id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.15 Rolnummer: P.25.1214.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-10-02 Raadplegingen: 528 - laatst gezien 2026-06-19 02:02 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De vreemdeling die zijn invrijheidstelling vraagt nadat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer die het buitenlands bevel tot aanhouding uitvoerbaar heeft verklaard, kan de kamer van inbeschuldigingstelling verzoeken de wettigheid te beoordelen van zijn vrijheidsberoving die voortvloeit uit die exequaturbeslissing en hij kan daarbij aanvoeren dat het uitleveringsverzoek geen vrijheidsberoving toelaat; de kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt daarover zonder dat dit rechtscollege door dat oordeel is gebonden wanneer het vervolgens uitspraak moet doen over het hoger beroep tegen de exequaturbeslissing zelf
(1)Zie Cass. 16 september 2025, AR P.25.1198.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.16; Cass. 9 september 2025, AR P.25.1218.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.24; Cass. 27 februari 2024, AR P.24.0235.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17; Zie S. DEWULF, Handboek uitleveringsrecht, Intersentia, 2013, p. 120-
- Thesaurus CAS: UITLEVERING INTERNATIONALE RECHTSHULP ONDERZOEKSGERECHTEN Fiches 4 - 6 Uit de tekst en de samenhang van artikel 1.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, artikel 2, § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel en de artikel 37, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel, welke artikel dezelfde draagwijdte heeft als artikel 27.2 en 27.4 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, volgt dat het in artikel 37, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel uitgedrukte specialiteitsbeginsel enkel betrekking heeft op de vervolging van een overgeleverde verdachte of de uitvoering van de vrijheidsbeneming van een overgeleverde veroordeelde in de uitvaardigende lidstaat; die bepalingen hebben geen betrekking op de verdere overlevering of uitlevering van de overgeleverde persoon door de uitvaardigende lidstaat. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1.1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27.2 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 2, § 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1.1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27.2 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 2, § 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 1.1 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27.2 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 2, § 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 7 - 9 Uit de tekst van artikel 38, § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat dezelfde draagwijdte heeft als artikel 28.4 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, volgt dat bij een uitleveringsverzoek door een derde Staat aan de uitvaardigende lidstaat wegens strafbare feiten door een persoon die aan zijn met toepassing van het specialiteitsbeginsel uitgevoerde overlevering zijn voorafgegaan, de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat enkel de voorafgaande toestemming moet verlenen voor de uitlevering van de overgeleverde persoon; uit die bepaling kan niet worden afgeleid dat die toestemming ook reeds voorafgaand aan de aanhouding van de overgeleverde persoon op grond van de artikelen 3 of 5 Uitleveringswet 1874 is vereist. Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 28.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 38, § 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 28.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 38, § 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 28.4 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 38, § 3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5 - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1214.N M. C., vreemdeling, persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, eiser, aangehouden, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van eisers appelconclusie doordat het meermaals ervan uitgaat dat zijn verweer de overlevering aan Albanië betreft, daar waar die akte verweer bevat betreffende de uitlevering aan Albanië.
- Uit het arrest blijkt niet dat de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van eisers appelconclusie enige impact heeft gehad op de beoordeling door de appelrechters van zijn daarin aangevoerde verweer. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM, artikel 47, eerste lid, Handvest Grondrechten EU, de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel) en de artikelen 37 en 38 Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat de toepassing van het specialiteitsbeginsel bij een Europees aanhoudingsbevel niet vereist dat de uitvoerende lidstaat toestemming verleent voor de voorlopige aanhouding in het kader van een uitleveringsverzoek wegens andere feiten door een derde land, verantwoordt het arrest niet naar recht de beslissing om eisers aanhouding met het oog op uitlevering wettig te verklaren; de bescherming van het specialiteitsbeginsel bij een overlevering geldt niet enkel voor een aanhouding in het kader van een nieuwe vervolging in de uitvaardigende lidstaat, maar ook voor een aanhouding in het kader van een navolgend uitleveringsverzoek dat aan die lidstaat is gericht; de toepassing van het specialiteitsbeginsel verhindert dan ook de vrijheidsberoving van de eiser met het oog op uitlevering aan Albanië wegens feiten die zich aldaar voordeden vóór zijn overlevering door Italië wegens andere feiten in België zonder dat Italië daarvoor voorafgaande toestemming heeft verleend.
- De vreemdeling die zijn invrijheidstelling vraagt nadat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer die het buitenlands bevel tot aanhouding uitvoerbaar heeft verklaard, kan de kamer van inbeschuldigingstelling verzoeken de wettigheid te beoordelen van zijn vrijheidsberoving die voortvloeit uit die exequaturbeslissing. Hij kan daarbij aanvoeren dat het uitleveringsverzoek geen vrijheidsberoving toelaat. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt daarover zonder dat dit rechtscollege door dat oordeel is gebonden wanneer het vervolgens uitspraak moet doen over het hoger beroep tegen de exequaturbeslissing zelf.
- Volgens artikel 1.1 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en artikel 2, § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel is het Europees aanhoudingsbevel een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon gezocht met het oog op de instelling van strafvervolging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel.
- Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Een persoon overgeleverd op grond van een Europees Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft.” Artikel 37, § 2, tweede lid, van dezelfde wet bepaalt dat, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, “ingeval de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of het gerecht de overgeleverde persoon naargelang van het geval wenst te vervolgen, te veroordelen of van zijn vrijheid wenst te benemen wegens een ander, voor de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft, aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een verzoek tot toestemming moet worden gericht.”
- Artikel 37, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel heeft dezelfde draagwijdte als artikel 27.2 en 27.4 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel. Artikel 27 van dat kaderbesluit draagt het opschrift “Eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten.”
- Uit de tekst en de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat het in artikel 37, § 1 en § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel uitgedrukte specialiteitsbeginsel enkel betrekking heeft op de vervolging van een overgeleverde verdachte of de uitvoering van de vrijheidsbeneming van een overgeleverde veroordeelde in de uitvaardigende lidstaat. Die bepalingen hebben geen betrekking op de verdere overlevering of uitlevering van de overgeleverde persoon door de uitvaardigende lidstaat.
- Artikel 38, § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Een persoon die aan België is overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel kan niet aan een derde Staat worden uitgeleverd zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de betrokken persoon heeft overgeleverd.”
- Artikel 38, § 3, Wet Europees Aanhoudingsbevel heeft dezelfde draagwijdte als artikel 28.4 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel. Artikel 28 van dat kaderbesluit draagt het opschrift “Verdere overlevering of uitlevering.”
- Uit de tekst van die bepaling volgt dat bij een uitleveringsverzoek door een derde Staat aan de uitvaardigende lidstaat wegens strafbare feiten door een persoon die aan zijn met toepassing van het specialiteitsbeginsel uitgevoerde overlevering zijn voorafgegaan, de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat enkel de voorafgaande toestemming moet verlenen voor de uitlevering van de overgeleverde persoon. Uit die bepaling kan niet worden afgeleid dat die toestemming ook reeds voorafgaand aan de aanhouding van de overgeleverde persoon op grond van de artikelen 3 of 5 Uitleveringswet 1874 is vereist.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest dat in de voormelde zin oordeelt en beslist dat de eiser met het oog op zijn uitlevering aan Albanië van zijn vrijheid kon worden beroofd zonder voorafgaande toestemming daartoe van Italië, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.15 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240227.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250909.2N.24 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250916.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div