id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.2 Rolnummer: P.25.0725.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS TURNHOUT contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-10-02 Raadplegingen: 479 - laatst gezien 2026-06-16 18:24 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit artikel 65/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet, dat bepaalt dat het bevel tot betalen per aangetekende brief, per gerechtsbrief of overeenkomstig artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek wordt verstuurd aan de overtreder, volgt dat indien hij tegen wie een bevel tot betalen werd uitgevaardigd die verzending betwist, het openbaar ministerie moet aantonen dat aan deze vormvereiste is voldaan; noch het gegeven dat volgens artikel 65/1, § 1, vierde lid, Wegverkeerswet het bevel wordt geacht te zijn ontvangen de tiende werkdag na de dagtekening van het bevel tot betalen noch de in artikel 65/1, § 8, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalde mogelijkheid van een extra beroepstermijn van vijftien dagen indien de overtreder kan aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bepaalde termijn om beroep in te dienen, doen daaraan afbreuk. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 4 - 5 De bijzondere bewijswaarde die artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet aan de in dit artikel bedoelde processen-verbaal hecht, strekt zich uit tot de zintuigelijke vaststellingen die door de verbalisanten persoonlijk zijn gedaan op het ogenblik van de overtreding of kort nadien betreffende de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden; die bijzondere bewijswaarde geldt niet voor door de verbalisant op basis van zijn vaststellingen gemaakte afleidingen
(1).
(1)Zie Cass. 7 februari 2023, AR P.22.1400.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.10; Cass. 27 maart 2019, AR P.18.1191.F, AC 2019, nr. 187, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190327.1; Cass. 17 oktober 2017, AR P.16.1272.N, AC 2017, nr. 567, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.4; Cass. 28 oktober 2014, AR P.13.0595.N, AC 2014, nr. 639 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141028.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Tekst van de beslissing Nr. P.25.0725.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ANTWERPEN, afdeling Turnhout, eiser, tegen B. S., persoon tegen wie een bevel tot betalen werd uitgevaardigd, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 10 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 65/1, § 8, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat aangezien het openbaar ministerie niet bewijst wanneer het bevel tot betaling is verzonden het beroep tijdig en ontvankelijk is; aldus keert het bestreden vonnis de bewijslast om; de bewoordingen van artikel 65/1, § 8, Wegverkeerswet, namelijk dat “de overtreder moet aantonen dat”, zijn duidelijk, zodat de bewijslast bij de overtreder ligt; hij moet aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen om binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn beroep in te dienen.
- Artikel 65/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet bepaalt dat het bevel tot betalen per aangetekende brief, per gerechtsbrief of overeenkomstig artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek wordt verstuurd aan de overtreder.
- Uit die bepaling volgt dat indien hij tegen wie een bevel tot betalen werd uitgevaardigd die verzending betwist, het openbaar ministerie moet aantonen dat aan deze vormvereiste is voldaan. Noch het gegeven dat volgens artikel 65/1, § 1, vierde lid, Wegverkeerswet het bevel wordt geacht te zijn ontvangen de tiende werkdag na de dagtekening van het bevel tot betalen noch de in artikel 65/1, § 8, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalde mogelijkheid van een extra beroepstermijn van vijftien dagen indien de overtreder kan aantonen dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bepaalde termijn om beroep in te dienen, doen daaraan afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat niet is aangetoond dat het bevel tot betalen werd verzonden op één van de in artikel 65/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet bedoelde wijzen, zodat moet worden aangenomen dat het beroep tijdig is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis legt de bewijslast voor de correcte verzending van het bevel tot betalen bij de eiser, maar het laat na de eiser de kans te geven de stukken waaruit een correcte kennisgeving aan de verweerder blijkt alsnog te voegen; het bewijs van aangetekende zending is voorhanden en kon nog aan het dossier worden gevoegd.
- De beslissing van de eerste rechter over de tijdigheid van het beroep van de verweerder is gesteund op het niet-bewezen zijn van een verzending van het bevel tot betalen. Dit gegeven was dus in het debat en de eiser kon derhalve voor het appelgerecht alle stukken overleggen die het bewijs opleverden van die verzending. Het middel dat aanvoert dat eisers recht is miskend omdat hem niet de gelegenheid werd geboden relevante stukken te voegen, mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 62 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis miskent de bijzondere bewijswaarde van het aanvankelijk proces-verbaal; niet enkel de vaststelling in het proces-verbaal dat er een enorme rookontwikkeling was, maar ook dat deze hinderlijk was, heeft bijzondere bewijswaarde; het bestreden vonnis kan dan ook niet oordelen dat er twijfel bestaat over de ernst en de aard van de zogenaamde rookontwikkeling.
- Volgens artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet hebben de processen-verbaal van overtredingen die zijn opgesteld door overheidspersonen die door de Koning zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan bewijswaarde tot het tegendeel bewezen is.
- Deze bijzondere bewijswaarde strekt zich uit tot de zintuigelijke vaststellingen die door de verbalisanten persoonlijk zijn gedaan op het ogenblik van de overtreding of kort nadien betreffende de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden. Die bijzondere bewijswaarde geldt niet voor door de verbalisant op basis van zijn vaststellingen gemaakte afleidingen.
- De zintuiglijke vaststelling door een verbalisant van een enorme rookontwikkeling afkomstig van een voertuig geniet bijzondere bewijswaarde bij toepassing van artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet. Het oordeel dat die rookontwikkeling het wegverkeer hindert of onveilig maakt in de zin van artikel 7.3 Wegverkeersreglement is evenwel een afleiding die niet die bijzondere bewijswaarde geniet.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het bestreden vonnis (p. 5, punt 3.2) bevat, geeft het te kennen dat het oordeel van de verbalisant over het hinderlijk of gevaarlijk karakter van de rookontwikkeling geen bijzondere bewijswaarde geniet. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 23,10 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141028.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171017.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190327.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div