id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250918.1N.9 Rolnummer: C.24.0109.N Zaak: T. contra T. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-11-24 Raadplegingen: 341 - laatst gezien 2026-06-15 02:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250918.1N.9 Fiche 1 Artikel 555 Oud Burgerlijk Wetboek is van toepassing op een derde, dit is elke andere persoon dan de grondeigenaar zelf, ongeacht zijn hoedanigheid, die op eigen kosten en voor eigen rekening beplantingen of gebouwen tot stand heeft gebracht, en waarbij het lot van die beplantingen of gebouwen niet wordt geregeld in een afwijkende wettelijke of contractuele bepaling
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Natrekking - Eigenaar van de grond - Gebouwen - Tot stand gebracht door een derde - Begrip Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 555 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Een mede-eigenaar die een gebouw opricht op een perceel grond dat aan de onverdeeldheid toebehoort, is een derde in de zin van artikel 555 Oud Burgerlijk Wetboek, aangezien hij een andere persoon is dan de grondeigenaar zelf in de mate dat hij niet enkel bouwt op zijn eigen aandeel, maar ook op dat van zijn deelgenoten in de onverdeelde grond; elke fractie van die grond wordt immers getroffen door de onverdeeldheid; de mede-eigenaar kan derhalve, indien de andere mede-eigenaars geen wegruiming vragen ten aanzien van hen een vergoeding vorderen als bedoeld in het derde lid van artikel 555 Oud Burgerlijk Wetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EIGENDOM Vrije woorden: Natrekking - Eigenaar van de grond - Gebouwen - Tot stand gebracht door een derde - Mede-eigenaar - Vergoeding - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 555, eerste en derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0109.N H. T., eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- M. T.,
- C. J.,
- K. S.,
- R. T.,
- P. T.,
- C. T.,
- G. H., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 oktober
- Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 25 juni 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Derde middel
- Artikel 555, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat indien de beplantingen, gebouwen en werken tot stand zijn gebracht door een derde met zijn eigen materialen, de eigenaar van het erf het recht heeft die voor zich te behouden, ofwel de derde te verplichten ze weg te nemen. Het derde lid bepaalt dat indien de eigenaar verkiest de beplantingen en gebouwen te behouden, hij de waarde van de materialen en het arbeidsloon moet vergoeden, zonder dat de min of meer belangrijke vermeerdering der waarde, die het erf kan hebben verkregen, in aanmerking komt.
- Voormeld artikel 555 Oud Burgerlijk Wetboek is van toepassing op een derde, dit is elke andere persoon dan de grondeigenaar zelf, ongeacht zijn hoedanigheid, die op eigen kosten en voor eigen rekening beplantingen of gebouwen tot stand heeft gebracht, en waarbij het lot van die beplantingen of gebouwen niet wordt geregeld in een afwijkende wettelijke of contractuele bepaling. Een mede-eigenaar die een gebouw opricht op een perceel grond dat aan de onverdeeldheid toebehoort, is aldus een derde in de zin van die bepaling, aangezien hij een andere persoon is dan de grondeigenaar zelf in de mate dat hij niet enkel bouwt op zijn eigen aandeel, maar ook op dat van zijn deelgenoten in de onverdeelde grond. Elke fractie van die grond wordt immers getroffen door de onverdeeldheid. De mede-eigenaar kan derhalve, indien de andere mede-eigenaars geen wegruiming vragen krachtens artikel 555, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van hen een vergoeding vorderen als bedoeld in het derde lid.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser een loods heeft opgericht op de onverdeelde grond; - de eiser een vergoeding vordert van 31.500 euro ter waarde van de materialen en het arbeidsloon; - die loods onverdeelde mede-eigendom is, ingevolge de werking van de regels inzake natrekking; - artikel 555 Oud Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is; - enkel sprake kan zijn van een toepassing van de kostenleer, waarin de algemene principes en de traditie hun uitdrukking vinden, en die traditioneel een onderscheid maakt tussen noodzakelijke, nuttige en luxe-uitgaven, die elk op een andere wijze moeten worden vergoed; - de vergoeding volgens de berekening gemaakt door de notaris-vereffenaar, waarbij rekening wordt gehouden met de waardevermindering van de grond door de bebouwing met de loods, bijgetreden door het hof van beroep, kan worden bepaald op 3.800 euro als eigenlijke meerwaarde door de bebouwing.
- Door aldus geen toepassing te maken van de vergoedingsregel in artikel 555 Oud Burgerlijk Wetboek maar van de kostenleer, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit oordeelt over de nalatenschapsdevolutie en de vordering tot vergoeding voor de oprichting van de loods, en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 18 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250918.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250918.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div