← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.16 Rolnummer: P.25.1198.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-09-22 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-18 12:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Wanneer het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard en dat uitvoerbaar verklaard bevel is betekend aan de op grond van artikel 5, eerste lid, van die wet voorlopig aangehouden vreemdeling, is die vreemdeling niet meer van zijn vrijheid beroofd krachtens het voorlopig aanhoudingsbevel dat de onderzoeksrechter op die grond heeft uitgevaardigd, maar is hij definitief aangehouden krachtens het buitenlands aanhoudingsbevel dat door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard; vanaf dat ogenblik staat de betrokkene ter beschikking van de uitvoerende macht

(1).
(1)Cass. 27 februari 2024, AR P.24.0235.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.
  1. Over de exequatur en de betekening van de nodige stukken als scharnierpunt tussen de voorlopige en definitieve aanhouding in de procedure tot uitlevering zie o.a. Cass. 27 februari 2024, AR P.24.0235.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17; Cass. 12 januari 2022, AR P.21.1696.F, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.13 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE; Cass. 2 april 2019, AR P.19.0284.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190402.2, AC 2019, nr. 205; A. WINANTS, “Uitlevering: de voorlopige aanhouding”, in Comm. Straf. 2022,
  2. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Fiches 3 - 6 Uit artikel 5.1.f en 5.4 EVRM volgt dat de vreemdeling die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, niettemin het recht heeft om, zolang de exequaturbeslissing nog ongedaan kan worden gemaakt, de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding; in die zin mag de vreemdeling in overeenstemming met artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 aan het onderzoeksgerecht zijn voorlopige invrijheidstelling vragen in de gevallen waarin een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden; de rechter aan wie een definitief aangehouden vreemdeling om zijn voorlopige invrijheidstelling verzoekt, dient de wettigheid van diens gevangenhouding te beoordelen op grond van het door de raadkamer uitvoerbaar verklaarde en aan de verzoeker betekende buitenlandse aanhoudingsbevel; hij kan die beoordeling niet meer steunen op het voorlopig aanhoudingsbevel dat door de onderzoeksrechter werd uitgevaardigd
(1).
(1)Zie Cass. 9 september 2025, AR P.25.1218.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.24; Cass. 18 november 2020, AR P.20.1084.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201118.2F.17, AC 2020, nr. 712, met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.1.f - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1198.N S. H., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, eiser, aangehouden, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 augustus
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3 en 5 Uitleveringswet 1874
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser met verwijzing naar een Albanees aanhoudingsbevel van 22 november 2024 voorlopig werd aangehouden bij bevel van de onderzoeksrechter van 3 juli 2025; - de raadkamer op 11 juli 2025 het Albanees aanhoudingsbevel van 22 november 2024 uitvoerbaar heeft verklaard; - die exequaturbeschikking samen met de officiële Albanese stukken, waaronder het internationaal aanhoudingsbevel van 22 november 2024, op 17 juli 2025 aan de eiser ter kennis werden gebracht; - de eiser op dezelfde dag hoger beroep tegen die beschikking heeft ingesteld; - de eiser op 12 augustus 2025 ter griffie van het hof van beroep een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling heeft neergelegd.
  3. Artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt dat de uitlevering zal worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid verleend op voorwaarde dat deze akten duidelijk de feiten omschrijven waarvoor ze werden verleend en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden.
  4. Artikel 5, eerste lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt dat de vreemdeling op grond van een van de feiten onder artikel 1 van dezelfde wet vermeld, bij onverwijlde spoed in België voorlopig kan worden aangehouden op vertoon van een bevel tot aanhouding verleend door de onderzoeksrechter bevoegd voor de plaats waar hij verblijft of kan worden aangetroffen, en aanleunend bij een officieel bericht aan de Belgische autoriteiten toegestuurd door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling veroordeeld of vervolgd is geweest.
  5. Wanneer het door de buitenlandse overheid uitgevaardigde aanhoudingsbevel overeenkomstig artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard en dat uitvoerbaar verklaard bevel is betekend aan de op grond van artikel 5, eerste lid, van die wet voorlopig aangehouden vreemdeling, is die vreemdeling niet meer van zijn vrijheid beroofd krachtens het voorlopig aanhoudingsbevel dat de onderzoeksrechter op die grond heeft uitgevaardigd, maar is hij definitief aangehouden krachtens het buitenlands aanhoudingsbevel dat door de raadkamer uitvoerbaar is verklaard. Vanaf dat ogenblik staat de betrokkene ter beschikking van de uitvoerende macht.
  6. Uit artikel 5.1.f en 5.4 EVRM volgt dat de vreemdeling die is opgesloten om te worden uitgeleverd en die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, niettemin het recht heeft om, zolang de exequaturbeslissing nog ongedaan kan worden gemaakt, de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding. In die zin mag de vreemdeling in overeenstemming met artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 aan het onderzoeksgerecht zijn voorlopige invrijheidstelling vragen in de gevallen waarin een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden.
  7. De rechter aan wie een definitief aangehouden vreemdeling om zijn voorlopige invrijheidstelling verzoekt, dient de wettigheid van diens gevangenhouding te beoordelen op grond van het door de raadkamer uitvoerbaar verklaarde en aan de verzoeker betekende buitenlandse aanhoudingsbevel. Hij kan die beoordeling niet meer steunen op het voorlopig aanhoudingsbevel dat door de onderzoeksrechter werd uitgevaardigd.
  8. Het arrest dat eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling afwijst en voor dat oordeel enkel verwijst naar het voorlopig aanhoudingsbevel van de onderzoeksrechter van 3 juli 2025 en bijgevolg naar een niet langer geldende titel van vrijheidsberoving, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Middelen
  9. De middelen die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat deze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190402.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201118.2F.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220112.2F.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.24 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.