id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250911.1N.5 Rolnummer: F.24.0071.N Zaak: TENNIS TRAINING TSAS vzw contra BS FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2025-11-24 Raadplegingen: 354 - laatst gezien 2026-06-15 11:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR Fiches 1 - 2 De voorwaarde dat de exploitant of inrichting de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan, houdt niet in dat exploitant of inrichting geen overschotten mag realiseren of zelfs nastreven, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld en mits zij worden aangewend ten behoeve van de vrijgestelde diensten. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Vrijstelling van diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 44, § 2, 3° - 32 Link Justel databank 19690703-32 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 133,
- a)Vrije woorden: Vrijstelling van diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding - Ontvangsten - Overschotten - Aanwending Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 44, § 2, 3° - 32 Link Justel databank 19690703-32 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 133,
- a)Tekst van de beslissing Nr. F.24.0071.N TENNIS TRAINING @TSAS vzw, met zetel te 2500 Lier, Mechelsesteenweg 380, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0661.748.846, eiseres, met als raadslieden mr. Vincent Vercauteren, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen, Grotesteenweg 214 bus 4, en mr. Stein De Maeijer, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan 86C bus 419, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal-directeur van het KMO-Centrum Mechelen, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 december 2023. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van wederantwoord 1. Artikel 1094 Gerechtelijk Wetboek laat de eiser toe een memorie van antwoord te beantwoorden met een memorie van wederantwoord, maar enkel voor zover de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het cassatieberoep betreft. 2. De memorie van wederantwoord van de eiseres die verweer inhoudt tegen het antwoord van de verweerder op het middel zelf, is niet ontvankelijk. Eerste middel 3. Krachtens artikel 132.1, m), van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, hierna Btw-richtlijn, verlenen de lidstaten vrijstelling voor sommige diensten welke nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en welke door instellingen zonder winstoogmerk worden verricht door personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen. Artikel 133, a), Btw-richtlijn bepaalt dat de lidstaten voormelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk kunnen stellen van de voorwaarde dat de instellingen niet systematisch het maken van winst beogen. Eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht. In het arrest van 21 maart 2002 in de zaak C-174/00 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie dat “een instelling als “instelling zonder winstoogmerk” kan worden gekwalificeerd ook indien zij systematisch streeft naar overschotten die zij vervolgens aanwendt ten dienste van haar prestaties”. 4. Overeenkomstig artikel 44, § 2, 3°, Btw-wetboek zijn van de belasting vrijgesteld de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan. De voorwaarde dat de exploitant of inrichting de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan, houdt niet in dat exploitant of inrichting geen overschotten mag realiseren of zelfs nastreven, mits deze overschotten niet als winst onder de leden worden verdeeld en mits zij worden aangewend ten behoeve van de vrijgestelde diensten. 5. Hieruit volgt dat artikel 44, § 2, 3°, Btw-wetboek beantwoordt aan de voorwaarde van artikel 133, a), Btw-richtlijn. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 6. De appelrechters verwerpen de btw-vrijstelling van artikel 44, § 2, 3°, Btw-wetboek niet omdat de ontvangsten met betrekking tot het eerste boekjaar hoger zijn dan de uitgaven, maar omwille van de omstandigheid dat “geenszins blijkt dat overschotten met betrekking tot het eerste boekjaar daadwerkelijk werden/zullen worden aangewend ten behoeve van de vrijgestelde handelingen”. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde en vierde middel 7. In zoverre de middelen miskenning van de bewijskracht van de interne jaarrekening van de eiseres aanvoeren, maar nalaten schending van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek aan te voeren, zijn zij niet ontvankelijk. 8. In zoverre het vierde middel een motiveringsgebrek aanvoert, maar nalaat schending van artikel 149 Grondwet aan te voeren, is het niet ontvankelijk. 9. In zoverre de middelen miskenning aanvoeren van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, zijn zij hieruit afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 334,89 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 11 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250911.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.