← België

GLOBAL ACTION IN THE INTEREST OF ANIMALS c. BOLKSHOF

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 18

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 18

- 01 ELI link Pub nr 1967101052 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 3 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 8 Uit de artikelen 2.4, 3.4 en 9.3 van het verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna Verdrag van Aarhus) volgt dat artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek derwijze dient te worden uitgelegd dat aan verenigingen die de bevordering van de milieubescherming tot doel hebben, de toegang tot de rechter is verzekerd met het oog op de betwisting van het handelen en het nalaten van privépersonen en overheidsinstanties die strijdig zijn met bepalingen van het nationale recht betreffende het milieu, voor zover die verenigingen daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria, zodat een verdragsconforme uitlegging van artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek vereist dat dergelijke verenigingen, in het kader van het instellen van burgerlijke rechtsvorderingen tot bevordering van de milieubescherming, moeten worden geacht het vereiste eigen belang te hebben; de bevordering of de vrijwaring van het dierenwelzijn is echter geen milieu-aangelegenheid zoals bedoeld in het Verdrag van Aarhus; de bevordering of de vrijwaring van het dierenwelzijn is echter als dusdanig geen milieu-aangelegenheid zoals bedoeld in het Verdrag van Aarhus; dat verdrag streeft immers niet de bevordering en de vrijwaring van het dierenwelzijn na, maar wel, zoals onder meer blijkt uit de preambule, de bevordering en de vrijwaring van het welzijn en de gezondheid van de mens; dat bepaalde milieuaspecten, zoals biologische diversiteit en componenten daarvan, als onderdeel van de toestand van elementen van het milieu waarvan sprake in artikel 2.3.a) van het verdrag, ook een impact kunnen hebben op het welzijn van bepaalde in het wild levende dieren en dierlijke organismen, doet daaraan geen afbreuk; aldus dient artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zo te worden uitgelegd dat het een vereniging toelaat in rechte op te treden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, wanneer dat doel de bescherming beoogt van het milieu zoals vooropgesteld in het Verdrag van Aarhus, maar niet wanneer haar doel als dusdanig de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn beoogt

(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Wettelijke bepalingen: Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 2.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 3.4 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Verdrag 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - 25-06-1998 - Art. 9.3 - 58 Link Justel databank 19980625-58 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 9 - 14 Uit de wetsgeschiedenis van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 137 van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, en het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 133/2013 van 10 oktober 2013 blijkt dat artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek beoogt aan rechtspersonen een vorderingsrecht toe te kennen dat overeenstemt met hun statutair doel en ter bescherming van de fundamentele rechten zoals zij zijn erkend in de Grondwet of in de internationale verdragen waarbij België partij is, maar tevens beoogt dit vorderingsrecht hoofdzakelijk te beperken tot de zaken waarin de fundamentele rechten op het spel staan om een verveelvoudiging van geschillen te vermijden; artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek vereist aldus dat de rechtsvordering van de rechtspersoon, in zoverre die rechtspersoon voldoet aan de voor het overige gestelde voorwaarden, de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden; de bescherming van het dierenwelzijn is erkend in internationale instrumenten die België binden, zoals de EG-Verordening nr. 1099/2009, evenwel zonder dat die instrumenten aan België de verplichting opleggen om de toegang tot de rechter te verzekeren aan verenigingen die zich het dierenwelzijn of bepaalde aspecten daarvan tot maatschappelijk doel hebben gesteld, met het oog op de betwisting van gedragingen die strijdig zijn met bepalingen betreffende het dierenwelzijn; evenmin is het bevorderen of vrijwaren van het dierenwelzijn een doelstelling die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of van fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet; aldus dient artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek zo te worden uitgelegd dat het een vereniging toelaat in rechte op te treden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, wanneer dat doel de bescherming beoogt van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, maar niet wanneer haar doel als dusdanig de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn beoogt

(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag van Lissabon tot wijziging van het verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 - 13-12-2007 - Art. 13 - 56 Link Justel databank 20071213-56 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 15 - 21 De uitlegging van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek als grondslag voor een vorderingsrecht voor verenigingen die de bescherming beogen van de rechten van de mens of van fundamentele vrijheden beperkt de toegang tot de gewone rechtscolleges waardoor een vereniging in beginsel niet in rechte kan optreden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, zoals dat het geval is bij de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn, maar wel als dit maatschappelijk doel de bescherming beoogt van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden; deze beperking is evenredig met het nagestreefde wettige doel, namelijk een goede rechtsbedeling verzekeren door de actio popularis te weigeren en het beginsel in acht te doen nemen dat is uitgedrukt in het adagium “nul ne plaide par procureur”, aldus volgt uit de omstandigheid dat de wetgever een vorderingsrecht beoogt toe te kennen aan rechtspersonen overeenstemmend met hun statutair doel en dit ter bescherming van de fundamentele rechten zoals zij zijn erkend in de Grondwet of in de internationale verdragen waarbij België partij is en aldus beoogt dit vorderingsrecht hoofdzakelijk te beperken tot de zaken waarin de fundamentele rechten op het spel staan, dat er een objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor de verschillende behandeling van deze verenigingen met betrekking tot het verschil in toegang tot de rechter, zodat de voormelde uitlegging van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet samen gelezen met artikel 6.1 EVRM, klaarblijkelijk niet miskent

(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 22 - 24 Het recht op toegang tot een rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest Grondrechten EU aan eenieder moet worden gewaarborgd; aldus waarborgen deze internationale instrumenten het recht om een vordering met betrekking tot burgerlijke rechten en verplichtingen voor een rechtbank te brengen; ook verenigingen hebben dat recht; uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zoals onder meer het arrest van 19 oktober 2005 inzake het verzoek nr. 32555/96, het arrest van 14 september 2017 inzake het verzoek nr. 56665/09 en het arrest van 9 april 2024 inzake het verzoek nr. 53600/20, blijkt dat artikel 6.1 EVRM niet de inhoud of het bestaan bepaalt van burgerlijke rechten in het nationale materiële recht van de verdragsluitende staten, waartoe de toegang tot de rechter openstaat; dit wordt in beginsel overgelaten aan het nationale recht

(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Fiches 25 - 33 Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste wetsbepaling artikel 13 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt; de toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd bij artikel 13 Grondwet, artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, zoals een belangenvereiste; die voorwaarden mogen de toegang tot de rechter niet dermate beperken dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf ervan; dat zou het geval zijn wanneer een beperking niet redelijk evenredig zou zijn met het gewettigde doel; de hiervoor vermelde uitlegging van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek beperkt, door middel van de ontvankelijkheidsvoorwaarde van het hebben van een eigen belang, de toegang tot de gewone rechtscolleges, zodat een vereniging in beginsel niet in rechte kan optreden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, zoals dit het geval is bij de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn, maar dat wel kan doen wanneer dit maatschappelijk doel de bescherming beoogt van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden zoals voorzien in artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek of in een verdragsbepaling, zoals het Verdrag van Aarhus, België verplicht dergelijke toegang tot de rechter te verlenen; deze beperking is evenredig met het nagestreefde wettige doel, namelijk een goede rechtsbedeling verzekeren door de actio popularis te weigeren en het beginsel in acht te doen nemen dat is uitgedrukt in het adagium “nul ne plaide par procureur”; aldus schendt de vermelde uitlegging van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek artikel 13 Grondwet met betrekking tot het recht op toegang tot de bevoegde rechter, zoals tevens gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, klaarblijkelijk niet
(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 13 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: VERENIGING ZONDER WINSTOOGMERK Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 13 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 17

, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 34 - 35 Uit de artikelen 5, 36, 14° en 41 Dierenwelzijnswet, in hun versie voor en na het Vlaams Decreet van 13 juli 2018, de artikelen 17, § 2, eerste en vijfde lid, en 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn en de artikelen 3, 5, § 4 en 5, § 5, 3° KB van 27 april 2007 (Kennelbesluit) en hun parlementaire voorbereidingen volgt dat de inbreuken op artikel 5, § 4 en § 5, Kennelbesluit in uitvoering van artikel 5, § 2, Dierenwelzijnswet en sinds 1 januari 2025 ter uitvoering van artikel 17, § 2, Vlaamse Codex Dierenwelzijn strafbaar waren:

  1. a)vóór 20 augustus 2018 op grond van artikel 41 Dierenwelzijnswet;
  2. b)vanaf 20 augustus 2018 tot en met 31 december 2024 op grond van artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet; en
  3. c)vanaf 1 januari 2025 op grond van artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn; waarbij overeenkomstig artikel 2 Strafwetboek de mildere straf in artikel 41 Dierenwelzijnswet diende te worden toegepast op inbreuken begaan vóór 20 augustus 2018

(1)
(2).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM.
(2)Artt. 5, 36, 14° en 41 Wet Dierenwelzijn, in hun versie voor en na het Vlaams Decreet van 13 juli 2018 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 5 - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 14° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 41 - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 17, § 2, eerste en vijfde lid - 54 ELI link Pub nr 2024006400 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 66 - 54 ELI link Pub nr 2024006400 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 3 - B0 ELI link Pub nr 2007022825 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 5, §§ 4 en 5, 3° - B0 ELI link Pub nr 2007022825 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 5 - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 14° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 41 - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 17, § 2, eerste en vijfde lid - 54 ELI link Pub nr 2024006400 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 66 - 54 ELI link Pub nr 2024006400 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 3 - B0 ELI link Pub nr 2007022825 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 5, §§ 4 en 5, 3° - B0 ELI link Pub nr 2007022825 Fiches 36 - 37 Uit de artikelen 5, § 2 en 36, 14° Dierenwelzijnswet, in hun versie voor en na het Vlaams Decreet van 13 juli 2018, de artikelen 17, § 2, eerste en vijfde lid, en 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn, de artikelen 6, §1 en § 2 en 12 KB van 27 april 2007 (Kennelbesluit) en hun parlementaire voorbereidingen volgt dat de inbreuken op de artikelen 6, § 1 en 12, § 1, Kennelbesluit, ter uitvoering van artikel 5, § 2, Dierenwelzijnswet en sinds 1 januari 2025 ter uitvoering van artikel 17, § 2, Vlaamse Codex Dierenwelzijn, strafbaar waren: a) vanaf 20 augustus 2018 tot 31 december 2024 op grond van artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet; en b) vanaf 1 januari 2025 op grond van artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn; waarbij overeenkomstig artikel 2 Strafwetboek de mildere straf in artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet diende te worden toegepast op inbreuken begaan vóór 1 januari 2025
(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 5, § 2 - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 14° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 17, § 2, eerste en vijfde lid - 54 ELI link Pub nr 2024006400 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 66 - 54 ELI link Pub nr 2024006400 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 6, §§ 1 en 2 - B0 ELI link Pub nr 2007022825 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 12 - B0 ELI link Pub nr 2007022825 Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 5, § 2 - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren - 14-08-1986 - Art. 36, 14° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 17, § 2, eerste en vijfde lid - 54 ELI link Pub nr 2024006400 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024 over dierenwelzijn - 16-05-2024 - Art. 66 - 54 ELI link Pub nr 2024006400 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 6, §§ 1 en 2 - B0 ELI link Pub nr 2007022825 KB 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren - 27-04-2007 - Art. 12 - B0 ELI link Pub nr 2007022825 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0400.N I GLOBAL ACTION IN THE INTEREST OF ANIMALS vzw, afgekort GAIA, met zetel te 1000 Brussel, Hopstraat 43, ON 0448.077.642, burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. BOLKSHOF bv, met zetel te 2310 Rijkevorsel, Bolksedijk 45, ON 0820.612.674, met als lasthebber ad hoc Jan Meerts, met kantoor te 2000 Antwerpen, Mechelsesteenweg 12 bus 6, 2. H. G., 3. D. V., 4. E. H., beklaagden, verweerders. II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, eiser, tegen BOLKSHOF bv, reeds vermeld, beklaagde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 februari 2025. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I 1. De eiseres I, te weten een burgerlijke partij die niet is veroordeeld tot de kosten van de strafvordering, heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing over de tegen de verweerders ingestelde strafvordering. In zoverre is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel van de eiseres I Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10, 11 en 159 Grondwet, de artikelen 17, eerste lid en 18 Gerechtelijk Wetboek, artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de vordering van de eiseres I, die zich krachtens haar statuten het dierenwelzijn tot doel heeft gesteld, strekkende tot vergoeding van de schade berokkend door handelingen die in strijd zijn met de strafrechtelijk beteugelde wetgeving en regelgeving inzake dierenwelzijn, niet ontvankelijk is omdat niet voldaan is aan het vereiste van een eigen belang; artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek dient evenwel zo te worden uitgelegd dat een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn te bevorderen, op het vlak van belang voldoet aan het ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een vordering wanneer hij die instelt om het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten dat strijdig wordt geacht met de bepalingen van het nationale of internationale dierenwelzijnsrecht, net zoals dat momenteel krachtens de rechtspraak van het Hof het geval is voor burgerlijke vorderingen ingesteld door een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten de milieubescherming tot doel heeft gesteld en die ertoe strekken om het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties te betwisten dat strijdig wordt geacht met bepalingen van het nationale milieurecht; een verschillende behandeling van verenigingen op basis van hun doelstelling naar gelang ze zich toeleggen op de bescherming van dieren of op de bescherming van het milieu is in strijd met de artikelen 10 en 11 Grondwet; een wettelijk opgerichte vereniging met een wettig doel het recht op toegang tot de rechter ontzeggen om haar maatschappelijk doel te doen naleven, is bovendien in strijd met artikel 6.1 EVRM. Er wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 17, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin uitgelegd dat het een vereniging toelaat in rechte op te treden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, wanneer dat doel de milieubescherming is, maar een vereniging datzelfde recht ontzegt wanneer haar doel de bescherming van het dierenwelzijn is, en aldus aan een vereniging die de bescherming van het dierenwelzijn als maatschappelijk doel heeft de toegang tot de rechter binnen de perken van haar maatschappelijk doel ontzegt, aldus rechtspersonen die zich in een zelfde situatie bevinden verschillend behandelend, zonder dat voor deze onderscheiden behandeling een objectieve reden voorhanden is, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samengelezen met artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens?” 3. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek, terwijl die bepaling nog niet van toepassing was op het moment van de beweerde feiten, faalt het naar recht. 4. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden. Artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de vordering tot herstel van de schade die door een misdrijf wordt veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden. Artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Artikel 18 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het belang reeds verkregen en dadelijk dient te zijn. 5. Die bepalingen vereisen dat de persoon die een burgerlijke vordering instelt een eigen belang heeft, dit wil zeggen een persoonlijk en rechtstreeks belang. 6. Een rechtspersoon heeft slechts een eigen belang tot het vorderen van een vergoeding voor schade die bestaat in hetzij materiële schade door de aantasting van zijn vermogen, hetzij morele schade door de aantasting van zijn goede naam of reputatie. Aldus verkrijgt een rechtspersoon, behoudens wanneer een verdrag of een wet het specifiek anders bepaalt, geen eigen belang door het enkele feit dat een misdrijf schade toebrengt aan een collectief belang waarvan hij volgens zijn statuten de vrijwaring of de bevordering nastreeft. 7. Uit de artikelen 2.4, 3.4 en 9.3 van het verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna Verdrag van Aarhus) volgt dat artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek derwijze dient te worden uitgelegd dat aan verenigingen die de bevordering van de milieubescherming tot doel hebben, de toegang tot de rechter is verzekerd met het oog op de betwisting van het handelen en het nalaten van privépersonen en overheidsinstanties die strijdig zijn met bepalingen van het nationale recht betreffende het milieu, voor zover die verenigingen daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria. Bijgevolg vereist een verdragsconforme uitlegging van artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek dat dergelijke verenigingen, in het kader van het instellen van burgerlijke vorderingen tot bevordering van de milieubescherming, moeten worden geacht het vereiste eigen belang te hebben. 8. De bevordering of de vrijwaring van het dierenwelzijn is echter als dusdanig geen milieu-aangelegenheid zoals bedoeld in het Verdrag van Aarhus. Dat verdrag streeft immers niet de bevordering en de vrijwaring van het dierenwelzijn na, maar wel, zoals onder meer blijkt uit de preambule, de bevordering en de vrijwaring van het welzijn en de gezondheid van de mens. Dat bepaalde milieuaspecten, zoals biologische diversiteit en componenten daarvan, als onderdeel van de toestand van elementen van het milieu waarvan sprake in artikel 2.3.
  1. a)van het verdrag, ook een impact kunnen hebben op het welzijn van bepaalde in het wild levende dieren en dierlijke organismen, doet daaraan geen afbreuk. 9. Aldus dient artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zo te worden uitgelegd dat het een vereniging toelaat in rechte op te treden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, wanneer dat doel de bescherming beoogt van het milieu zoals vooropgesteld in het Verdrag van Aarhus, maar niet wanneer haar doel als dusdanig de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn beoogt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 10. Het arrest dat oordeelt dat het maatschappelijk doel van de eiseres I bestaat uit het bevorderen of het vrijwaren van het dierenwelzijn, waardoor er noch aan artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, noch aan het Verdrag van Aarhus een wettelijke grondslag kan worden ontleend die aan de eiseres I het vereiste belang toekent om een ontvankelijke burgerlijke vordering in te stellen, is dan ook naar recht verantwoord. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 17, eerste lid en 18 Gerechtelijk Wetboek, artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen. 11. In zoverre het onderdeel schending van artikel 6.1 EVRM aanvoert, is het afgeleid uit de hierna in het vierde onderdeel vergeefs aangevoerde grieven en is het bijgevolg niet ontvankelijk. 12. Het in de artikelen 10 en 11 Grondwet gewaarborgde gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel wordt tevens gewaarborgd door artikel 14 EVRM en door artikel 26 IVBPR. Het door de eiseres I ingeroepen grondrecht is op geheel of gedeeltelijk analoge wijze gewaarborgd door de voormelde bepaling uit Titel II Grondwet en door artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. 13. Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, in die zin uitgelegd dat het een vereniging toelaat in rechte op te treden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, wanneer dat doel de bescherming beoogt van het milieu zoals vooropgesteld in het Verdrag van Aarhus, maar niet wanneer dat doel als dusdanig de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn beoogt, de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. 14. De in de artikelen 10 en 11 Grondwet vastgelegde beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie hebben tot gevolg dat al wie zich, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, in een voldoende vergelijkbare situatie bevindt, op dezelfde wijze moet worden behandeld en sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen, voor zover het onderscheidingscriterium objectief en redelijk kan worden gerechtvaardigd. 15. De voormelde uitlegging van artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek beperkt de toegang tot de gewone rechtscolleges, waardoor een vereniging in beginsel niet in rechte kan optreden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, zoals dat het geval is bij de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn, maar wel als dit maatschappelijk doel de bescherming beoogt van het milieu zoals vooropgesteld in het Verdrag van Aarhus of van de grondrechten en fundamentele vrijheden zoals vooropgesteld door het tweede lid van dat artikel. 16. Deze beperking is evenredig met het nagestreefde wettig doel, namelijk een goede rechtsbedeling verzekeren door de actio popularis te weigeren en het beginsel in acht te doen nemen dat is uitgedrukt in het adagium “nul ne plaide par procureur”. 17. Aldus volgt uit de omstandigheid dat België door het Verdrag van Aarhus de verplichting op zich heeft genomen om milieuverenigingen de toegang tot de rechter te verzekeren en dat dit niet het geval is voor verenigingen die louter dierenbescherming tot doel hebben, dat voor de verschillende behandeling van deze verenigingen met betrekking tot het verschil in toegang tot de rechter een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, zodat door de voormelde uitlegging van artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet samen gelezen met artikel 6.1 EVRM, klaarblijkelijk niet worden miskend. 18. Er bestaat geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. 19. Evenmin ligt een schending voor van artikel 159 Grondwet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 2 van het Verdrag inzake Biologische diversiteit en Bijlagen I en II, gedaan te Rio de Janeiro op 5 juni 1992, de artikelen 1, 2.3, a), 2.4, 3.4, 4,
  2. h)en 9.3 Verdrag van Aarhus, de artikelen 10, 11 en 159 Grondwet, artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en artikel 3.39 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de bevordering of de vrijwaring van het dierenwelzijn geen milieuaangelegenheid is zoals bedoeld in het Verdrag van Aarhus en dat de vordering van de eiseres I, die zich krachtens haar statuten het dierenwelzijn tot doel heeft gesteld, die inzonderheid betrekking heeft op het welzijn van dieren die onder de hoede van de mens staan, niet ontvankelijk is; het begrip milieu in het Verdrag van Aarhus omvat evenwel wilde dieren en slaat tevens op biologische diversiteit, waardoor artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zo dient te worden uitgelegd dat een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn te bevorderen, op het vlak van belang voldoet aan het ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een vordering, ook wanneer hij een vordering instelt die ertoe strekt om op te komen voor de bescherming van de belangen en het welzijn van de dieren die onder de hoede van de mens staan, net zoals dat het geval is voor vorderingen ingesteld door een rechtspersoon die zich milieubescherming krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld en die ertoe strekken op te komen voor de bescherming van de belangen en het welzijn van in het wild levende dieren; zowel dieren die onder de hoede van de mens staan als wilde dieren hebben immers een gevoelsvermogen en biologische noden zoals uitdrukkelijk bepaald in artikel 3.39, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, zodat een verschillende behandeling van verenigingen op basis van hun doelstelling naar gelang ze zich louter toeleggen op de bescherming van dieren of op de bescherming van het milieu, inclusief wilde dieren, in strijd is met de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 6.1 EVRM. Er wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 17, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, aldus uitgelegd dat het een vereniging die zich statutair tot doel gesteld heeft de milieubescherming te bevorderen, toelaat om in rechte op te treden, ook ter bescherming van de belangen en het welzijn van in het wild levende dieren, mits het zich beroept op bepalingen ressorterend onder het milieurecht, maar een vereniging die zich tevens of specifiek toelegt op de bescherming van het dierenwelzijn het recht ontzegt om op grond van de bepalingen van het dierenwelzijnsrecht, inzonderheid de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, de Dierengezondheidswet van 24 maart 1987 of op één van de uitvoeringsbesluiten, respectievelijk de Vlaamse Dierenwelzijnscodex, op te komen voor de belangen voor dieren die onder de hoede van de mens staan, dan wanneer deze dieren, net zoals in het wild levende dieren, een gevoelsvermogen en biologische noden hebben, niet minder pijngevoelig zijn dan in het wild levende dieren en evenzeer recht hebben op de bescherming van hun welzijn, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samengelezen met artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens?” 21. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde grieven en is bijgevolg niet ontvankelijk. 22. Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof moet het Hof aan het Grondwettelijk Hof geen prejudiciële vraag stellen betreffende een middel dat niet ontvankelijk is, tenzij de niet-ontvankelijkheid volgt uit normen die het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. 23. Er bestaat geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Derde onderdeel 24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 13 VWEU, de artikelen 7bis, 10, 11 en 159 Grondwet en artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de burgerlijke vordering die betrekking heeft op het welzijn van dieren en die is ingesteld door de eiseres I, die zich krachtens haar statuten het dierenwelzijn tot doel heeft gesteld, niet ontvankelijk is wegens het ontbreken van het vereiste eigen belang, omdat dierenwelzijn niet voorkomt in de opsomming van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; dierenwelzijn is evenwel een algemeen grondbeginsel, erkend in artikel 7bis Grondwet, in artikel 13 VWEU en in de rechtspraak van het EHRM; bijgevolg dient artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek zo te worden uitgelegd dat een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn te bevorderen, op het vlak van belang voldoet aan het ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een vordering wanneer zijn vordering ertoe strekt om op te komen voor de bescherming van de belangen en het welzijn van dieren, net zoals dat het geval is voor vorderingen ingesteld door een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld en die ertoe strekken op te komen voor de bescherming van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden; een verschillende behandeling van verenigingen op basis van hun doelstelling, naar gelang ze zich toeleggen op de bescherming van dieren of op de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is in strijd met de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 6.1 EVRM. Er wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 17, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, aldus uitgelegd dat enkel de rechtspersonen die de bescherming van de klassieke mensenrechten en fundamentele vrijheden beogen hierdoor worden geviseerd, met uitsluiting van verenigingen die de bescherming van andere fundamentele belangen, zoals het dierenwelzijn, tot maatschappelijk doel hebben, en aldus aan een vereniging die de bescherming van het dierenwelzijn als maatschappelijk doel heeft de toegang tot de rechter binnen de perken van haar maatschappelijk doel ontzegt, zonder dat voor deze onderscheiden behandeling van rechtspersonen een objectieve verantwoording voorhanden is, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samengelezen met artikel 6.1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens?” 25. Artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de vordering tot herstel van de schade die door een misdrijf is veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden. Artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. 26. Deze bepalingen vereisen dat de persoon die een burgerlijke vordering instelt een eigen belang heeft, dit wil zeggen een persoonlijk en rechtstreeks belang. 27. Een rechtspersoon heeft slechts een eigen belang tot het vorderen van een vergoeding voor schade die bestaat in hetzij materiële schade door de aantasting van zijn vermogen, hetzij morele schade door de aantasting van zijn goede naam of reputatie. Aldus verkrijgt een rechtspersoon, behoudens wanneer een verdrag of een wet het specifiek anders bepaalt, geen eigen belang door het enkele feit dat een misdrijf schade toebrengt aan een collectief belang waarvan hij volgens zijn statuten de vrijwaring of de bevordering nastreeft. 28. Artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 137 van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, bepaalt: “De rechtsvordering van een rechtspersoon, die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, is eveneens ontvankelijk onder de volgende voorwaarden: 1° het maatschappelijk doel van de rechtspersoon is van bijzondere aard, onderscheiden van het nastreven van het algemeen belang; 2° de rechtspersoon streeft op duurzame en effectieve wijze dit maatschappelijk doel na; 3° de rechtspersoon treedt op in rechte in het kader van dat maatschappelijk doel, met het oog op de verdediging van een belang dat verband houdt met dat doel; 4° de rechtspersoon streeft met zijn rechtsvordering louter een collectief belang na.” 29. Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 133/2013 van 10 oktober 2013, gewezen voordat artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek werd ingevoerd, blijkt dat het aan de wetgever toekomt te preciseren onder welke voorwaarden een vorderingsrecht kan worden toegekend aan de rechtspersonen die een vordering wensen in te stellen die overeenstemt met hun statutair doel en die de bescherming beogen van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale verdragen waarbij België partij is. 30. Uit de wetgeschiedenis van de vermelde wet van 21 december 2018 blijkt dat artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek beoogt aan rechtspersonen een vorderingsrecht toe te kennen dat overeenstemt met hun statutair doel en ter bescherming van de fundamentele rechten zoals zij zijn erkend in de Grondwet of in de internationale verdragen waarbij België partij is, maar tevens beoogt dit vorderingsrecht hoofdzakelijk te beperken tot de zaken waarin de fundamentele rechten op het spel staan om een verveelvoudiging van geschillen te vermijden. 31. Artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek vereist aldus dat de vordering van de rechtspersoon, in zoverre deze voldoet aan de voor het overige gestelde voorwaarden, de bescherming beoogt van de rechten van de mens of fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden. 32. Artikel 13 VWEU bepaalt: “Bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, interne markt en onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte, houden de Unie en de lidstaten ten volle rekening met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.” 33. De Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden overweegt in de Preambule onder meer: “
(4)Dierenwelzijn is een van de waarden van de Gemeenschap en is vastgelegd in het Protocol nr. 33 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (“Protocol nr. 33”) dat aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht. De bescherming van dieren bij het slachten of doden is een publieke zaak, die de houding van consumenten tegenover landbouwproducten beïnvloedt. Daarnaast leidt een verbetering van de bescherming van dieren bij het slachten tot een betere vleeskwaliteit en indirect ook tot veiligere arbeidsomstandigheden in slachthuizen.”
  1. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 december 2020 in de zaak C 336/19, de arresten van het Grondwettelijk Hof nr. 117/2021 en nr. 118/2021 van 30 september 2021 en nr. 114/23 van 20 juli 2023 en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 februari 2024 inzake de verzoeken nr. 16760/22 en andere, blijkt dat de bescherming van het dierenwelzijn een door de Europese Unie erkende doelstelling van algemeen belang is, alsook een ethische waarde in de zin van de artikelen 9.2 en 10.2 EVRM, waaraan in de hedendaagse democratische samenlevingen steeds meer belang wordt gehecht en waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van beperkingen op rechten en vrijheden van de mens.
  2. Hieruit volgt dat de bescherming van het dierenwelzijn is erkend in internationale instrumenten die België binden, evenwel zonder dat die instrumenten van België vereisen dat het de toegang tot de rechter verzekert aan verenigingen die zich het dierenwelzijn of bepaalde aspecten daarvan tot maatschappelijk doel hebben gesteld, met het oog op de betwisting van gedragingen die strijdig zijn met bepalingen betreffende het dierenwelzijn.
  3. Artikel 7bis Grondwet, na de herziening ervan op 15 mei 2024 om een lid toe te voegen dat het dierenwelzijn regelt, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2024, bepaalt in zijn tweede lid: “Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten naar bescherming van en zorg voor dieren als wezens met gevoel.”
  4. Die bepaling verwoordt overeenkomstig haar ontstaansgeschiedenis een algemene beleidsdoelstelling. Zij is niet bedoeld om als dusdanig afdwingbare subjectieve rechten in het leven te roepen, maar wel om te dienen als richtlijn voor de overheid en als eventuele leidraad bij de rechterlijke uitlegging van regelgeving. Evenwel kan in de huidige stand van de wetgeving noch uit die bepaling noch uit enige andere bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel worden afgeleid dat artikel 17 Gerechtelijk Wetboek een recht op toegang tot de rechter verschaft aan verenigingen die het dierenwelzijn als maatschappelijk doel hebben, met het oog op de betwisting van gedragingen die strijdig zijn met bepalingen betreffende het dierenwelzijn.
  5. Ten slotte is het bevorderen of vrijwaren van het dierenwelzijn als dusdanig geen doelstelling die de bescherming beoogt van de rechten van de mens of van fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet.
  6. Aldus dient artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek zo te worden uitgelegd dat het een vereniging toelaat in rechte op te treden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, wanneer dat doel de bescherming beoogt van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden, maar niet wanneer haar doel als dusdanig de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn beoogt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het arrest dat oordeelt dat het maatschappelijk doel van de eiseres I bestaat in het bevorderen of het vrijwaren van het dierenwelzijn, waardoor er aan artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek geen wettelijke grondslag kan worden ontleend die aan de eiseres I het vereiste belang toekent om een ontvankelijke burgerlijke vordering in te stellen, is dan ook naar recht verantwoord, en schendt niet artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, artikel 13 VWEU of artikel 7bis Grondwet. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, artikel 13 VWEU en artikel 7bis Grondwet, kan het niet worden aangenomen.
  8. Het in de artikelen 10 en 11 Grondwet gewaarborgde gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel wordt tevens gewaarborgd door artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Het door de eiseres I ingeroepen grondrecht is op geheel of gedeeltelijk analoge wijze gewaarborgd door de voormelde bepaling uit Titel II van de Grondwet en door artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR.
  9. Het Hof kan overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, in die zin uitgelegd dat het een vereniging toelaat in rechte op te treden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, wanneer dat doel de bescherming beoogt van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden beoogt, maar niet wanneer haar doel als dusdanig de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn beoogt, de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
  10. De in de artikelen 10 en 11 Grondwet vastgelegde beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie hebben tot gevolg dat al wie zich, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, in een voldoende vergelijkbare situatie bevindt, op dezelfde wijze moet worden behandeld en sluiten niet uit dat een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende categorieën van personen, voor zover het onderscheidingscriterium objectief en redelijk kan worden gerechtvaardigd.
  11. De voormelde uitlegging van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek beperkt de toegang tot de gewone rechtscolleges waardoor een vereniging in beginsel niet in rechte kan optreden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, zoals dat het geval is bij de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn, maar wel als dit maatschappelijk doel de bescherming beoogt van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden.
  12. Deze beperking is evenredig met het nagestreefde wettige doel, namelijk een goede rechtsbedeling verzekeren door de actio popularis te weigeren en het beginsel in acht te doen nemen dat is uitgedrukt in het adagium “nul ne plaide par procureur”.
  13. Aldus volgt uit de omstandigheid dat de wetgever een vorderingsrecht beoogt toe te kennen aan rechtspersonen overeenstemmend met hun statutair doel en dit ter bescherming van de fundamentele rechten zoals zij zijn erkend in de Grondwet of in de internationale verdragen waarbij België partij is en aldus beoogt dit vorderingsrecht hoofdzakelijk te beperken tot de zaken waarin de fundamentele rechten op het spel staan, dat er een objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor de verschillende behandeling van deze verenigingen met betrekking tot het verschil in toegang tot de rechter, zodat de voormelde uitlegging van artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet samen gelezen met artikel 6.1 EVRM, klaarblijkelijk niet miskent.
  14. Er bestaat geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag.
  15. Evenmin ligt een schending voor van artikel 159 Grondwet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1 en 6.1 EVRM, artikel 47 Handvest Grondrechten EU, artikel 6.1 VEU, artikel 27 Grondwet, artikel 17 Gerechtelijk Wetboek, artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 1, 2, 4° en 3bis van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, zoals van toepassing voor haar opheffing bij de wet van 23 maart 2019, en de artikelen 9:1, 9:2, 2:9, § 2, 4°, 9:4 en 9:7 WVV: het arrest oordeelt dat de vordering van de eiseres I niet ontvankelijk is omdat zij niet beschikt over het vereiste eigen belang, zelfs wanneer de vordering past binnen haar maatschappelijk doel, waarvan de wettigheid niet in vraag wordt gesteld, namelijk dierenbescherming; de eiseres I is evenwel een wettig opgerichte vereniging zonder winstoogmerk met het doel dierenbescherming; het recht om in rechte op te treden ter verwezenlijking en bescherming van dit doel wordt belemmerd wanneer zij geen vordering kan instellen om op te komen tegen het handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties in strijd met dat doel; dit belemmert het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6.1 EVRM en artikel 47 Handvest Grondrechten EU.
  17. Artikel 1 EVRM bepaalt dat de Hoge Verdragsluitende Partijen ieder die ressorteert onder haar rechtsmacht de rechten en vrijheden die zijn vastgesteld in de Eerste Titel van dit Verdrag verzekeren. Artikel 6.1 EVRM bepaalt: “Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden.” Artikel 6.1 VEU bepaalt dat de Unie de rechten, vrijheden en beginselen erkent die zijn vastgesteld in het Handvest Grondrechten EU, dat dezelfde juridische waarde als de verdragen heeft. Artikel 47, eerste tot en met derde lid, Handvest Grondrechten EU bepaalt: “Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.” Artikel 27 Grondwet bepaalt dat de Belgen het recht van vereniging hebben en dat dit recht niet aan enige preventieve maatregel kan worden onderworpen.
  18. Het recht op toegang tot een rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest Grondrechten EU aan eenieder moet worden gewaarborgd. Aldus waarborgen deze internationale instrumenten het recht om een vordering met betrekking tot burgerlijke rechten en verplichtingen voor een rechtbank te brengen. Ook verenigingen hebben dat recht.
  19. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zoals onder meer het arrest van 19 oktober 2005 inzake het verzoek nr. 32555/96, het arrest van 14 september 2017 inzake het verzoek nr. 56665/09 en het arrest van 9 april 2024 inzake het verzoek nr. 53600/20, blijkt dat artikel 6.1 EVRM niet de inhoud of het bestaan bepaalt van burgerlijke rechten in het nationale materiële recht van de verdragsluitende staten, waartoe de toegang tot de rechter openstaat. Dit wordt in beginsel overgelaten aan het nationale recht.
  20. Krachtens artikel 9:7, § 1, WVV is het bestuursorgaan van een vzw bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vereniging, met uitzondering van die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is. Krachtens paragraaf 2 vertegenwoordigt het bestuursorgaan de vereniging, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte.
  21. Artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de vordering tot herstel van de schade die door een misdrijf wordt veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden. Artikel 17, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering niet kan worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.
  22. Die bepalingen vereisen dat de persoon die een burgerlijke vordering instelt een eigen belang heeft, dit wil zeggen een persoonlijk en rechtstreeks belang.
  23. Een rechtspersoon, zoals een vereniging zonder winstoogmerk, heeft slechts een eigen belang tot het vorderen van een vergoeding voor schade die bestaat in hetzij materiële schade door de aantasting van zijn vermogen, hetzij morele schade door de aantasting van zijn goede naam of reputatie. Aldus verkrijgt een rechtspersoon, ook een vereniging zonder winstoogmerk, behoudens wanneer een verdrag of een wet het specifiek anders bepaalt, geen eigen belang door het enkele feit dat een misdrijf schade toebrengt aan een collectief belang waarvan hij volgens zijn statuten de vrijwaring of de bevordering nastreeft.
  24. Uit het antwoord op het eerste en het derde onderdeel blijkt dat een rechtspersoon waarvan het maatschappelijk doel de dierenbescherming beoogt, niet op grond van een verdrag of een specifieke wet een eigen belang kreeg toegekend om een vordering in te stellen wanneer een misdrijf schade toebrengt aan dit maatschappelijk doel. Het loutere feit dat de rechtspersoon wettig is opgericht en dat dierenbescherming een wettig doel is, verleent hem dat belang niet.
  25. De omstandigheid dat een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan het maatschappelijk doel de dierenbescherming beoogt, aldus geen eigen belang heeft om een vordering in rechte in te stellen door het enkele feit dat een misdrijf schade toebrengt aan dat maatschappelijk doel, aangezien er geen bepaling in die zin in een verdrag of wet is terug te vinden, maakt geen miskenning uit van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel 6.1 EVRM en artikel 43 Handvest Grondrechten EU. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Indien voor een rechtscollege de schending van een grondrecht uit een bepaling van Europees of internationaal recht wordt opgeworpen, dient het rechtscollege, overeenkomstig artikel 26, § 4, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, zelfs ambtshalve, na te gaan of Titel II van de Grondwet een geheel of gedeeltelijk analoge bepaling bevat. In bevestigend geval dient het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit Titel II van de Grondwet.
  27. Overeenkomstig het tweede lid, 2°, van voornoemde bepaling geldt, in afwijking van het eerste lid, de verplichting een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen niet wanneer het rechtscollege oordeelt dat de bepaling uit Titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden is.
  28. Artikel 13 Grondwet houdt een recht in van toegang tot de bevoegde rechter. Dat recht wordt tevens gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR. Het door de eiseres I ingeroepen grondrecht is aldus op geheel of gedeeltelijk analoge wijze gewaarborgd door de voormelde bepaling uit Titel II van de Grondwet en door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR.
  29. Het Hof kan bijgevolg overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de betwiste wetsbepaling artikel 13 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
  30. De toegang tot de rechter, zoals gewaarborgd bij artikel 13 Grondwet, artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, zoals een belangenvereiste. Die voorwaarden mogen de toegang tot de rechter niet dermate beperken dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf ervan. Dat zou het geval zijn wanneer een beperking niet redelijk evenredig zou zijn met het gewettigde doel.
  31. De hiervoor vermelde uitlegging van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek beperkt, door middel van de ontvankelijkheidsvoorwaarde van het hebben van een eigen belang, de toegang tot de gewone rechtscolleges, zodat een vereniging in beginsel niet in rechte kan optreden ter verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, zoals dit het geval is bij de bescherming of de vrijwaring van het dierenwelzijn, maar dat wel kan doen wanneer dit maatschappelijk doel de bescherming beoogt van de rechten van de mens of de fundamentele vrijheden zoals erkend in de Grondwet en in de internationale instrumenten die België binden zoals voorzien in artikel 17, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek of in een verdragsbepaling, zoals het Verdrag van Aarhus, België verplicht dergelijke toegang tot de rechter te verlenen.
  32. Deze beperking is evenredig met het nagestreefde wettige doel, namelijk een goede rechtsbedeling verzekeren door de actio popularis te weigeren en het beginsel in acht te doen nemen dat is uitgedrukt in het adagium “nul ne plaide par procureur”. Aldus schendt de vermelde uitlegging van artikel 17 Gerechtelijk Wetboek artikel 13 Grondwet met betrekking tot het recht op toegang tot de bevoegde rechter, zoals tevens gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, klaarblijkelijk niet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  33. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 9:1, 9:2 en 9:4 WVV, zonder te preciseren hoe en waardoor het arrest deze artikelen schendt, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  34. De artikelen 1, 2, 4° en 3bis van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, zoals van toepassing vóór haar opheffing bij de wet van 23 maart 2019, zijn op het ogenblik van het instellen van de vordering door de eiseres niet meer van toepassing. In zoverre het onderdeel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht. Eerste middel van de eiser II
  35. Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek, de artikelen 5, § 2, eerste lid, 36, 14° en 41 Dierenwelzijnswet, de artikelen 17, § 2, eerste lid en 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn en de artikelen 5, § 4 en § 5, van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren (hierna Kennelbesluit): het arrest spreekt de verweerster II vrij voor de feiten onder de telastleggingen D.1 en D.2 bij gebrek aan een specifieke rechtsgrond voor de strafbaarstelling daartoe vóór 20 augustus 2018, omdat de bepalingen van Hoofdstuk III van het Kennelbesluit uitvoering geven aan artikel 5, § 2, eerste en tweede lid, Dierenwelzijnswet, niet zouden gelden voor een inrichting die haar erkenning reeds heeft verkregen, maar enkel voorwaarden inhouden waaraan inrichtingen, onder meer hondenkwekerijen en dierenhandelszaken, moeten voldoen om een officiële erkenning door de bevoegde overheid te kunnen krijgen; een miskenning van de voorwaarden in Hoofdstuk III van het Kennelbesluit door een inrichting die haar erkenning reeds heeft verkregen, maakt ook vóór 20 augustus 2018 wel degelijk een overtreding van het Kennelbesluit als bedoeld in artikel 5, § 2, eerste lid, Dierenwelzijnswet uit en is strafbaar gesteld in artikel 41 Dierenwelzijnswet, waardoor een herkwalificatie aan de orde was en een rechtsgrond voorhanden was voor de bestraffing van de feiten onder de telastleggingen D.1 en D.
  36. Artikel 2, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Het tweede lid vervolgt dat indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast.
  37. Artikel 5, § 4, Kennelbesluit bepaalt dat de dieren tenminste tweemaal per dag worden gecontroleerd. Indien de dieren niet gezond lijken te zijn of gedragsstoornissen vertonen, neemt de verantwoordelijke onmiddellijk de nodige stappen om de oorzaak vast te stellen en dit te verhelpen. Indien nodig doet hij een beroep op de contractdierenarts. Artikel 5, § 5, 3°, Kennelbesluit bepaalt dat de verantwoordelijke de nodige voorzorgen en schikkingen treft om een goede gezondheid van de dieren te waarborgen. Deze omvatten in het bijzonder de regelmatige reiniging en ontsmetting van de dierenverblijven en lokalen en van de materialen waarmee de dieren in contact komen. Artikel 3 Kennelbesluit bepaalt dat hoofdstuk III de voorwaarden voor de aflevering en het behoud van een erkenning zoals bedoeld in artikel 5 van de wet bepaalt. Deze sedert de invoering van het besluit ongewijzigde bepalingen vallen onder het hoofdstuk III “Voorwaarden voor de erkenning van inrichtingen” van het Kennelbesluit. Dit hoofdstuk geeft aldus uitvoering aan artikel 5, § 2, eerste en tweede lid, Dierenwelzijnswet.
  38. Artikel 5 Dierenwelzijnswet bepaalde, vóór de wijziging ervan door het decreet van 13 juli 2018, dat in werking trad op 20 augustus 2018: “§ 1 Onverminderd de wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven is voor de uitbating van hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions, handelszaken voor dieren, markten en dierentuinen een erkenning vereist van de minister bevoegd voor het dierenwelzijn ofwel van de overheden die de Koning aanwijst. De gegevens van de in toepassing van het voorgaande lid erkende inrichting worden openbaar gemaakt. § 2 De Koning stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast van de erkenning van de in § 1 bedoelde inrichtingen, met betrekking tot hun aanleg en uitrusting, de hygiëne, veiligheid en identificatie der dieren, evenals de diergeneeskundige controle en begeleiding. De Koning kan voor de erkenning van die voorwaarden vaststellen op advies van een door de minister bevoegd voor het dierenwelzijn opgericht comité van deskundigen. De Koning kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de in § 1 vermelde instellingen. (…) § 4 (…) De Minister kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.” Na de wijziging ervan door het decreet van 13 juli 2018, die in werking trad op 20 augustus 2018, bepaalde het: “§
  39. Onverminderd de wetgeving op de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven is voor de uitbating van hondenkwekerijen, kattenkwekerijen, dierenasielen, dierenpensions, handelszaken voor dieren, markten en dierentuinen een erkenning vereist van de Vlaamse Regering. De gegevens van de in toepassing van het voorgaande lid erkende inrichting worden openbaar gemaakt. §
  40. De Vlaamse Regering stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast van de erkenning van de in § 1 bedoelde inrichtingen, met betrekking tot hun aanleg en uitrusting, de hygiëne, veiligheid en identificatie der dieren, het kweken van dieren, evenals de diergeneeskundige controle en begeleiding. De Vlaamse Regering kan voor de erkenning van dierentuinen die voorwaarden vaststellen op advies van een door haar opgericht comité van deskundigen. De Vlaamse Regering kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de in § 1 vermelde instellingen. (…) §
  41. De Vlaamse Regering kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.” Na de opheffing van de Dierenwelzijnswet op 1 januari 2025 door het decreet van 16 mei 2024 bepaalt artikel 17, § 2, eerste en vijfde lid, Vlaamse Codex Dierenwelzijn: “De Vlaamse Regering stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast voor de erkenning van de inrichtingen, vermeld in paragraaf
  42. De voormelde voorwaarden kunnen betrekking hebben op de volgende elementen: 1° de bouw en de uitrusting; 2° de hygiëne, de veiligheid en de identificatie van de dieren; 3° het kweken van dieren; 4° het aantal dieren dat maximaal kan gehouden worden; 5° de diergeneeskundige controle en de begeleiding; 6° de voorschriften van hoofdstuk
  43. (…) De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen van de procedure voor het aanvragen en verlenen van de erkenning en voor het schorsen en intrekken ervan.”
  44. Artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet bepaalde, vóór de wijziging ervan door het decreet van 13 juli 2018: “Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een boete van 52 euro tot 2.000 euro, hij die: 14° een bedrijf bedoeld in artikel 5, § 1, zonder de erkenning vereist bij dit artikel uitbaat, de bepalingen van de koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de artikelen 6 of 7 en de verplichtingen bepaald bij artikel 9, § 1, eerste lid, bij artikel 9, § 2, leden 1 en 2, en bij de artikelen 10 en 12 overtreedt.” Na de wijziging ervan door het decreet van 13 juli 2018 bepaalde het: “Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een boete van 52 euro tot 2000 euro, hij die: 14° een bedrijf bedoeld in artikel 5, § 1, zonder de erkenning vereist bij dit artikel uitbaat of met miskenning van de voorwaarden, vermeld in artikel 5, § 2, eerste en tweede lid, uitbaat, de bepalingen genomen in uitvoering van de artikelen 6 of 7 en de verplichtingen bepaald bij artikel 9, § 1, eerste lid, bij artikel 9, § 2, eerste en tweede lid, en bij de artikelen 10 en 12 overtreedt.”
  45. Artikel 41 Dierenwelzijnswet bepaalde, zowel voor als na het decreet van 13 juli 2018, maar vóór de wijziging ervan door het decreet van 4 februari 2022: “Overtredingen op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten of op de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake die niet in de artikelen 35, 36 en 36bis zijn bepaald, worden gestraft met een geldboete van 52 euro tot 500 euro.” Na de opheffing van de Dierenwelzijnswet op 1 januari 2025 bepaalt artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn: “De persoon die handelt in strijd met de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 52 euro tot 100.000 euro, of met een van die straffen alleen.”
  46. Uit deze bepalingen en hun parlementaire voorbereidingen volgt dat de inbreuken op artikel 5, § 4 en § 5, Kennelbesluit in uitvoering van artikel 5, § 2, Dierenwelzijnswet en sinds 1 januari 2025 ter uitvoering van artikel 17, § 2, Vlaamse Codex Dierenwelzijn strafbaar waren: - vóór 20 augustus 2018 op grond van artikel 41 Dierenwelzijnswet; - vanaf 20 augustus 2018 tot en met 31 december 2024 op grond van artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet; en - vanaf 1 januari 2025 op grond van artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn; waarbij overeenkomstig artikel 2 Strafwetboek de mildere straf in artikel 41 Dierenwelzijnswet diende te worden toegepast.
  47. De appelrechters die oordelen dat voor de feiten van de telastleggingen D.1 en D.2, beweerdelijk gepleegd vóór 20 augustus 2018, namelijk op 17 januari 2017, respectievelijk op 17 april 2017, artikel 41 Dierenwelzijnswet geen rechtsgrond biedt voor de bestraffing ervan en aldus de verweerster II hiervoor vrijspreken, verantwoorden deze beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Tweede middel van de eiser II
  48. Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek, de artikelen 5, § 2, eerste lid en 36, 14°, Dierenwelzijnswet, de artikelen 17, § 2, eerste lid en 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn en de artikelen 6, § 1 en 12, § 1, Kennelbesluit: het arrest spreekt de verweerster II vrij voor de feiten onder de telastleggingen D.7 en D.9 omdat de door de verweerster II gestelde gedragingen, strafbaar gesteld door de artikelen 6, § 1 (D.7) en 12, § 1, (D.9) Kennelbesluit juncto artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet, na de opheffing van de Dierenwelzijnswet door de Vlaamse Codex Dierenwelzijn niet meer strafbaar zijn; dit is echter nog wel het geval omdat niet is voldaan aan de erkenningsvoorwaarden van de inrichting, strafrechtelijk sanctioneerbaar onder artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn, waarbij overeenkomstig artikel 2 Strafwet de mildere straf in artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet diende te worden toegepast.
  49. Artikel 2, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Het tweede lid vervolgt dat indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast.
  50. Artikel 6, § 1 en § 2, Kennelbesluit bepaalde, vóór de wijziging ervan door het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2019, in werking getreden op 1 oktober 2019, dat de beheerder een contract afsluit met een erkende dierenarts, waarin deze wordt belast met de regelmatige controle op het welzijn, de gezondheidstoestand, de verzorging en de huisvesting van de dieren, evenals met de noodzakelijke vaccinaties. De verantwoordelijke dient in geval hij een kweker-handelaar is de dierenarts ten minste een keer per maand te ontbieden voor een controlebezoek. De dierenarts noteert inlichtingen bij elk van deze bezoeken, die worden bewaard in een register in de inrichting en voor twee jaar ter beschikking zijn van de controlerende overheid. Na de wijziging ervan door het besluit van de Vlaamse Regering van 15 februari 2019, met inwerkingtreding op 1 oktober 2019, bepaalt datzelfde artikel dat de beheerder een contract afsluit met een erkende dierenarts waarin deze wordt belast met de regelmatige controle op het welzijn, de gezondheidstoestand, de verzorging en de huisvesting van de dieren, evenals met de noodzakelijke vaccinaties. De verantwoordelijke dient in geval hij een kweker-handelaar is de dierenarts ten minste een keer per maand te ontbieden voor een controlebezoek en met een minimum van twee bezoeken per geboren nestjes voor de nestjes die hij zelf kweekt. De dierenarts vult bij elk van deze bezoeken een bezoekrapport in dat wordt bewaard in de inrichting en voor twee jaar ter beschikking is van de controlerende overheid.
  51. Krachtens artikel 12, § 1, Kennelbesluit worden de nagels van honden regelmatig gecontroleerd en indien nodig geknipt.
  52. Artikel 5, § 2, Dierenwelzijnswet bepaalt na de wijziging ervan door het decreet van 13 juli 2018 en vóór de opheffing ervan door het decreet van 16 mei 2024: “De Vlaamse Regering stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast van de erkenning van de in § 1 bedoelde inrichtingen, met betrekking tot hun aanleg en uitrusting, de hygiëne, veiligheid en identificatie der dieren, het kweken van dieren, evenals de diergeneeskundige controle en begeleiding. De Vlaamse Regering kan voor de erkenning van dierentuinen die voorwaarden vaststellen op advies van een door haar opgericht comité van deskundigen. De Vlaamse Regering kan bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor personen die dieren houden en verzorgen in de in § 1 vermelde instellingen.” Paragraaf 4 van dat artikel bepaalt: “De Vlaamse Regering kan de erkenning van de inrichting intrekken. Dat brengt voor de eigenaar of de houder die de betrokken inrichting beheert en er een direct toezicht uitoefent op de dieren, gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd of definitief het verbod met zich om een nieuwe erkenning aan te vragen. Bovendien mag deze laatste gedurende de betrokken periode geen inrichting bedoeld in artikel 5, § 1, beheren noch er een direct toezicht uitoefenen op de dieren.” Na de opheffing van de Dierenwelzijnswet op 1 januari 2025 door het decreet van 16 mei 2024 bepaalt artikel 17, § 2, eerste en vijfde lid, Vlaamse Codex Dierenwelzijn: “De Vlaamse Regering stelt, afhankelijk van de aard van de inrichting, van de gehouden diersoorten en van het aantal gehouden dieren, de voorwaarden vast voor de erkenning van de inrichtingen, vermeld in paragraaf
  53. De voormelde voorwaarden kunnen betrekking hebben op de volgende elementen: 1° de bouw en de uitrusting; 2° de hygiëne, de veiligheid en de identificatie van de dieren; 3° het kweken van dieren; 4° het aantal dieren dat maximaal kan gehouden worden; 5° de diergeneeskundige controle en de begeleiding; 6° de voorschriften van hoofdstuk
  54. (…) De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen van de procedure voor het aanvragen en verlenen van de erkenning en voor het schorsen en intrekken ervan.”
  55. Artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet bepaalt na de wijziging ervan door het decreet van 13 juli 2018 en vóór de opheffing ervan door het decreet van 17 mei 2024: “Onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van strengere straffen bepaald bij het Strafwetboek, wordt gestraft met een boete van 52 euro tot 2000 euro, hij die: 14° een bedrijf bedoeld in artikel 5, § 1, zonder de erkenning vereist bij dit artikel uitbaat of met miskenning van de voorwaarden, vermeld in artikel 5, § 2, eerste en tweede lid, uitbaat, de bepalingen genomen in uitvoering van de artikelen 6 of 7 en de verplichtingen bepaald bij artikel 9, § 1, eerste lid, bij artikel 9, § 2, eerste en tweede lid, en bij de artikelen 10 en 12 overtreedt.” Na de opheffing van de Dierenwelzijnswet op 1 januari 2025 bepaalt artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn: “De persoon die handelt in strijd met de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 52 euro tot 100.000 euro, of met een van die straffen alleen.”
  56. Uit deze bepalingen en hun parlementaire voorbereidingen volgt dat de inbreuken op de artikelen 6, § 1 en 12, § 1, Kennelbesluit, ter uitvoering van artikel 5, § 2, Dierenwelzijnswet en sinds 1 januari 2025 ter uitvoering van artikel 17, § 2, Vlaamse Codex Dierenwelzijn, strafbaar waren: - vanaf 20 augustus 2018 tot 31 december 2024 op grond van artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet; en - vanaf 1 januari 2025 op grond van artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn; waarbij overeenkomstig artikel 2 Strafwetboek de mildere straf in artikel 36, 14°, Dierenwelzijnswet diende te worden toegepast.
  57. De appelrechters die oordelen dat de feiten van de telastleggingen D.7 en D.9, beweerdelijk gepleegd op 16 september 2019, thans niet meer strafbaar zijn gesteld krachtens artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn of enige andere bepaling van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  58. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de verweerster II vrijspreekt voor de feiten van de telastleggingen D.1 en D.2 en de feiten van de telastleggingen D.7 en D.
  59. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres I tot de kosten van haar cassatieberoep. Laat een tiende van de kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 659,44 euro, waarvan de eiseres I 93,77 euro is verschuldigd en de eiser II 530,67 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 16 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.