id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.5 Rolnummer: P.24.1532.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-09-22 Raadplegingen: 498 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 6.3 EVRM, noch artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, noch de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, inbegrepen het recht op tegenspraak, of het recht van verdediging, vereisen dat een beklaagde wordt verwittigd dat de facultatieve straf van het beroepsuitoefeningsverbod tegen hem kan worden uitgesproken
(1).
(1)Cass. 20 november 2007, AR P.07.1173.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071120.3, AC 2007, nr. 568; Cass. 30 mei 2006, AR P.06.0185.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.3, AC 2006, nr. 296. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Fiches 4 - 5 Artikel 195 Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling verplicht de rechter die de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de beklaagde vaststelt en die remedieert, om in zijn beslissing artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te vermelden
(1).
(1)Zie Cass. 15 juni 2022, AR P.22.0307.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220615.2F.
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1532.N J. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De eiser is voor het hem ten laste gelegde feit A vrijgesproken. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 130, 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: met de telastlegging C wordt door de verwijzingsbeschikking als feitelijke gedraging aangemerkt dat de eiser, als werknemer van B&R Facility Management bv, geld heeft aangenomen voor het goedkeuren of het laten goedkeuren van offertes van minstens SER Multiservices bv of SER Multicleaning bv; tevens wordt door de buitenvervolgingstelling voor de telastlegging B de feitelijke gedraging dat door S.G. als zaakvoerder van de vermelde vennootschappen, betalingen werden gedaan met het oog op de goedkeuring van offertes, uitgesloten van de saisine van de feitenrechter; de appelrechters treden echter meermaals buiten hun saisine, met name door de overwegingen dat de eiser de centrale figuur was bij de latere goedkeuring en betaling van de facturen door B&R Facility Management bv (arrest, p. 13, randnr. 10) terwijl de saisine zich niet uitstrekt tot de goedkeuring en betaling van facturen, dat uit het verhoor van S.G. blijkt dat hij merkkledij moest kopen voor de eiser (arrest, p. 14, randnr. 12) terwijl de saisine zich niet uitstrekt tot de ontvangst van merkkledij, dat het de eiser was die S.G. aanstuurde en voor hem geld liet afhalen (arrest, p. 15, randnr. 12) terwijl S.G. buiten vervolging werd gesteld voor de oorspronkelijke telastlegging B van actieve omkoping en dat de eiser voor zichzelf of een derde een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook heeft gevraagd of aangenomen (arrest, p. 16, randnr. 15), terwijl de saisine zich niet uitstrekt tot het vragen van een aanbod, belofte of een voordeel, andere dan de aanvaarding van geldsommen.
- Artikel 6 EVRM en artikel 211 Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de grief die enkel betrekking heeft op de saisine van de appelrechters. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Het arrest (p. 13, randnr. 10) oordeelt dat de dossierstukken er geen twijfel over laten bestaan dat het de eiser was die in zijn hoedanigheid van aangestelde bij B&R Facility Management bv de nuttige handelingen stelde met het oog op goedkeuring, minstens het laten goedkeuren van de offertes voor aannemingsprojecten van SER Multiservices bv of SER Multicleaning bv en verder (p. 14, randnr. 12) dat S.G. hem voor zijn samenwerking met het oog op de goedkeuring van offertes geldsommen diende te betalen. Het arrest (p. 22) verklaart vervolgens de feiten onder de telastlegging C bewezen, die in de akte van aanhangigmaking worden omschreven als “(…) door als werknemer van B&R Facility Management bvba niet nader te bepalen geldsommen te hebben aangenomen voor het (laten) goedkeuren van offertes voor aannemingsprojecten (…)”.
- Aldus hebben de appelrechters geen uitspraak gedaan over andere dan de bij hen op regelmatige wijze aanhangig gemaakte feiten. De omstandigheid dat de appelrechters bij de beoordeling van de bewezen verklaarde telastlegging feiten betrekken die niet specifiek zijn vermeld in die telastlegging, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede, derde en vierde onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 504bis, § 1, Strafwetboek: het arrest is niet afdoende gemotiveerd; uit het geheel van de vastgestelde feiten kan immers niet worden afgeleid welke offertes de eiser heeft goedgekeurd of laten goedkeuren (tweede onderdeel); uit het geheel van de vastgestelde feiten kan ook niet worden afgeleid waarop de appelrechters steunen om te oordelen dat de gedragingen van de eiser zonder medeweten of machtiging van de werkgever gebeurden (derde onderdeel); de appelrechters stellen ten slotte niet vast dat het aanbod, de belofte en de voordelen van alle aard dateren van vóór de handeling van de functie of de door de functie vergemakkelijkte handeling (vierde onderdeel).
- Artikel 6.1 EVRM verplicht de rechter om, ook bij afwezigheid van een conclusie, de voornaamste redenen op te geven die hem hebben overtuigd van de schuld van de beklaagde, zodat deze begrijpt op welke gronden de rechter tot zijn beslissing is gekomen. Die motivering kan echter beknopt zijn en zij vereist niet dat de rechter specifiek motiveert waarom aan elk van de constitutieve bestanddelen van het bewezen verklaarde misdrijf is voldaan.
- De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een vormvoorschrift. Daaruit volgt dat aan die verplichting is voldaan indien een verweer wordt beantwoord, ongeacht de kwaliteit van dit antwoord.
- Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet voor elk constitutief bestanddeel van het misdrijf dat hij bewezen verklaart, motiveren waarom of op grond van welke feiten hij oordeelt dat aan dat constitutief bestanddeel is voldaan.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Met de uitvoerige redenen op pagina’s 11 tot en met 17, randnummers 6 tot en met 16, laat het arrest de eiser toe zijn schuldigverklaring aan de telastlegging C te begrijpen, laat het aan het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: de vaststelling van de feiten op pagina’s 14 tot en met 15, randnummer 12 van het arrest is niet verzoenbaar met de bijlagen 41-42 van het proces-verbaal 524336/2020; de appelrechters geven van deze bijlagen een lezing die er niet mee verstaanbaar is door vast te stellen dat hieruit blijkt dat S.G. geld bij KBC afhaalde om de eiser te betalen; de appelrechters hebben zich beperkt tot de overname van de eigen interpretatie van deze tekst door de verbalisant in het proces-verbaal 524336/
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij dit geschrift doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een geschrift indien de rechter uit dat geschrift louter een gevolg afleidt.
- Met het door het middel bekritiseerde oordeel geeft het arrest met de verwijzing naar het proces-verbaal 524336/2020 geen uitlegging van de chatgesprekken tussen de eiser en S.G., maar leidt het daar enkel een gevolg uit af. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de eiser wordt vrijgesproken voor de telastlegging A, door vast te stellen dat de oprichting van de vennootschappen niet kadert in het oprichten of het doen oprichten van vennootschapsstructuren; het oordeelt, anderzijds, dat Govland bv werd opgericht met het oogmerk om facturen uit te schrijven aan SER Multiservices bv of SER Multicleaning bv teneinde gelden te kunnen overhevelen van de voormelde vennootschappen; deze motivering is tegenstrijdig.
- Het arrest (p. 10, randnr. 5) oordeelt met betrekking tot de telastlegging A, waarvoor de eiser werd vrijgesproken, dat niet met zekerheid vaststaat dat de oprichting van SER Multiservices bv of SER Multicleaning bv op initiatief van de eiser geschiedde en enkel om hem toe te laten opdrachten uit te besteden aan deze vennootschappen. Het oordeelt verder (p. 15, randnr. 13) dat Govland bv werd opgericht met het oogmerk om facturen uit te schrijven aan SER Multiservices bv of SER Multicleaning bv teneinde gelden te kunnen overhevelen van de voormelde vennootschappen. Die redenen sluiten elkaar niet uit of heffen elkaar niet op. Het middel mist feitelijk grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het recht op tegenspraak: de appelrechters leggen de eiser voor het eerst in hoger beroep de bijkomende veroordeling van een beroepsverbod op; uit het arrest, noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt dat hierover tegenspraak werd gevoerd; de eiser diende echter te worden uitgenodigd om zich hierop te verdedigen.
- Artikel 6.3 EVRM, noch artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod, noch de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, inbegrepen het recht op tegenspraak, of het recht van verdediging, vereisen dat een beklaagde wordt verwittigd dat de facultatieve straf van het beroepsuitoefeningsverbod tegen hem kan worden uitgesproken. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering: bij de opsomming van de toegepaste wettelijke bepalingen vermeldt het arrest niet artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, terwijl de straf werd gemilderd ten gevolge van de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken.
- Artikel 195 Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling verplicht de rechter die de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de beklaagde vaststelt en die remedieert, om in zijn beslissing artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te vermelden. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 127,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071120.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220615.2F.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div