← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 5 Bij afwezigheid van gegevens die toelaten de omvang van de vermogensvoordelen exact vast te stellen, mag de rechter die omvang ex aequo et bono bepalen op basis van gegevens van het strafdossier die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling toelaten; daarbij kan de rechter rekening houden met een geheel van gegevens zoals, in het geval van een schuldigverklaring aan drugmisdrijven, de waarde van de drugs die het voorwerp van de telastlegging uitmaken, de omvang van de bewezen verklaarde feiten en de rol van de beklaagde binnen die feiten; vervolgens kan de rechter op grond van die gegevens de omvang van het wederrechtelijke vermogensvoordeel bepalen dat de beklaagde zonder twijfel moet hebben ontvangen ingevolge zijn deelname aan de lastens hem bewezen verklaarde feiten

(1); niet vereist is dat de rechter een rechtstreeks verband legt tussen een bepaalde gedraging van de beklaagde en een bepaald vermogensvoordeel, waarvan hij oordeelt dat de beklaagde het volgens de gegevens van het strafdossier effectief heeft ontvangen; het bevelen van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis, tweede lid, Strafwetboek vereist immers niet dat die vermogensvoordelen eigendom van de beklaagde zijn of tot zijn vermogen zijn toegetreden, noch dat hij zich heeft verrijkt; die verbeurdverklaring kan namelijk worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat de beklaagde uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven
(2).
(1)Cass. 26 april 2022, AR P.21.1624.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.2; Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0207.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.4.
(2)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0040.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1; Cass. 5 mei 2020, AR P.20.0036.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.4, AC 2020, nr. 268, NC 2022, 209 noot R. VAN HERPE “Een pleidooi voor een objectieve individuele verbeurdverklaring” (213-216). Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 6 - 8 Bij afwezigheid van daarover specifiek bij conclusie aangevoerde betwisting dient de rechter in zijn beslissing niet uitdrukkelijk, exhaustief en tot in de bijzonderheden de concrete dossiergegevens, de berekeningswijze en de verdeelsleutel te vermelden op grond waarvan hij de omvang van de voor verbeurdverklaring in aanmerking komende vermogensvoordelen lastens een beklaagde bepaalt; de beslissing moet enkel de essentiële gegevens bevatten die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de bevolen verbeurdverklaring uit te oefenen; wanneer een beklaagde zonder nadere precisering aan de rechter vraagt hem geen onredelijk zware verbeurdverklaring op te leggen, kan de rechter dat verweer beantwoorden met de reden dat uit niets blijkt dat de bevolen verbeurdverklaring een onredelijke straf voor de beklaagde uitmaakt; de rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Over de wettigheidscontrole van het Hof op de raming van het illegaal vermogen en de bijzondere verbeurdverklaring zie o.a. Cass. 18 maart 2025, AR P.24.1795.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.7; Cass. 28 januari 2025, AR P.24.1444.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.5; Cass. 24 september 2024, AR P.24.0491.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.15; Cass. 7 november 2023, AR P.23.0916.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0819.N R. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Juli Nivelle, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek: de appelrechters motiveren onvoldoende de beslissing waarbij zij lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) per equivalent bevelen van illegale vermogensvoordelen die zij ex aequo et bono bepalen op 45.000,00 euro; de rechterlijke beslissing moet minstens een eigen redengeving bevatten die alle elementen in feite en in rechte weergeeft die de overtuiging van de rechter hebben bepaald, die het dictum verantwoorden en die het wettigheidstoezicht van het Hof mogelijk maken; de appelrechters preciseren niet de berekeningswijze of de specifieke elementen op grond waarvan zij de vermogensvoordelen bepalen die de eiser persoonlijk zou hebben gegenereerd; zij geven niet aan op welke concrete elementen uit het strafdossier zij hun beoordeling over de omvang van het vermogensvoordeel en de verdeelsleutel steunen; de loutere verwijzing naar de rol van de eiser als initiatiefnemer volstaat niet; de vaststellingen van de appelrechters zijn onvoldoende nauwkeurig, waardoor er sprake is van willekeur; zij halen enkel standaardmotiveringen aan die geenszins toegespitst zijn op de situatie van de eiser.
  3. De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende motiveringsverplichting belet het appelgerecht niet om de redenen over te nemen op grond waarvan de eerste rechter de verbeurdverklaring van een door hem ex aequo et bono bepaald vermogensvoordeel lastens een beklaagde beveelt.
  4. Bij afwezigheid van gegevens die toelaten de omvang van de vermogensvoordelen exact vast te stellen, mag de rechter die omvang ex aequo et bono bepalen op basis van gegevens van het strafdossier die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling toelaten. Daarbij kan de rechter rekening houden met een geheel van gegevens zoals, in het geval van een schuldigverklaring aan drugmisdrijven, de waarde van de drugs die het voorwerp van de telastlegging uitmaken, de omvang van de bewezen verklaarde feiten en de rol van de beklaagde binnen die feiten. Vervolgens kan de rechter op grond van die gegevens de omvang van het wederrechtelijke vermogensvoordeel bepalen dat de beklaagde zonder twijfel moet hebben ontvangen ingevolge zijn deelname aan de lastens hem bewezen verklaarde feiten.
  5. Niet vereist is dat de rechter een rechtstreeks verband legt tussen een bepaalde gedraging van de beklaagde en een bepaald vermogensvoordeel, waarvan hij oordeelt dat de beklaagde het volgens de gegevens van het strafdossier effectief heeft ontvangen. Het bevelen van de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen op grond van de artikelen 42, 3° en 43bis, tweede lid, Strafwetboek vereist immers niet dat die vermogensvoordelen eigendom van de beklaagde zijn of tot zijn vermogen zijn toegetreden, noch dat hij zich heeft verrijkt. Die verbeurdverklaring kan namelijk worden uitgesproken ongeacht het voordeel dat de beklaagde uit het misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven.
  6. Bij afwezigheid van daarover specifiek bij conclusie aangevoerde betwisting dient de rechter in zijn beslissing niet uitdrukkelijk, exhaustief en tot in de bijzonderheden de concrete dossiergegevens, de berekeningswijze en de verdeelsleutel te vermelden op grond waarvan hij de omvang van de voor verbeurdverklaring in aanmerking komende vermogensvoordelen lastens een beklaagde bepaalt. De beslissing moet enkel de essentiële gegevens bevatten die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de bevolen verbeurdverklaring uit te oefenen.
  7. Wanneer een beklaagde zonder nadere precisering aan de rechter vraagt hem geen onredelijk zware verbeurdverklaring op te leggen, kan de rechter dat verweer beantwoorden met de reden dat uit niets blijkt dat de bevolen verbeurdverklaring een onredelijke straf voor de beklaagde uitmaakt.
  8. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het beroepen vonnis oordeelt als volgt: “Uit het verslag van het NICC blijkt dat er voor 460kg aan lege recipiënten van APAA/MAPA werd aangetroffen. Hieruit kan volgens de deskundigen van het NICC na afloop van het productieproces een hoeveelheid van 272kg amfetaminepasta worden gehaald. Hiervan werd tijdens de huiszoeking niets meer aangetroffen, zodat er van mag worden uitgegaan dat de volledige hoeveelheid van 272kg werd verkocht. Het is duidelijk dat beklaagden [(…) en [de eiser]] ingevolge de verkoop van amfetamines en MDMA vermogensvoordelen hebben genoten. (…) Bij afwezigheid van gegevens die de rechtbank toelaten exact te bepalen in welke mate de beklaagden vermogensvoordelen hebben verkregen ingevolge de door hen gevoerde drugshandel, zal de rechtbank deze bedragen ex aequo et bono bepalen op basis van de objectieve gegevens van het voorliggende strafdossier, wat mogelijk is, zonder dat die bepaling evenwel willekeurig is. Het totaal gegeneerde vermogensvoordeel ingevolge de verkoop van de in het drugslabo geproduceerde amfetamine wordt op basis van de gegevens van het voorliggende strafdossier door de rechtbank in redelijkheid geraamd op een bedrag van 125.000,00 euro. Derhalve worden overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis van het Strafwetboek de hierna bepaalde vermogensvoordelen verbeurd verklaard lastens de hierna genoemde beklaagden, rekening houdend met hun aandeel in de bewezen verklaarde feiten: (…) lastens [de eiser]: een bedrag van 45.000,00 euro, dat niet in zijn vermogen werd aangetroffen en dat dus lastens hem bij equivalent wordt verbeurd verklaard”.
  11. In zijn appelconclusie heeft de eiser die verbeurdverklaring betwist omdat: - het beroepen vonnis hem ten onrechte een grotere rol heeft toebedeeld; - het niet bewezen is dat hij vermogensvoordelen, minstens vermogensvoordelen ten belope van het door de eerste rechter verbeurdverklaarde bedrag, zou hebben gegenereerd; - hij niet de initiatiefnemer van het druglabo is; - de vermogensvoordelen niet bruto moeten worden verbeurdverklaard; - aan de eiser om billijkheidsredenen geen onredelijke straf mag worden opgelegd. De eiser heeft daarbij de door de eerste rechter gehanteerde verdeelsleutel voor de verdeling van de vermogensvoordelen onder de beklaagden niet specifiek betwist, noch heeft hij gepreciseerd waarom de door de eerste rechter bevolen verbeurdverklaring voor hem een onredelijk zware straf zou uitmaken.
  12. Met de redenen die het middel aanhaalt, neemt het arrest de redenen van het beroepen vonnis over, weerlegt het met eigen redenen elk van de in eisers appelconclusie aangevoerde verweermiddelen en bevestigt het de door de eerste rechter lastens de eiser bevolen verbeurdverklaring.
  13. Op grond van die redenen, die niet getuigen van willekeur maar waarmee de beschikbare gegevens van het strafdossier in aanmerking worden genomen om de omvang van de vermogensvoordelen zo nauwkeurig mogelijk te bepalen en die bovendien de wettigheidscontrole van het Hof mogelijk maken, kan het arrest wettig de verbeurdverklaring per equivalent lastens de eiser bevelen van illegale vermogensvoordelen ten bedrage van 45.000,00 euro. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220426.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.5 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250318.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.