id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 962
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 Het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit
(1).
(1)Cass. 9 december 2021, AR C.19.0644.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211209.1N.2; Cass. 15 juni 2012, AR C.11.0721.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3, AC 2012, nr. 390; zie Cass. 9 mei 2005, AR S.04.0183.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23, AC 2005, nr. 268 en Cass. 17 november 1988, AR 7848, AC 1988-89, nr. 160. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Recht op bewijs - Omvang - Beoordelingsvrijheid van de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 962
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 3 - 4 De rechter mag weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de eiser zijn vordering tot deskundigenonderzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van zijn vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen
(1).
(1)Zie Cass. 9 december 2021, AR C.19.0644.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211209.1N.2. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Vordering tot deskundigenonderzoek - Weigering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 962
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering tot deskundigenonderzoek - Weigering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 962
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 5 De rechter oordeelt op onaantastbare wijze of de feiten waarvan een partij het bewijs door getuigen aanbiedt, op zichzelf voldoende bepaald en ter zake dienend zijn, zoals vereist door artikel 915 Gerechtelijk Wetboek, zonder hierbij evenwel het principieel recht om met getuigen te bewijzen te mogen miskennen
(1).
(1)Cass. 19 december 2016, AR C.15.0032.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161219.5, AC 2016, nr. 734. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Beoordelingsvrijheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 915
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 6 De eerbiediging van de medewerkingsplicht voor alle partijen aan de bewijsvoering houdt niet in dat de rechter verplicht is om de door de eisende partij gevraagde onderzoeksmaatregelen te bevelen, zodra deze partij voorhoudt dat de tegenpartij over voor haar mogelijk relevante, niet-meegedeelde informatie beschikt. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Medewerkingsplicht van alle partijen - Omvang - Verplichting voor de rechter om gevraagde onderzoeksmaatregelen te bevelen Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, derde lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Fiche 7 De loutere omstandigheid dat een verwerende partij feiten aanvoert om de stelling van de eisende partij te ontkrachten, heeft niet tot gevolg dat het bewijsrisico naar de verwerende partij verschuift; pas wanneer de eisende partij de feiten heeft bewezen die ten grondslag liggen aan haar aanspraak en aldus aan haar bewijslast heeft voldaan, komt het bewijsrisico van de feiten die de verwerende partij aanvoert ter ondersteuning van haar bewering dat zij bevrijd is, bij haar te liggen. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Bewijslast - Aanvoering van feiten door verwerende partij om de stelling van de eisende partij te ontkrachten - Verschuiving van het bewijsrisico - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, eerste en tweede lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0124.N A. S., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen L’ORÉAL BELGILUX nv, met zetel te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.136.453, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 oktober
- Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 6.3, d), EVRM en de artikelen 8.5 en 8.9, § 4, Burgerlijk Wetboek schendt. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- De appelrechter wijst het verzoek van de eiseres tot het bevelen van een plaatsbezoek in het kapsalon niet af omdat hij door de aangebrachte bewijselementen onvoldoende overtuigd was om deze onderzoeksmaatregel te bevelen, maar wel omdat dit plaatsbezoek in het kapsalon niet kan bijdragen tot de waarheidsvinding aangezien het sinds 2023 definitief is gesloten en enkel duidelijkheid kan verschaffen over de actuele toestand en niet over de toestand in het verleden. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Het recht op bewijs is het recht van elke procespartij om de bewijselementen over te leggen waarover zij zelf beschikt en om aan de rechter te vragen dat de bewijselementen waarover zij niet beschikt, zouden worden verzameld door de uitvoering van bepaalde onderzoeksmaatregelen, waarover de rechter oordeelt. Het recht op bewijs is geen onbeperkt recht en schakelt bijgevolg de beoordelingsvrijheid van de rechter niet uit.
- Krachtens artikel 962, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven. De rechter mag weigeren om een deskundigenonderzoek te bevelen wanneer de eiser zijn vordering tot deskundigenonderzoek op geen enkel gegeven grondt dat de tot staving van zijn vordering aangevoerde feiten aannemelijk kan maken of wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen.
- Krachtens artikel 915 Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, indien een partij aanbiedt het bewijs van een bepaald en ter zake dienend feit te leveren door een of meer getuigen, die bewijslevering toestaan, indien het bewijs toelaatbaar is. De rechter oordeelt op onaantastbare wijze of de feiten waarvan een partij het bewijs door getuigen aanbiedt, op zichzelf voldoende bepaald en ter zake dienend zijn, zoals vereist door artikel 915 Gerechtelijk Wetboek, zonder hierbij evenwel het principieel recht om met getuigen te bewijzen te mogen miskennen.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres meent dat de producten van de verweerster die zij jarenlang heeft gebruikt in haar kapsalon de oorzaak zijn van haar diagnose van Multiple Chemical Sensitivity, hierna MCS, hetgeen betekent dat zij allergisch is aan allerlei chemicaliën en toxische stoffen, waardoor zij schade lijdt door de gebrekkige producten van de verweerster; - de concentraties van chemicaliën die MCS veroorzaken, in tal van producten aanwezig zijn die men in het dagelijkse leven gebruikt; - de behandelende huisarts op 5 maart 2019 enkel attesteert dat de kans reëel is dat de blootstelling aan de producten in het kapsalon van de eiseres de uitslag in haar gezicht en eventueel onderliggende aandoening hebben getriggerd, zodat deze attestatie niet bewijst welk product uiteindelijk tot de vastgestelde MCS heeft geleid; - het enkele feit dat een persoon MCS ontwikkelt door een regelmatige blootstelling aan deze producten die deze ziekte veroorzaken, niet bewijst dat deze producten gebrekkig zijn; - de eiseres geen concreet product aanduidt dat een gebrek vertoont of niet voldoet aan de veiligheid die het publiek gerechtigd is ervan te verwachten; - uit de Europese regelgeving, met name de Cosmeticaverordening, blijkt dat de producten van de verweerster, voor ze op de markt kunnen worden gebracht en nadien, aan een streng toezicht zijn onderworpen; - de eiseres niet bewijst dat de verweerster zich met een van haar producten niet houdt aan de Cosmeticaverordening, dat er in een van de producten verboden bestanddelen zitten of dat de ingrediëntenlijst niet correct zou zijn; - de verweerster gebruiksaanwijzingen bij haar producten voegt waarin de chemische samenstelling, kleurproducten en ingrediënten worden weergegeven, preventietips worden gegeven en wordt gewaarschuwd voor een mogelijke allergische reactie; - het op vraag van de eiseres eenzijdig onderzoek uitgevoerd door S.V. weinig bewijskrachtig is omdat de beproevingen zijn gevoerd op een ogenblik dat de eiseres al enkele jaren niet meer werkzaam was in het salon, twee jaar nadat bij haar MCS werd vastgesteld en de metingen niets zeggen over de werkelijke toestand waarin de eiseres werkte, zodat er geen reden is om deze deskundige te horen; - de omstandigheid dat formaldehyde werd waargenomen in het onderzoek van S.V. logisch is aangezien toegelaten formaldehyde releasers als conserveermiddel in de producten worden gebruikt en de minieme aanwezigheid ervan wordt vermeld op de verpakkingen van de producten; - deze toegelaten stof overigens ook aanwezig is in tal van schoonmaakproducten, levensmiddelen en andere huishoudelijke producten die de eiseres ongetwijfeld heeft gebruikt.
- De appelrechter die op die gronden de door de eiseres aangevoerde bewijsmiddelen, waaronder de eenzijdige deskundigenverslagen, die aannemelijk zouden maken dat de producten van de verweerster gebrekkig zijn, niet overtuigend acht, kon naar recht oordelen niet in te gaan op eiseres’ verzoek tot het bevelen van een getuigenverhoor of tot het aanstellen van een deskundige om de gebrekkigheid van eiseres’ producten na te gaan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechter nalaat te antwoorden op het verzoek van de eiseres om onderzoeksmaatregelen te bevelen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- De appelrechter verwerpt het verzoek van de eiseres om, met toepassing van artikel 8.4, vijfde lid, Burgerlijk Wetboek, de bewijslast om te keren met de door de eiseres niet-bekritiseerde reden dat dit niet strookt met de bewijslastregeling in de richtlijn 85/374/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken. In zoverre het middel is gericht tegen de beslissing tot afwijzing van dit verzoek, kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 8.4, derde lid, Burgerlijk Wetboek zijn alle partijen gehouden om mee te werken aan de bewijsvoering. De eerbiediging van deze medewerkingsplicht houdt niet in dat de rechter verplicht is om de door de eisende partij gevraagde onderzoeksmaatregelen te bevelen, zodra deze partij voorhoudt dat de tegenpartij over voor haar mogelijk relevante, niet-meegedeelde informatie beschikt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Krachtens artikel 8.4, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen en moet hij die beweert bevrijd te zijn, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen.
- De loutere omstandigheid dat een verwerende partij feiten aanvoert om de stelling van de eisende partij te ontkrachten, heeft niet tot gevolg dat het bewijsrisico naar de verwerende partij verschuift. Pas wanneer de eisende partij de feiten heeft bewezen die ten grondslag liggen aan haar aanspraak en aldus aan haar bewijslast heeft voldaan, komt het bewijsrisico van de feiten die de verwerende partij aanvoert ter ondersteuning van haar bewering dat zij bevrijd is, bij haar te liggen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 363,96 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 18 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250918.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050509.23 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120615.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161219.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211209.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div