id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 2
- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -
Art. 3
- 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... -
Art. 4
- 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiche 2 Behoudens wanneer een akkoord tussen de partijen over de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe te kennen
(1); uit het enkele gegeven dat een partij die de betaling van een schadevergoeding vordert, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt op een niet in geld waardeerbare vordering vordert, volgt niet dat een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van een in geld waardeerbare vordering voorligt.
(1)Zie Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.
- Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Tekst van de beslissing Nr. P.24.1435.N I R. E., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de eiser woonplaats kiest, tegen REGIE DER GEBOUWEN, autonome instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87 bus 2, ON 0208.312.646, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. II
- P. B.,
- E. M., beklaagden, eisers, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie Gent, tegen REGIE DER GEBOUWEN, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. III A. D. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg, tegen REGIE DER GEBOUWEN, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. IV en V REGIE DER GEBOUWEN, reeds vermeld, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg, het cassatieberoep IV tegen
- BARKO CONSTRUCTION bv, met zetel te 9300 Aalst, Moorselbaan 349, ON 0466.417.471,
- D.S.V. nv, met zetel te 3200 Aarschot, Ter Heidelaan 69, ON 0421.619.903, beklaagden, verweersters, het cassatieberoep V tegen BARKO CONSTRUCTION bv, reeds vermeld, beklaagde, verweerster. VI
- V. D. N.,
- I. D. N.,
- G. V. D. B., rechtsopvolgers van een beklaagde, eiseressen, met als raadsman Tom Bauwens, advocaat bij de balie Brussel, tegen REGIE DER GEBOUWEN, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I tot en met VI zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 23 september 2024, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 5 oktober
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers II voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee gelijkluidende middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres IV doet afstand zonder berusting van haar cassatieberoep. De eiseres V voert geen middel aan. De eiseressen VI voeren geen middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand van het cassatieberoep van de eiseres IV
- De eiseres doet afstand zonder berusting van haar cassatieberoep. Aldus geeft zij te kennen niet in de bestreden beslissing te willen berusten, maar op een later tijdstip alsnog cassatieberoep te willen instellen.
- Het arrest veroordeelt de verweersters IV tot het betalen van een definitieve schadevergoeding aan de eiseres IV en het wijst het meer en anders gevorderde af als ongegrond. Het houdt wat betreft die burgerlijke vordering niets meer aan om over te beslissen.
- Dit zijn eindbeslissingen als bedoeld door artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Het door dwaling ingegeven verzoek om afstand wordt niet verleend. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres V
- Artikel 419 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat niemand een tweede maal cassatieberoep kan instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de in de wet bepaalde gevallen.
- Het cassatieberoep V tegen het arrest werd door de eiseres V ingesteld op 25 juli 2025, nadat zij reeds op 8 oktober 2024 tegen ditzelfde arrest cassatieberoep heeft ingesteld. Het door de eiseres V op 25 juli 2025 ingestelde cassatieberoep is dan ook niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eiseressen VI
- Volgens artikel 423 Wetboek van Strafvordering moet behoudens in hier niet toepasselijke gevallen de verklaring van cassatieberoep worden gedaan binnen de vijftien dagen na de uitspraak van de bestreden beslissing.
- De eiseressen VI hebben de verklaring van cassatieberoep afgelegd ter griffie op 27 augustus 2025, dit is buiten de door artikel 423 Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn welke een einde nam op 8 oktober
- De cassatieberoepen VI zijn wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 14 EVRM, artikel 26 IVBPR, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 442bis, 442ter, 442quater en 442quinquies Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart eisers verzoek om de behandeling van de zaak op te schorten tot na de uitspraak van het EHRM ten onrechte ongegrond; indien het EHRM een verdragsschending vaststelt en aan de voorwaarden voor de heropening van de rechtspleging, bepaald in de artikelen 442bis tot 442quinquies Wetboek van Strafvordering, is voldaan, dan blijft de veroordeling tot het betalen van een schadevergoeding definitief, ook al wordt de beslissing op strafgebied vernietigd; een veroordeling door de burgerlijke rechter, die berust op een beslissing in strafzaken die wordt vernietigd, kan daarentegen wel met toepassing van artikel 1133, 5°, Gerechtelijk Wetboek, worden herroepen; bijgevolg is er sprake van een ongelijke behandeling tussen partijen die hun burgerlijke vordering aanhangig hebben gemaakt bij de burgerlijke rechter en degenen die deze vordering aanhangig hebben gemaakt bij de strafrechter.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het EHRM in zijn arrest van 27 mei 2025 (nr. 38110/18) oordeelt dat er in de zaak E. t/ België geen verdragsschendingen worden vastgesteld.
- Het middel kan niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit: de appelrechters verwerpen ten onrechte eisers verzoek om de vordering van de verweerster I tot vergoeding van haar schade, minstens gedeeltelijk, ongegrond te verklaren; het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit verzet zich niet tegen een verdeling van aansprakelijkheid tussen de beklaagde en het slachtoffer wanneer deze laatste zelf een opzettelijke fout heeft begaan; in zijn appelconclusie heeft de eiser I aangevoerd dat de verweerster I, door niet in te grijpen op de gekende wanpraktijken, heeft bijgedragen aan de strafrechtelijke opzettelijke fout van de eiser I en aldus een grove en opzettelijke nalatigheid heeft begaan; het arrest laat na vast te stellen of er aan de zijde van de verweerster I sprake is van een opzettelijke fout; het laat tevens na dit verweer van de eiser I te beantwoorden; minstens is de beslissing door het onderscheid tussen opzettelijke en niet-opzettelijke fout aan de zijde van de verweerster I niet te maken, dubbelzinnig gemotiveerd.
- In zijn appelconclusie heeft de eiser I aangevoerd dat de verweerster I door haar eigen fout of foutieve nalatigheid het oorzakelijk verband met de schade heeft “doorbroken”. Hij voerde hierbij aan dat de verweerster “jarenlang op de hoogte (was) van de wanpraktijken en normvervaging binnen haar organisatie” en “niets (heeft) ondernomen tegen deze ‘bedrijfscultuur’”, zodat zij “zelf [heeft] bijgedragen aan de strafrechtelijke opzettelijke fout in die zin dat zij zich niet zou hebben voorgedaan, had zij wel als een normaal zorgvuldig en vooruitziend persoon (geplaatst in dezelfde omstandigheden) ingegrepen” en de vordering dan ook ongegrond moet worden verklaard, minstens dat de schade tussen de partijen dient te worden omgeslagen “gelet op de grove nalatigheid in hoofde van [de verweerster I]”.
- Anders dan het middel aanvoert, heeft de eiser I niet aangevoerd dat de nalatigheid van de verweerster I, met name het niet-ingrijpen hoewel zij op de hoogte was van de wanpraktijken binnen haar organisatie, een opzettelijke fout inhoudt die aanleiding geeft tot een verdeling van de aansprakelijkheid. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van eisers appelconclusie en mist het feitelijke grondslag.
- Met het oordeel dat, gelet op het bewezen verklaarde misdrijf tegen de eiser I, de aangevoerde fout aan de zijde van de verweerster I, waaronder een gebrek aan controle op haar ambtenaren, geen aanleiding geeft tot een verdeling van de aansprakelijkheid, geeft het arrest te kennen dat de aan de verweerster I verweten grove nalatigheid geen opzettelijke fout uitmaakt. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest nalaat het opzettelijk karakter van de verweten fouten vast te stellen of te onderzoeken, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het evenzeer feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit deze onjuiste lezing en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser I op grond van de telastleggingen H.2.2, I.2.2 en J.2.
- tot het betalen van 7 procent op alle facturen van de nv B.C. die de verweerster I heeft betaald, alsook tot de totaliteit van de facturen van de nv B.C., vermeld in de telastleggingen D.1 en E.1; bijgevolg wordt deze schadepost ten onrechte dubbel vergoed; het arrest laat ook na het verweer van de eiser I dat er sprake is van een dubbeltelling te beantwoorden.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat de facturen vermeld in de telastleggingen H.2.2, I.2.2 en J.2.2., enerzijds, en de facturen vermeld in de telastleggingen D.1 en E.1, anderzijds, identiek zijn, vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet is bevoegd en is het niet ontvankelijk.
- Uit haar syntheseappelconclusie blijkt dat de verweerster I vordert om: - de eiser I op grond van de bewezen verklaarde telastleggingen H.2.2, I.2.2 en J.2.2, zijnde passieve omkoping, te veroordelen tot het betalen van de som van 109.988,90 euro, met name de door eiser I ontvangen commissie van 7 procent op het totaal van de door haar aan de nv B.C. betaalde facturen; - de eiser I op grond van de bewezen verklaarde telastlegging D.1, zijnde valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, te veroordelen tot het betalen van de som van 3.731,27 euro, met name de door de bv W.E. opgestelde valse factuur voor werken aan een gebouw van de verweerster I die in werkelijkheid betrekking had op werken aan de privé-woning van de eiser I; - de eiser I op grond van de bewezen verklaarde telastlegging E.1, zijnde oplichting, te veroordelen tot het betalen van de som van 3.731,27 euro, met name het door de verweerster I teveel betaalde bedrag aan de nv B.C. en de nv E. voor niet-ontvangen werken, gelet op de opdracht van de eiser I om bepaalde posten in de vorderingsstaten te verhogen.
- Met het oordeel dat deze vorderingen gegrond zijn, verwerpt en beantwoordt het arrest het in het middel vermelde verweer dat er sprake is van een dubbeltelling. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 1017, 1018, eerste lid, 6°, 1021, 1022 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1 en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel: de appelrechters oordelen ultra petita door de eiser I te veroordelen tot het betalen van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering, terwijl de verweerster I in haar syntheseappelconclusie voor de respectieve procedures slechts het lagere basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een niet in geld waardeerbare vordering vorderde.
- Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Ter uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.
- De artikelen 2 tot 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepalen de indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen.
- Om te oordelen of het geschil een al dan niet in geld waardeerbare vordering betreft, dient te worden uitgegaan van hetgeen wordt gevorderd of ter beslechting wordt voorgelegd, ongeacht hoe de partijen hun vordering zelf omschrijven.
- Behoudens wanneer een akkoord tussen de partijen over de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.
- Uit het enkele gegeven dat een partij die de betaling van een schadevergoeding vordert, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een niet in geld waardeerbare vordering vordert, volgt niet dat een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van een in geld waardeerbare vordering voorligt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In haar laatste appelconclusie vorderde de verweerster I, zonder verdere toelichting, de veroordeling van de eiser I tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.440,00 euro voor de procedure in hoger beroep.
- Het arrest dat, na te hebben geoordeeld dat alle vorderingen in geld waardeerbaar zijn, bij het bepalen van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding rekening wordt gehouden met het toegekende en niet met het gevorderde bedrag dat zich, wat de eiser I betreft, tussen 250.000,00 euro en 500.000,00 euro situeert en er voor geen van de partijen, bij gebrek aan daartoe aangevoerde overtuigende argumenten of voorgelegde stukken, aanleiding is om van dit basisbedrag af te wijken, de eiser I veroordeelt tot een hogere rechtsplegingsvergoeding dan gevorderd door de verweerster I, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eisers II Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 5.220 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 1315, 1382, 1383 en 1384 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 2, 3, 8, 19, 1° en 2°, en 20, § 1, van de wet van 1 april 1971 houdende oprichting van de Regie der Gebouwen (hierna Oprichtingswet): het arrest oordeelt ten onrechte dat, ook al werd geen lijst overeenkomstig artikel 19, 1°, Oprichtingswet voorgelegd, de door de verweerster II aangevoerde feitelijke elementen uit het strafdossier volstaan om aan te nemen dat er met betrekking tot de onroerende goederen waarop de zaak betrekking heeft, een bij wet bepaalde overdracht van schuldvordering heeft plaatsgevonden en de verweerster II aldus over een eigen vorderingsrecht beschikt; geen van deze elementen kan hiertoe volstaan, zodat de verweerster II geen eigen schade aantoont die in oorzakelijk verband staat met de bewezen verklaarde misdrijven.
- Het onderdeel dat formeel een miskenning van de regels inzake de bewijslast aanvoert, komt in werkelijkheid op tegen de beoordeling van de bewijswaarde van de door de verweerster II aangevoerde feitelijke elementen uit het strafdossier. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig voorgelegde gegevens van het strafdossier die aan de tegenspraak van de partijen zijn onderworpen. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel over de feiten door het arrest of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige zijn de aangevoerde wetschendingen afgeleid en is het onderdeel evenmin ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de eisers II hebben in hun appelconclusie aangevoerd dat de verweerster II geen wettige reden laat blijken waarom zij de voorlegging van de in artikel 19, 1°, Oprichtingswet bedoelde lijst weigert; de eisers II voerden hierbij aan dat de weigering tot overlegging niet kan worden gesteund op redenen van nationale veiligheid, aangezien het perfect mogelijk is om een niet-exhaustieve lijst of deels geanonimiseerde lijst voor te brengen waarop enkel de gebouwen die voorwerp uitmaken van de procedure worden vermeld; het arrest laat dit verweer onbeantwoord.
- Het arrest oordeelt dat, gelet op de gegevens in het strafdossier, met voldoende zekerheid vaststaat dat al de gebouwen waaraan werken werden uitgevoerd en die het voorwerp uitmaken van het strafdossier werden beheerd door de verweerster II ter uitvoering van artikel 20 Oprichtingswet, ook al werd geen lijst in de zin van artikel 19 Oprichtingswet voorgelegd. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het voormelde verweer, zonder dat het hierbij diende te antwoorden op argumenten ter ondersteuning van dit verweer die zelf geen afzonderlijk verweer vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen inzake de taak van de rechter, zoals vervat in de artikelen 5, 774 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, de autonomie van de partijen en de eerbiediging van het recht van verdediging. Ontvankelijkheid
- De verweerster II voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel dat het arrest verwijt niet vast te stellen dat een grond of verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, vereist een onderzoek van feiten. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid van het middel is niet te scheiden van het onderzoek naar de gegrondheid ervan. De grond van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. Gegrondheid
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering schendt of de algemene rechtsbeginselen houdende de taak van de rechter en de eerbiediging van het recht van verdediging miskent. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het beschikkingsbeginsel, zoals vervat in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest veroordeelt elk van de eisers ten onrechte tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering met een waarde tussen 500.000,00 euro en 1.000.000,00 euro; de verweerster II vorderde ten aanzien van de eisers het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een niet in geld waardeerbare vordering; door, ondanks dit verzoek tot afwijking van het basisbedrag, een hoger bedrag toe te kennen dan gevorderd, oordeelt het arrest ultra petita.
- Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Ter uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.
- De artikelen 2 tot 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepalen de indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen.
- Om te oordelen of het geschil een al dan niet in geld waardeerbare vordering betreft, dient te worden uitgegaan van hetgeen wordt gevorderd of ter beslechting wordt voorgelegd, ongeacht hoe de partijen hun vordering zelf omschrijven.
- Behoudens wanneer een akkoord tussen de partijen over de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.
- Uit het enkele gegeven dat een partij die de betaling van een schadevergoeding vordert, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt op een niet in geld waardeerbare vordering vordert, volgt niet dat een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van een in geld waardeerbare vordering voorligt.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In haar laatste appelconclusie vorderde de verweerster II, zonder verdere toelichting, de veroordeling van de eisers II tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.440,00 euro voor de procedure in hoger beroep.
- Het arrest dat, na te hebben geoordeeld dat alle vorderingen in geld waardeerbaar zijn, bij het bepalen van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding rekening wordt gehouden met het toegekende en niet met het gevorderde bedrag dat zich, wat de eisers II betreft, tussen 500.000,01 euro en 1.000.000,00 euro situeert en er voor geen van de partijen, bij gebrek aan daartoe aangevoerde overtuigende argumenten of voorgelegde stukken, aanleiding is om van dit basisbedrag af te wijken, de eisers II veroordeelt tot een hogere rechtsplegingsvergoeding dan gevorderd door de verweerster II, verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en het Tarief Rechtsplegingsvergoeding: na te hebben geoordeeld dat er geen reden is om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering met een waarde tussen 500.000,01 en 1.000.000,00 euro, veroordeelt het arrest elk van de eisers II tot het betalen van een rechtsplegingvergoeding van 11.000,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en 16.000,00 euro voor de procedure in hoger beroep; deze basisbedragen zijn onjuist.
- Behoudens wanneer een akkoord tussen de partijen over de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe te kennen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het beroepen vonnis is gewezen op 2 april 2015 en het arrest op 23 september
- Het arrest oordeelt niet-bekritiseerd dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op basis van het toegekende bedrag en niet op basis van het gevorderde bedrag, zijnde, wat de eisers II betreft, een “vordering met een waarde tussen 500.000,00 en 1.000.000,00 euro”.
- De waarde van deze vordering stemt overeen met een basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 11.000,00 euro in eerste aanleg en 15.000,00 euro in hoger beroep.
- Het arrest dat oordeelt dat er geen reden is om af te wijken van het basisbedrag dat overeenstemt met de waarde van de vordering, en de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep bepaalt op 16.000,00 euro, verantwoordt deze beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Middelen van de eiser III Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser III aangevoerd dat de verweerster III geen schade bewijst, in oorzakelijk verband met de feiten van de telastleggingen K.3 en O.3; het arrest bevat geen wettig antwoord op dit verweer; de motivering die het arrest ter zake vermeldt, heeft immers betrekking op andere telastleggingen.
- Artikel 149 Grondwet legt aan de rechter een formele motiveringsplicht op. Een onjuiste, onvolledige of inadequate motivering kan aan het vormvereiste van dit artikel voldoen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat de verweerster III de veroordeling van de eiser III vordert tot het betalen van een schadevergoeding van 15.591,52 euro op grond van de bewezen verklaarde telastlegging O.3, zijnde actieve omkoping. De appelrechters verklaren deze vordering gegrond met verwijzing naar onder meer de eigen verklaringen van de eiser III waaruit blijkt dat deze som werd doorgerekend naar de verweerster III. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel vermelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest laat de veroordeling van de eiser III tot het betalen van de som van 15.591,52 euro volledig steunen op bewijselementen die geen betrekking hebben op de feiten die het voorwerp vormen van de telastleggingen K.3 en O.3, meer bepaald eisers laatste appelconclusie en eisers verklaringen aan de politie; door enkel deze elementen te vermelden, die allen betrekking hebben op andere telastleggingen, schendt het arrest voormelde bepaling en miskent het de bewijskracht van deze stukken.
- In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het eerste onderdeel, is het om de redenen vermeld in het antwoord op dit onderdeel te verwerpen.
- Voor het overige komt het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek en een miskenning van de bewijskracht van stukken aanvoert, in werkelijkheid op tegen de beoordeling van de bewijswaarde van deze stukken en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser III aangevoerd dat de verweerster III geen schade bewijst in oorzakelijk verband met de feiten van de telastleggingen H.2.4, I.2.4, J.2.4, L.4.1, M.4.1 en N.4.1, waarbij hij uitvoerig motiveerde dat de door hem betaalde commissies aan de medebeklaagde E. nooit werden doorgerekend aan de verweerster III; met de enkele reden dat deze doorrekening wordt bevestigd in de eigen verklaring van de eiser III, die niet impliceert dat hij de commissie heeft doorgerekend, beantwoordt het arrest niet wettig dit verweer.
- In zoverre het middel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, in werkelijkheid opkomt tegen de bewijswaarde of de bewijskracht van stukken, is het niet ontvankelijk.
- Met de reden dat het op grond van eisers verklaring aan de politiediensten van 3 februari 2006 is bewezen dat de door de eiser III betaalde commissies werden doorgerekend aan de verweerster III zodat haar vordering tot vergoeding van de gevorderde som van 69.374,28 euro gegrond is, verwerpt en beantwoordt het arrest het in het middel vermelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in zijn appelconclusie heeft de eiser III aangevoerd dat de interest op de verschuldigde hoofdsommen slechts kan worden toegekend vanaf het ogenblik van het eerste vonnis, aangezien de lange duur van de procedure en de afhandeling van de burgerlijke vordering te wijten is aan de houding van de verweerster III; het arrest laat dit verweer onbeantwoord.
- De rechter voldoet aan zijn motiveringsplicht wanneer hij tegenover een middel van een partij zijn tegengestelde beoordeling van de feitelijke gegevens stelt.
- Met het oordeel dat de interest verschuldigd is “vanaf de gemiddelde datum” tot de dag van volledige betaling, waarbij vergoedende interest wordt toegekend aan de wettelijke interestvoet tot de datum van het arrest en vanaf deze datum nalatigheidsinterest aan dezelfde interestvoet, verwerpt en beantwoordt het arrest het voormelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers II elk veroordeelt tot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep voor een hoger bedrag dan 15.000,00 euro. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I, III, IV, V en VI tot de kosten van hun cassatieberoep. Veroordeelt de eisers II tot drie vierden van de kosten van hun cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten in het geheel op 692,29 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 115,96 euro zijn verschuldigd, de eiseres IV 80,77 euro is verschuldigd, de eiseres V 115,97 euro is verschuldigd en de eiseressen VI 112,67 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div