← België

M. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 Artikel 6.3.d EVRM is niet van toepassing op burgerlijke partijen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk vaststellen dat hij specifiek heeft onderzocht of de weigering om een door een burgerlijke partij voorgestelde getuige te horen al dan niet het recht van die partij op een eerlijk proces miskent, of die partij ondanks deze weigering een redelijke kans heeft gekregen om haar zaak voor te leggen en of die partij hierbij niet wezenlijk werd benadeeld ten opzichte van de beklaagde; het feit dat de rechter dat onderzoek heeft gedaan, kan blijken uit andere redenen van zijn beslissing, waaronder de redenen op grond waarvan hij oordeelt dat het getuigenverhoor niet dienstig is voor de waarheidsvinding

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0128.N T. M., burgerlijke partij, eiseres, met als raadslieden mr. Joachim Meese en mr. Wahib El Hayouni, beiden advocaat bij de balie Gent, tegen G. V., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 december 2024. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 23 juli 2025 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 16 september 2025 heeft sectievoorzitter Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van het verslag van de door de eiseres aangezochte psycholoog door aan de inhoud van diens verslag een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan; meer bepaald is die psycholoog, anders dan het arrest oordeelt, bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van de eiseres niet uitgegaan van een bekentenis van de verweerder dat hij zonder haar toestemming met haar geslachtsgemeenschap heeft gehad. 2. Het arrest (p. 9-10) oordeelt in het licht van een geheel van feitelijke gegevens en getuigenverklaringen die het (p. 5-11) opsomt als volgt: “Spijts de latere, tegenstrijdige verklaringen van [de eiseres], kan enkel worden vastgesteld dat de seksuele betrekkingen die zij met [de verweerder] in de bootmanstore (of ook ‘paintstore’) had, zeker met geldige toestemming plaatsvonden. Dat haar latere verklaring door een psycholoog als waarheidsgetrouw en geloofwaardig werd geanalyseerd doet daar niets aan af. Deze ging immers enkel van haar versie uit. Het is verder niet omdat een psycholoog een (mens)wetenschappelijke opleiding genoot en hij wetenschappelijke methodes zou hanteren, dat zijn bevindingen noodzakelijk wetenschappelijk onderbouwd zijn en daardoor hogere bewijswaarde hebben. De bevindingen van de partijdeskundige kunnen geen afbreuk doen aan de zekere feitelijke vaststellingen in de andere zin.” Het arrest baseert die reden onder meer op getuigenverklaringen die het vermeldt en waaruit blijkt dat de eiseres smoorverliefd was op de verweerder, alsook dat zij opschepte over de seksuele betrekkingen die zij net daarvoor met de verweerder had gehad in de paintstore. Het arrest oordeelt vervolgens met de door het middel bekritiseerde redenen: “De door [de eiseres] aangestelde psycholoog gaat trouwens uit van een bekentenis van [de verweerder], wat niet het geval is. Als de bekentenis van [de verweerder] inhoudt dat hij erkende dat hij [de eiseres] seksueel penetreerde, is dit een foutief uitgangspunt om de geloofwaardigheid van verklaringen in het licht van verkrachting, wat seksuele penetratie zonder geldige instemming inhoudt, te beoordelen.” 3. Hieruit volgt dat het middel opkomt tegen een overtollige reden die de zelfstandige redenen op grond waarvan het arrest oordeelt dat de eiseres wel degelijk geldig heeft ingestemd met de seksuele betrekkingen die zij in de bootmanstore met de verweerder heeft gehad, onaangetast laat. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces met inbegrip van de wapengelijkheid: het arrest weigert in te gaan op het door de eiseres gevraagde getuigenverhoor van B. en V.; het oordeelt dat het recht op getuigenverhoor voor de burgerlijke partij beperkter is dan voor de beklaagde; uit de redenen van het arrest blijkt niet dat de appelrechters hebben onderzocht of (

  1. i)de weigering om de getuigen te horen al dan niet het recht van de eiseres op een eerlijk proces miskent, (
  2. ii)de eiseres ondanks deze weigering een redelijke kans heeft gekregen om haar zaak voor te leggen en (iii) de eiseres hierbij niet wezenlijk werd benadeeld ten opzichte van de verweerder; bovendien is de vaststelling van het arrest dat B. en V. geen getuigen van de beweerde verkrachting waren, niet dienend voor de beoordeling van de vraag of hun verhoor wezenlijk noodzakelijk was voor de eiseres om haar stelling te kunnen staven; het betrof immers personen die getuige waren van de mate van alcoholintoxicatie van de eiseres ten tijde van de feiten, terwijl het arrest uitgaat van een geldige toestemming van de eiseres. 5. Een onderdeel van het recht op een eerlijk proces, zoals onder meer gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, is het recht op wapengelijkheid. Dat recht houdt in dat de procespartijen in gelijke mate de rechterlijke beslissing moeten kunnen beïnvloeden door bewijsmateriaal aan te brengen, bewijselementen van andere partijen te betwisten en processuele middelen aan te wenden, waaronder de mogelijkheid om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover een partij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen. Dit recht, waarop ook de burgerlijke partij zich kan beroepen, is evenwel niet absoluut. Zo vereist het niet dat partijen met een verschillende hoedanigheid en belang steeds over dezelfde processuele mogelijkheden beschikken. Het schakelt evenmin de vrijheid van de rechter uit om te oordelen over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van het horen van een getuige die door een burgerlijke partij wordt voorgesteld ter ondersteuning van de aanvoeringen vervat in haar burgerlijke vordering. 6. Artikel 6.3.d EVRM is niet van toepassing op burgerlijke partijen. 7. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk vaststellen dat hij specifiek heeft onderzocht of de weigering om een door een burgerlijke partij voorgestelde getuige te horen al dan niet het recht van die partij op een eerlijk proces miskent, of die partij ondanks deze weigering een redelijke kans heeft gekregen om haar zaak voor te leggen en of die partij hierbij niet wezenlijk werd benadeeld ten opzichte van de beklaagde. Het feit dat de rechter dat onderzoek heeft gedaan, kan blijken uit andere redenen van zijn beslissing, waaronder de redenen op grond waarvan hij oordeelt dat het getuigenverhoor niet dienstig is voor de waarheidsvinding. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres de eventuele weigering van de appelrechters om de door haar voorgestelde getuigen te horen, in verband heeft gebracht met de miskenning van haar recht op een eerlijk proces met inbegrip van haar recht op wapengelijkheid. 10. De appelrechters (arrest, p. 5-11) weigeren in te gaan op het door de eiseres gevraagde getuigenverhoor op grond van de redenen die het middel (memorie, p. 7-8) vermeldt, in het bijzonder omdat de betrokkenen reeds voorheen gedetailleerde verklaringen hebben afgelegd dan wel omstandig zijn verhoord en zij geen getuigen waren van de feiten zelf, alsook wegens het tijdsverloop waardoor de herinnering van de getuigen vervaagt. 11. Met die redenen, samen genomen met het geheel van de in het arrest opgesomde feitelijke gegevens, oordeelt het arrest dat het horen van de door de eiseres gevraagde getuigen niet nuttig is voor de waarheidsvinding met betrekking tot de beweerde feiten, de geestestoestand van de eiseres voor en tijdens die feiten en de gedragingen van bepaalde personen na die feiten. Daarmee geeft het arrest te kennen dat het recht op wapengelijkheid van de eiseres ten opzichte van de verweerder niet is miskend en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 12. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.6 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.