id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 392
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 398
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 399
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen:
Art. 392
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 398
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 399
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen:
Art. 392
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 398
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 399- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0374.N K. V. M., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Ben Leyman, advocaat bij de balie Oudenaarde, tegen H. D., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 399, eerste lid, Strafwetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd en verantwoordt de beslissing niet naar recht doordat het, enerzijds, de verweerder schuldig verklaart aan opzettelijke slagen of verwondingen die bij de eiser een ziekte of een tijdelijke ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hebben gehad, terwijl het, anderzijds, op de burgerlijke vordering van de eiser oordeelt dat de slagen geen blijvende schade kunnen hebben teweeggebracht in oorzakelijk verband met die feiten en het op die grond evenmin een vergoeding voor tijdelijke huishoudelijke schade toekent; de kwalificatie op basis van artikel 399, eerste lid, Strafwetboek sluit echter niet het bestaan uit van een blijvende persoonlijke ongeschiktheid (invaliditeit), dat een ander begrip is dan economische ongeschiktheid; het toekennen van een vergoeding wegens persoonlijke tijdelijke of blijvende ongeschiktheid (invaliditeit), zoals gevorderd door de eiser, is verenigbaar met de bewezenverklaring van de feiten omschreven onder de vermelde kwalificatie.
- De artikelen 392, 398 en 399 Strafwetboek bestraffen degene die aan een persoon slagen of verwondingen toebrengt die een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hebben.
- Het slachtoffer van feiten zoals omschreven in die bepalingen kan geen schade oplopen ingevolge een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, dit is de aantasting van zijn abstracte mogelijkheid om gewone arbeid te verrichten. Dat slachtoffer kan wel schade oplopen door een blijvende invaliditeit, dit is de aantasting van zijn fysieke of psychische integriteit, die hetzij louter anatomisch is, hetzij functioneel in die zin dat hij beperkingen ondervindt bij het verrichten van eender welke activiteit. Eveneens kan het slachtoffer schade ingevolge tijdelijk huishoudelijke ongeschiktheid oplopen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in zijn appelconclusie, met verwijzing naar het deskundigenverslag, een vergoeding heeft gevraagd voor “blijvende persoonlijke ongeschiktheid van 1%” en niet voor blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid. De eiser heeft tevens vergoeding gevraagd voor tijdelijke huishoudelijke schade. Het arrest oordeelt dat “enkel de gevolgen die kunnen voortvloeien uit het misdrijf zoals omschreven overeenkomstig artikel 399, eerste lid, Strafwetboek, schade kunnen zijn die in oorzakelijk verband staat met de fout van de verweerder” en dat “blijvende schade als gevolg van de ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid geen schade is die in causaal verband staat met de bewezen feiten”. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 780, eerste lid, 3° en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest beantwoordt niet eisers conclusie inzake de schadeposten tijdelijke ongeschiktheid en preciseert niet waarom het voor die posten minder schadevergoeding toekent dan de eerste rechter en dan wat de eiser aan de appelrechters heeft gevraagd.
- In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de vergoeding voor tijdelijke huishoudelijke schade, behoeft het geen antwoord gelet op het antwoord op het tweede onderdeel.
- Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, op grond waarvan het vonnis, op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkend gedeelte, het onderwerp van de vordering en het antwoord op de overeenkomstig artikel 744, eerste lid, uiteengezette middelen van de partijen bevat, is niet van toepassing op de strafprocedure, met inbegrip van de behandeling van de burgerlijke vordering.
- Artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek, op grond waarvan voorziening in cassatie openstaat indien er werd nagelaten uitspraak te doen over één van de punten van de vordering, is vreemd aan de grief die het arrest verwijt niet op een conclusie te hebben geantwoord.
- De rechter moet enkel zijn eigen beslissing over de schadevergoeding motiveren. Hij moet niet motiveren waarom hij anders oordeelt dan de eerste rechter en dit ongeacht of de burgerlijke partij incidenteel beroep heeft ingesteld.
- De rechter moet niet antwoorden op argumenten die een burgerlijke partij tot ondersteuning van haar vordering aanvoert, maar die geen zelfstandig onderdeel van die vordering uitmaken. Evenmin moet de rechter de redenen van zijn redenen vermelden.
- Wanneer een partij aan de hand van forfaitaire bedragen vergoeding vordert van door een onrechtmatige daad veroorzaakte fysieke of morele schade, kan de rechter die vordering beantwoorden door voor die schadeposten andere forfaitaire bedragen toe te kennen. Aldus beantwoordt de rechter die vordering door zijn tegengestelde feitelijke beoordeling ervoor in de plaats te stellen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de bedragen die het forfaitair aan de eiser toekent, beantwoordt het arrest de vordering van de eiser, zonder te moeten ingaan op elk aan die vordering ten grondslag liggend argument dat geen zelfstandige vordering uitmaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het oordeelt over de vordering van de eiser tot schadevergoeding wegens blijvende persoonlijke ongeschiktheid en wegens tijdelijke huishoudelijke schade. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 181,69 euro, waarvan 146,69 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990525.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040525.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061114.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div