Obsah (4)
Art. 24Art. 26Art. 584Art. 1039id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 24
- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -
Art. 26
- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -
Art. 584
, eerste lid - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1039
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 Uit de wetsgeschiedenis van artikel XI.58, WER blijkt niet dat de wetgever de toepassingsvereisten voor een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking wenste aan te passen door de kracht van gewijsde van een beslissing inzake een inbreuk te miskennen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: UITVINDINGSOCTROOI - EUROPEES OCTROOI Vrije woorden: Nietigheid of herroeping octrooi - Ongerechtvaardigde verrijking - Toepassingsvereisten Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XI.58, § 2, 1° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0110.N VIATRIS GX bv, met zetel te Terhulpensesteenweg 6A, 1560 Hoeilaart, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0885.805.780, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen NOVARTIS AG, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 40546 Basel (Zwitserland), Lichtstraße 35, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 11 oktober
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 14 mei 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 24 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere eindbeslissing gezag van gewijsde heeft vanaf de uitspraak. Krachtens artikel 26 van dat wetboek blijft dat gezag bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt. Artikel 584, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak doet in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. Volgens artikel 1039, eerste lid, van dat wetboek brengen de beschikkingen in kort geding geen nadeel toe aan de zaak zelf. Uit die bepalingen volgt dat de beslissing in kort geding, zodra de bodemrechter een andersluidende beslissing omtrent de betwiste rechten heeft genomen, van rechtswege ophoudt uitwerking te hebben. De beslissing van de bodemrechter heeft evenwel geen terugwerkende kracht op de beslissing in kort geding.
- Artikel XI.58, § 2, 1°, WER bepaalt dat de terugwerkende kracht van de nietigheid of van de herroeping van het octrooi geen invloed heeft op de beslissingen inzake inbreuk die in kracht van gewijsde zijn gegaan en ten uitvoer zijn gelegd vóór de beslissing tot nietigverklaring of vóór de inschrijving in het register van de vrijwillige herroeping van het octrooi, onverminderd de bepalingen betreffende aanspraken op vergoeding van schade veroorzaakt door de nalatigheid of kwade trouw van de octrooihouder of betreffende verrijking zonder oorzaak.
- Uit de wetsgeschiedenis van voormeld artikel XI.58 blijkt niet dat de wetgever de toepassingsvereisten voor een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking wenste aan te passen door de kracht van gewijsde van een beslissing inzake een inbreuk te miskennen.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres aanvoert dat zij winst heeft gederfd en verlies heeft geleden en dit een verarming aan haar zijde uitmaakt, de verweerster zich heeft verrijkt in de vorm van onrechtmatige winst, en een causaal verband bestaat tussen deze verarming en verrijking, aangezien de kortgedingprocedure en de daaruit volgende verbodsmaatregel die de eiseres werd opgelegd, ervoor heeft gezorgd dat ze niet op de markt is kunnen komen en dat de verweerster haar ongerechtvaardigd monopolie heeft behouden; - de eiseres stelt dat er geen rechtvaardiging is voor deze vermogensoverdracht, aangezien de verweerster wegens de terugwerkende kracht van de herroeping van haar octrooi nooit rechten heeft gehad die haar toelieten voorlopige maatregelen te verkrijgen zodat haar een onrechtmatig monopolie werd toegestaan; - zelfs indien er sprake zou zijn van een verarming van de eiseres en een causaal verband wordt bewezen tussen deze verarming en een verrijking aan de zijde van de verweerster, wat deze partij betwist, er wel degelijk een oorzaak bestond voor deze vermogensverschuiving, met name het in kracht van gewijsde gegane arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 oktober 2010; - het hof van beroep, zetelend in kort geding, oordeelde dat het op dat ogenblik niet definitief herroepen octrooi prima facie geldig was en de vordering van de verweerster die strekte tot het verkrijgen van voorlopige verbodsmaatregelen gerechtvaardigd was; - het toekennen van een vergoeding wegens verrijking zonder oorzaak het gezag van gewijsde van deze beslissing zou miskennen; - het enkele feit dat het octrooi op basis van een juridische fictie wordt geacht nooit bepaalde gevolgen te hebben gehad, niet volstaat om het gezag van gewijsde van deze reeds gewezen rechterlijke uitspraak te ontnemen; - overeenkomstig artikel 26 Gerechtelijk Wetboek het gezag van gerechtelijk gewijsde blijft bestaan zolang de beslissing niet wordt ongedaan gemaakt; - de eiseres met verwijzing naar artikel XI.58 WER, betwist dat het arrest van het hof van beroep van 26 oktober 2010 de beweerde verrijking van de verweerster en de verarming van de eiseres kan rechtvaardigen; - zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat artikel XI.58 WER toepassing vindt op een octrooi dat is herroepen door het Europees Octrooibureau, dit echter geen afbreuk doet aan hetgeen eerder werd overwogen.
- De appelrechters die op grond van deze redenen oordelen dat voor zover sprake is van een vermogensverschuiving, deze een geldige juridische oorzaak heeft, gelet op het in kracht van gewijsde getreden arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 oktober 2010 en aldus de vordering van de eiseres wegens ongerechtvaardigde verrijking ongegrond is, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 24, 26, 584 en 1039 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 5.135, 5.136 en 5.137 Burgerlijk Wetboek en artikel XI.58, § 2, 1°, WER, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, kan het niet worden aangenomen.
- De appelrechters oordelen dat de bewering van de eiseres dat artikel XI.58 WER van elk nuttig effect zou worden beroofd, tenzij zou worden geoordeeld dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing die ten uitvoer werd gelegd geen rechtvaardiging kan vormen voor een vermogensverschuiving, niet kan worden bijgetreden omdat artikel XI.58 WER reeds een wettelijke basis voor een vergoeding bevat, met name de vordering tot vergoeding van de schade veroorzaakt door nalatigheid of kwade trouw, of de vordering tot terugbetaling wegens billijkheid in geval van overeenkomsten. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters met deze redenen ontkennen dat de verrijkingsvordering eigen, van de foutaansprakelijkheid onderscheiden, toepassingsvoorwaarden heeft, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het middel gericht tegen een overtollige reden, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag die berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 694,13 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 11 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250911.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250911.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div