id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250922.3N.3 Rolnummer: S.22.0010.N Zaak: Y. contra Vereniging van medeeigenaars van het geb Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2025-11-06 Raadplegingen: 482 - laatst gezien 2026-06-16 12:06 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Fiche 1 Uit artikel 1, 4°, KB 21 december 1992 volgt dat voor de toepasselijkheid van deze afwijking op de minimale wekelijkse arbeidsduur van een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, vereist is dat de door de werknemer schoongemaakte lokalen door de werkgever beroepsmatig worden gebezigd; een vereniging van mede-eigenaars van een gebouw zoals bedoeld in artikel 577-5, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek die de haar wettelijk verleende bevoegdheden uitoefent, oefent geen beroepsbezigheid uit en is bijgevolg niet voor beroepsdoeleinden in het gebouw gevestigd. Thesaurus CAS: ARBEID - ALLERLEI Vrije woorden: Deeltijdse arbeid - Wekelijkse arbeidsduur - Minimale wekelijkse arbeidsduur - Afwijking - Werkgever - Vereniging van mede-eigenaars - Lokalen beroepsmatig gebezigd door de werkgever - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 577-5, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 03-07-1978 - Art. 11bis, vijfde, zesde en zevende lid - 01 ELI link Pub nr 1978070303 KB 21 december 1992 betreffende de afwijkingen van de minimale wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemers vastgesteld bij artikel 11bis, van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 21-12-1992 - Art. 1, 4° - 30 ELI link Pub nr 1992012943 Fiche 2 Voor de toepasselijkheid van de in artikel 1, 2°, KB 21 december 1992 bepaalde afwijking op de minimale wekelijkse arbeidsduur van een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, is vereist dat de door de werknemer uitgevoerde arbeid wordt verricht ten behoeve van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin; een vereniging van mede-eigenaars van een gebouw zoals bedoeld in artikel 577-5, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek kan als rechtspersoon geen huishouding of gezin hebben. Thesaurus CAS: ARBEID - ALLERLEI Vrije woorden: Deeltijdse arbeid - Wekelijkse arbeidsduur - Minimale wekelijkse arbeidsduur - Afwijking - Werkgever - Vereniging van mede-eigenaars - Arbeid ten behoeve van huishouding van de werkgever - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 577-5, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 28-11-1969 - Art. 16 - 01 ELI link Pub nr 1969112813 KB 21 december 1992 betreffende de afwijkingen van de minimale wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemers vastgesteld bij artikel 11bis, van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten - 21-12-1992 - Art. 1, 2° - 30 ELI link Pub nr 1992012943 Tekst van de beslissing Nr. S.22.0010.N A.Y., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN HET GEBOUW “RESIDENTIE BALDERIC”, met zetel te 1000 Brussel, Baksteenkaai 30-34, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0824.226.519, vertegenwoordigd door haar syndicus IMMO LEOLUX bv, met zetel te 1730 Asse, Heierveld 48, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het arbeidshof te Brussel van 18 mei 2020 en 15 februari
- Ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
- De verweerster voert twee gronden van niet-ontvankelijkheid aan: - de eiseres komt niet op tegen het oordeel van de appelrechters dat de reglementaire bepalingen, in de uitlegging die de eiseres eraan geeft, in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 Grondwet, zodat het middel geen belang heeft; - het Hof kan de bekritiseerde redenen van het arrest van 15 februari 2021 vervangen door een rechtsgrond die het beschikkend gedeelte van dat arrest verantwoordt en die erin bestaat dat de artikelen 1, 2° en 4°, van het KB van 21 december 1992, juncto artikel 16 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, in strijd zijn met de artikelen 10 en 11 Grondwet, voor zover zij niet van toepassing zijn op het schoonmaken van de gemene delen van een gebouw waarin meerdere gezinnen wonen.
- Het arrest van 15 februari 2021 laat zijn beslissing dat het door de eiseres verrichte werk onder de uitzonderingen valt van artikel 1, 2° of 4°, van het koninklijk besluit van 21 december 1992 betreffende de afwijkingen van de minimale wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemers vastgesteld bij artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna KB 21 december 1992 genoemd) niet steunen op het oordeel dat die wettelijke bepalingen anders in strijd zouden zijn met de artikelen 10 en 11 Grondwet. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De tweede grond van niet-ontvankelijkheid vraagt van het Hof een beoordeling van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Ook de tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Tweede onderdeel Ontvankelijkheid
- De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel komt op tegen een feitelijke beoordeling of noopt het Hof feitelijke gegevens na te gaan en vermengt zodoende feiten en recht.
- Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te scheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 11bis, vijfde lid, Arbeidsovereenkomstenwet mag de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur van de deeltijds tewerkgestelde werknemer niet lager liggen dan een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers die in de onderneming tot dezelfde categorie behoren. Bij ontstentenis van voltijds tewerkgestelde werknemers die in de onderneming tot dezelfde categorie behoren moet men zich houden aan de arbeidsduur die in dezelfde bedrijfssector van toepassing is. Overeenkomstig artikel 11bis, zesde en zevende lid, Arbeidsovereenkomstenwet kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, toestaan dat afgeweken wordt van de grens van een derde in de bedrijfstakken, de bedrijfscategorieën of de ondernemingstakken of voor de categorieën van werknemers of werken waarop deze grens niet kan worden toegepast. Een zelfde afwijking kan eveneens worden vastgesteld in een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig de CAO-wet. Het laatste lid van artikel 11bis Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat wanneer de overeenkomst prestaties vastlegt die lager liggen dan de grenzen die door of krachtens deze wet zijn vastgesteld, het loon nochtans verschuldigd is op basis van deze minimumgrenzen.
- Krachtens artikel 1, 4°, KB 21 december 1992 is de minimale wekelijkse arbeidsduur van deeltijds tewerkgestelde werknemers die door artikel 11bis Arbeidsovereenkomstenwet vastgesteld is op een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, niet van toepassing op de werklieden tewerkgesteld in het kader van een vast uurrooster waarvan het werk uitsluitend erin bestaat de lokalen waarin hun werkgever voor beroepsdoeleinden gevestigd is, schoon te maken. Uit die bepaling volgt dat voor de toepasselijkheid van deze afwijking op de minimale wekelijkse arbeidsduur van een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, vereist is dat de door de werknemer schoongemaakte lokalen door de werkgever beroepsmatig worden gebezigd.
- Een vereniging van mede-eigenaars van een gebouw zoals bedoeld in artikel 577-5, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek die de haar wettelijk verleende bevoegdheden uitoefent, oefent geen beroepsbezigheid uit en is bijgevolg niet voor beroepsdoeleinden in het gebouw gevestigd. Het schoonmaken van de gemene delen van een appartementsgebouw voor rekening van de vereniging van mede-eigenaars valt zodoende niet onder de in artikel 1, 4°, KB 21 december 1992 bepaalde afwijking van de grens van een derde.
- Het arrest van 15 februari 2021 dat vaststelt dat de verweerster een vereniging van mede-eigenaars van een appartementsgebouw is en het schoonmaakwerk dat de eiseres in uitvoering van haar arbeidsovereenkomst met de verweerster diende te verrichten de gemene delen van het appartementsgebouw betrof, namelijk de inkomhal, trappengang en kelder, oordeelt niet wettig dat niet blijkt dat het werk van de eiseres niet onder de uitzondering van artikel 1, 4°, KB 21 december 1992 viel en verantwoordt hiermee niet naar recht zijn beslissing dat het niet bewezen is dat de verweerster een minimale tewerkstelling diende na te leven. Het onderdeel is gegrond. Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
- De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel heeft geen belang omdat de bestreden beslissing naar recht verantwoord blijft op grond van de door het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde redenen.
- Zoals volgt uit het antwoord op het tweede onderdeel, moet de grond van niet-ontvankelijkheid worden verworpen. Eerste subonderdeel
- Krachtens artikel 1, 2°, KB 21 december 1992 is de minimale wekelijkse arbeidsduur van deeltijds tewerkgestelde werknemers die door artikel 11bis Arbeidsovereenkomstenwet vastgesteld is op een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 16 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet en hun werkgevers. Artikel 16 Uitvoeringsbesluit RSZ-wet bepaalt dat aan de toepassing van de wet worden onttrokken, de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers en dat als occasionele arbeid wordt beschouwd, de arbeid verricht voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin en voor zover die arbeid niet meer bedraagt dan acht uren per week bij één of verschillende werkgevers. Uit deze bepalingen volgt dat voor de toepasselijkheid van deze in artikel 1, 2°, KB 21 december 1992 bepaalde afwijking op de minimale wekelijkse arbeidsduur van een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, vereist is dat de door de werknemer uitgevoerde arbeid wordt verricht ten behoeve van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.
- Een vereniging van mede-eigenaars van een gebouw zoals bedoeld in artikel 577-5, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek kan als rechtspersoon geen huishouding of gezin hebben. Het schoonmaken van de gemene delen van een appartementsgebouw voor rekening van de vereniging van mede-eigenaars valt zodoende niet onder de in artikel 1, 2°, KB 21 december 1992 bepaalde afwijking van de grens van een derde.
- Het arrest van 15 februari 2021 dat vaststelt dat de verweerster een vereniging van mede-eigenaars van een appartementsgebouw is en het schoonmaakwerk dat de eiseres in uitvoering van haar arbeidsovereenkomst met de verweerster diende te verrichten de gemene delen van het appartementsgebouw betrof, namelijk de inkomhal, trappengang en kelder, oordeelt niet wettig dat niet blijkt dat het werk van de eiseres niet onder de uitzondering van artikel 1, 2°, KB 21 december 1992 viel en verantwoordt hiermee niet naar recht zijn beslissing dat het niet bewezen is dat de verweerster een minimale tewerkstelling diende na te leven. Het subonderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest van 15 februari
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Bruno Lietaert, Ann De Wolf en ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, en in openbare rechtszitting van 22 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250922.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div