieuwe interneringswaardige feiten. Daaruit blijkt ook dat de kamer heeft onderzocht of een verdere plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het risico op het plegen van nieuwe misdrijven niet kan worden weggenomen door een minder verregaande uitvoeringsmaatregel. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 9 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div