← België

FEDASIL contra F.

Obsah (5)Art. 2Art. 4Art. 24Art. 25Art. 45

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 2

, 6° - 52 ELI link Pub nr 2007002066 Wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën

Art. 4

- 52 ELI link Pub nr 2007002066 Fiche 2 Uit de samenhang tussen de artikelen 4 en 45 Wet 12 januari 2007 volgt dat FEDASIL het recht op materiële hulp met toepassing van artikel 4, § 1, 4°, juncto artikel 45, tweede lid, 8° en 9°, Wet 12 januari 2007 kan beperken tot de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 24 en 25, zonder te moeten vaststellen dat het recht op een waardige levensstandaard hierbij gewaarborgd blijft voor de betrokken asielzoeker die een zeer ernstige inbreuk heeft begaan op de voorschriften en werkingsregels die van toepassing zijn op de opvangstructuren; in voorkomend geval kan de als sanctie opgelegde beperking op verzoek van de betrokkene worden verminderd of opgeheven ingeval hij aantoont dat hem door een tot medische begeleiding beperkte hulp geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd; dat FEDASIL ook op de in artikel 4, § 1, 3°, Wet 12 januari 2007 beoogde grond het recht op materiële hulp mag beperken tot de medische begeleiding, zonder te moeten nagaan of de betrokken asielzoeker daarbij een menswaardige levensstandaard blijft genieten, en het de betrokkene toekomt aan te tonen dat hem daardoor geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Asielzoekers - Beperking of intrekking materiële hulp - Ernstige inbreuk regels opvangstructuren - Meervoudige asielaanvraag - Onderscheid - Motivering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën

Art. 4

, § 1, 3° en 4° - 52 ELI link Pub nr 2007002066 Wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën

Art. 24

- 52 ELI link Pub nr 2007002066 Wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën

Art. 25

- 52 ELI link Pub nr 2007002066 Wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën

Art. 45- 52 ELI link Pub nr 2007002066 Tekst van de beslissing Nr.

S.23.0030.N FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE OPVANG VAN ASIELZOEKERS (FEDASIL), met zetel te 1000 Brussel, Kartuizersstraat 21, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0860.737.913, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen F.F., verweerder, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beschikking van 15 juni 2023 (nr. G.23.0100.N), vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 13 februari

  1. Ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 2, 6°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, hierna Opvangwet, wordt voor de toepassing van deze wet onder materiële hulp verstaan: de hulp die verleend wordt door het Agentschap of de partner binnen een opvangstructuur en die met name bestaat uit huisvesting, voedsel, kleding, medische, maatschappelijke en psychologische begeleiding en de toekenning van een dagvergoeding. Zij omvat eveneens de toegang tot juridische bijstand, de toegang tot diensten als tolkdiensten of opleiding, evenals de toegang tot een programma voor vrijwillige terugkeer.
  3. Krachtens artikel 4, § 1, Opvangwet kan het Agentschap het recht op materiële hulp beperken of, in uitzonderlijke gevallen, intrekken: 1° indien een asielzoeker de verplichte plaats van inschrijving die door het Agentschap werd toegewezen weigert, niet benut, of verlaat zonder het Agentschap op de hoogte te stellen, of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming te hebben verkregen; of 2° indien een asielzoeker gedurende een redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; of 3° indien een asielzoeker een volgend verzoek heeft gedaan, tot aan de beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; of 4° met toepassing van de artikelen 35/2 en 45, tweede lid, 8° en 9°. Krachtens artikel 4, § 3, Opvangwet worden de in dit artikel bedoelde beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen individueel gemotiveerd en worden deze genomen met inachtneming van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die onder artikel 36 van dezelfde wet vallen, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Krachtens artikel 4, § 4, Opvangwet blijven het recht op medische begeleiding zoals bedoeld in de artikelen 24 en 25 en het recht op een waardige levensstandaard gewaarborgd voor de asielzoeker bedoeld in dit artikel.
  4. Uit het geheel van de bepalingen van artikel 4 Opvangwet volgt dat opdat de eiser het recht op materiële hulp wettig kan beperken of intrekken op de in § 1, 3°, bepaalde grond, hij dient na te gaan of het recht op een waardige levensstandaard in de specifieke situatie van de betrokken asielzoeker gewaarborgd blijft bij beperking of intrekking van de materiële hulp en die feitelijke overwegingen uitdrukkelijk moet vermelden in de beslissing. Hieruit volgt dat de beslissing tot tijdelijke beperking van de materiële hulp waarin artikel 2, 6°, Opvangwet voorziet, niet wettig wordt verantwoord door de enkele vaststelling dat de betrokken asielzoeker in het in artikel 4, § 1, 3°, Opvangwet bedoelde geval verkeert.
  5. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de beslissing om de in artikel 2, 6°, Opvangwet bepaalde materiële hulp te beperken tot de medische begeleiding, wettig wordt verantwoord door de enkele vaststelling dat aan de in artikel 4, § 1, 3°, Opvangwet bepaalde voorwaarde is voldaan en eruit afleidt dat de rechter in die omstandigheden aan de eiser niet kan opleggen een hogere bescherming te bieden dan de krachtens artikel 4, § 4, Opvangwet te verstrekken minimale waarborg, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
  6. Artikel 45, eerste lid, Opvangwet bepaalt dat ingeval de begunstigde van de opvang een ernstige overtreding begaat van de voorschriften en werkingsregels die van toepassing zijn op de opvangstructuren bedoeld in artikel 19, er hem een sanctie kan worden opgelegd en dat bij de keuze van de sanctie er rekening wordt gehouden met de aard en de omvang van de overtreding, evenals met de concrete omstandigheden waarin deze werd begaan. Krachtens artikel 45, zevende lid, Opvangwet mogen de in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties, dit zijn de tijdelijke uitsluiting van het recht op materiële hulp in een opvangstructuur, voor een duur van een maand, en de definitieve uitsluiting van het recht op de materiële hulp in een opvangstructuur, enkel worden uitgesproken bij zeer ernstige inbreuk op het huishoudelijk reglement van de opvangstructuur die het personeel of de andere bewoners van de opvangstructuur in gevaar brengt of die duidelijke risico’s inhoudt voor de veiligheid of de naleving van de openbare orde in de opvangstructuur. Behoudens de ernstige gevallen van fysiek of seksueel geweld, kan de in het tweede lid, 9°, bedoelde sanctie uitsluitend worden uitgesproken ten aanzien van een persoon die voorafgaand het voorwerp heeft uitgemaakt van een in het tweede lid, 8°, bedoelde sanctie. Krachtens artikel 45, zesde lid, Opvangwet kan, onder voorbehoud van de in het tweede lid, 8° en 9°, bedoelde sancties, de uitvoering van een sanctie in geen geval de volledige opheffing van de materiële hulp die krachtens deze wet toegekend wordt tot gevolg hebben, noch de vermindering van de toegang tot de medische begeleiding. De materiële hulp toegekend aan de persoon die het voorwerp uitmaakt van een sanctie zoals bedoeld in het tweede lid, 8° of 9°, is beperkt tot de medische begeleiding bepaald in de artikelen 24 en
  7. In het geval dat een persoon aantoont dat hem geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd, kan hij bij het Agentschap een verzoek indienen teneinde deze situatie te verhelpen.
  8. Uit de samenhang tussen de artikelen 4 en 45 Opvangwet volgt dat de eiser, in afwijking op de hiervoor in randnummer 3 vermelde regel, het recht op materiële hulp met toepassing van artikel 4, § 1, 4°, juncto artikel 45, tweede lid, 8° en 9°, Opvangwet kan beperken tot de medische begeleiding bedoeld in de artikelen 24 en 25, zonder te moeten vaststellen dat het recht op een waardige levensstandaard hierbij gewaarborgd blijft voor de betrokken asielzoeker die een zeer ernstige inbreuk heeft begaan op de voorschriften en werkingsregels die van toepassing zijn op de opvangstructuren. In voorkomend geval kan de als sanctie opgelegde beperking op verzoek van de betrokkene worden verminderd of opgeheven ingeval hij aantoont dat hem door een tot medische begeleiding beperkte hulp geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de eiser ook op de in artikel 4, § 1, 3°, Opvangwet beoogde grond het recht op materiële hulp mag beperken tot de medische begeleiding, zonder te moeten nagaan of de betrokken asielzoeker daarbij een menswaardige levensstandaard blijft genieten, en het de betrokkene toekomt aan te tonen dat hem daardoor geen menswaardige levensstandaard kan worden verzekerd, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 507,37 euro en op de som van 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Bruno Lietaert, Ann De Wolf en ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, en in openbare rechtszitting van 22 september 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250922.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.