← België

PATRIVER

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 6

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Besluit van de Vlaamse Regering 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 - 16-05-2014 - Art. 6.1.1, 1° tem 4° - 42 ELI link Pub nr 2014036539 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 6

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Besluit van de Vlaamse Regering 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 - 16-05-2014 - Art. 6.1.1, 1° tem 4° - 42 ELI link Pub nr 2014036539 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 6

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Besluit van de Vlaamse Regering 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 - 16-05-2014 - Art. 6.1.1, 1° tem 4° - 42 ELI link Pub nr 2014036539 Fiche 4 Uit artikel 11.4.1, § 1 en § 2, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed volgt dat het integrale herstel van de door het bewezenverklaarde misdrijf veroorzaakte schade in de regel bestaat uit het feitelijke herstel van het beschermde goed in een originele, goede staat en, ingeval van een geheel of gedeeltelijke vernietiging, van een gehele of gedeeltelijke reconstructie van dat goed; het integrale herstel beperkt zich aldus niet noodzakelijk tot een herstel in de staat van het beschermde goed bij het begin van de ten laste gelegde incriminatieperiode en de vaststelling dat het gebrekkige onderhoud dat uiteindelijk heeft geleid tot de geheel of gedeeltelijke vernietiging van het beschermde goed reeds voor de bewezenverklaarde incriminatieperiode was gestart, doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Fiches 5 - 8 De rechter moet overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet nagaan of de vordering van de herstelvorderende overheid op grond van artikel 11.4.1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed uitsluitend met het oog op de bescherming van de erfgoedwaarden is genomen en hij moet een vordering die is gesteund op motieven die vreemd zijn aan de bescherming van de erfgoedwaarden of op een opvatting daarvan die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten

(1).
(1)Zie Cass.7 juni 2016, AR P.15.0135.N, AC 2016, nr. 377, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.1 Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 159 Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 159 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Fiches 9 - 10 Wanneer de wettigheid van de herstelvordering wordt aangevochten, moet de rechter in het bijzonder nagaan of die vordering niet kennelijk onredelijk is, meer bepaald of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel tot bescherming van de erfgoedwaarden opweegt tegen de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit; het gevorderde herstel moet evenredig zijn aan de in concreto vastgestelde aantasting van de erfgoedwaarden en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt; de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een gevorderde herstelmaatregel kennelijk onredelijk is en het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Zie Cass.7 juni 2016, AR P.15.0135.N, AC 2016, nr. 377, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.1 Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Fiches 11 - 12 De vaststelling dat het integrale herstel, zoals bedoeld in artikel 11.4.1, § 1 en § 2, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed een “straf” is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de herstelvordering binnen een redelijke termijn, maar deze vaststelling heeft niet tot gevolg dat de herstelmaatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is; de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het milderen van de straf of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring, zijn dan ook niet erop van toepassing. Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Fiches 13 - 14 Bij de straftoemeting in de zin van het Strafwetboek vormen de ernst van het bewezenverklaarde misdrijf en de schuld van de beklaagde de grond waarop de rechter binnen de door de wet gestelde perken de strafmaat en de soort straf bepaalt en binnen die beleidsruimte is er plaats voor mildering wegens de onzekerheid die de betrokkene door de langdurige vervolging heeft moeten doorstaan maar daarentegen biedt de noodzaak om het onroerend erfgoed te beschermen en waar nodig te herstellen, wegens de aard zelf van de herstelvordering die ertoe strekt de gevolgen van het misdrijf ongedaan te maken, geen ruimte tot mildering om redenen die enkel de persoonlijkheid van de dader betreffen en onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de wet

(1).
(1)Zie Cass. 25 januari 2011, AR P.10.0369.N, AC 2011, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.4. Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Fiches 15 - 17 Teneinde te voldoen aan de artikelen 6.1 en 13 EVRM kan de strafrechter, binnen de bevoegdheden die artikel 11.4.1, § 1 en § 2, Onroerenderfgoeddecreet hem toekent, en onverminderd de door hem te verrichten legaliteitstoets krachtens artikel 159 Grondwet, zich ertoe beperken als passend herstel enkel de overschrijding van de redelijke termijn op authentieke wijze vast te stellen

(1).
(1)Zie Cass. 25 januari 2011, AR P.10.0369.N, AC 2011, nr. 69, ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.4 Thesaurus CAS: MONUMENTEN EN LANDSCHAPPEN (BEHOUD VAN) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11

.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Decreet 12 juli 2013 betreffende het

Art. 11.4.1, §§ 1 en 2 - 44 ELI link Pub nr 2013035861 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1378.N I PATRIVER nv, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Koningin Fabiolalaan 9, bus 4, ON 0432.902.783, beklaagde, eiseres, met als raadsman, mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. II

  1. N. D.,
  2. D. D.,
  3. S. D., tussenkomende partijen, eisers, allen met als raadsman mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 september
  4. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan en zij nemen de middelen die door de eiseres I in haar memorie omtrent de herstelvordering worden aangevoerd over. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiseres I Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters vatten zichzelf voor feiten die de akte van aanhangigmaking niet heeft bedoeld door op pagina’s 9 en 10 van het arrest ten onrechte aan te nemen dat de telastlegging A ook handelingen, of een gebrek daaraan, omvat na het instorten van de schuur en dus in de periode van 14 januari 2019 tot 23 november 2021; bovendien houden de appelrechters ten onrechte ook rekening met handelingen, of een gebrek daaraan, die aan de incriminatieperiode voorafgingen, met name in de periode tussen de aanvang van de bescherming in 1987 en 1 januari 2015; volgens de appelrechters wijzen de woorden “meer bepaald” in de omschrijving van de telastlegging A immers op een illustratie die de tekortkomingen niet beperkt tot enkel de feitelijke gedragingen die in deze telastlegging zijn opgenomen; in hun gebruikelijke betekenis verengen de woorden “meer bepaald” echter wat erop volgt, aangezien ermee wordt bedoeld “om preciezer te zijn” of “in het bijzonder” en zijn ze dus te onderscheiden van de woorden “onder meer”, wat wel wijst op een illustratie van wat eraan voorafgaat; de appelrechters mochten zich, gelet op de incriminatieperiode, aldus enkel uitspreken over de gedragingen omschreven als “niet de nodige werken te hebben uitgevoerd aan de schuur waardoor het dak volledig is ingestort en er nog slechts enkele delen van de gevels recht staan” tussen 1 januari 2015 en 13 januari 2019, zijnde het ogenblik waarop de schuur is ingestort.
  6. Artikel 6.4.1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed (hierna Onroerenderfgoeddecreet) verplicht de zakelijkrechthouders en gebruikers van een beschermd goed om het in goede staat te behouden door de nodige instandhoudings-, beveiligings-, beheers-, herstellings- en onderhoudswerken.
  7. Artikel 6.1.1, 1° tot en met 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 betreffende de uitvoering van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 (hierna Onroerenderfgoedbesluit) schrijft meer in het bijzonder voor dat de zakelijkrechthouder en de gebruiker van een beschermd goed verplicht zijn de instandhouding en het onderhoud ervan te verzekeren door: 1° het goed als een goede huisvader te beheren en de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen tegen schade ten gevolge van brand, blikseminslag, diefstal, vandalisme, wind of water, 2° de toestand van het goed regelmatig te controleren, 3° regulier onderhoud uit te oefenen en 4° onmiddellijk passende consolidatie- en beveiligingsmaatregelen te nemen in geval van nood.
  8. De niet-naleving van deze verplichtingen wordt strafbaar gesteld door artikel 11.2.2, eerste lid, 6°, Onroerenderfgoeddecreet.
  9. Dit misdrijf duurt voort tijdens de ganse periode dat niet de nodige instandhoudings-, beveiligings-, beheers-, herstellings- en onderhoudswerken worden uitgevoerd.
  10. Het is de rechter, die de incriminatieperiode van de telastlegging niet aanpast, niet verboden om bij de beoordeling van de bewezenverklaring van dit voortdurend misdrijf rekening te houden met feiten die volgens hem aantonen dat het beschermde goed reeds langere tijd en ook voorafgaand aan deze incriminatieperiode werd verwaarloosd.
  11. Voor het overige oordeelt de rechter onaantastbaar welke de feiten zijn die het voorwerp van de vervolging uitmaken en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag ligt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
  12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Het arrest verklaart de eiseres I schuldig aan de feiten van de telastlegging A, met verwijzing naar de verplichtingen van de artikelen 6.4.1 en 6.4.2 Onroerenderfgoeddecreet en artikel 6.1.1, 1° tot en met 4°, Onroerenderfgoedbesluit.
  14. Met de redenen voor deze schuldigverklaring, gegeven op pagina’s 8 tot en met 11 onder randnummer 4 van het arrest, oordelen de appelrechters niet over de bewezenverklaring van andere feiten, dan diegene die het voorwerp uitmaken van de vervolging en die aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggen.
  15. Met deze redenen kunnen zij ook wettig oordelen dat deze feiten tijdens de volledige incriminatieperiode niet enkel betrekking hebben op de omstandigheid dat niet de nodige werken werden uitgevoerd aan de schuur waardoor het dak volledig is ingestort en er nog slechts enkele delen van de gevels recht staan, maar ook dat, na deze instorting van het dak, niet de nodige herstellingswerken aan het beschermde goed werden uitgevoerd.
  16. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  17. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.4.1, 6.4.2 en 11.2.2, eerste lid, Onroerenderfgoeddecreet en artikel 6.1.1, 1° tot en met 4°, Onroerenderfgoedbesluit: deze bepalingen zijn alle in werking getreden op 1 januari 2015; de appelrechters hebben de eiseres I echter schuldig verklaard aan de feiten onder de telastlegging A op basis van de vaststelling dat het beschermde goed bouwvallig was op het ogenblik van de instorting van het dak ervan, zonder te onderzoeken of dat bouwvallig karakter niet al bestond op 1 januari 2015; zij hebben zelfs niet onderzocht wat de staat van het goed was bij de aanvang van de bescherming in 1987 maar enkel vastgesteld dat de schuur zich in 1981 in een betere staat bevond dan in 2013; minstens kan het Hof het vereiste wettigheidstoezicht niet uitoefenen, aangezien het arrest daarvoor niet de vereiste vaststellingen bevat.
  18. Het arrest (p. 9) stelt vast dat de erfgoedinspectie in een proces-verbaal van 1 december 2021 op basis van beeldmateriaal erop wijst dat de schuur zich in 1981 in een betere staat bevond dan in 2013, zodat blijkt dat de toestand van de schuur er sedert de bescherming is op achteruit gegaan, dat door foto’s van Google Streetview te vergelijken de onroerend erfgoedinspecteur vaststelde dat het dak in 2013 in slechtere staat was dan in 2009, dat in 2013 de nok meer doorbuigt en er pannen ontbreken en het dakdeel boven de lage poort doorzakt. Het arrest oordeelt verder dat uit de instorting van de schuur het gevolg kan worden getrokken dat deze intussen bouwvallig was geworden.
  19. Uit die vaststellingen, die het Hof toelaten om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, blijkt dat de appelrechters de evolutie van de staat van het goed sinds zijn bescherming wel degelijk hebben onderzocht, daarin begrepen de periode van het begin van de incriminatieperiode tot de instorting van de schuur.
  20. Met deze redenen geven de appelrechters ook te kennen dat het goed op het moment van zijn bescherming nog niet bouwvallig was maar het dit, gaandeweg, en ook tijdens de incriminatieperiode, door een gebrek aan onderhoud wel is geworden en is de beslissing tot schuldigverklaring aan de feiten onder de telastlegging A naar recht verantwoord.
  21. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 11.4.1 Onroerenderfgoeddecreet: de appelrechters veroordelen de eiseres I tot een volledige herbouw van de schuur; zij hebben echter niet onderzocht wat de staat was van het beschermde goed op 1 januari 2015 en of het goed op die datum al in een vervallen of bouwvallige staat verkeerde en evenmin hebben zij onderzocht wat de staat was van het goed bij de aanvang van de bescherming in 1987; indien de inbreuken waarop de herstelvordering is gegrond, zich op een latere datum situeren dan het ogenblik waarop aan het goed bescherming werd verleend, is de staat van het goed op de aanvang van de incriminatieperiode immers bepalend; de door het misdrijf veroorzaakte schade die moet worden hersteld is dan namelijk de verslechterde staat sedert het begin van de incriminatieperiode en tot het einde van die periode.
  23. Artikel 11.4.1, § 1 en § 2, Onroerenderfgoeddecreet bepaalt: “§ 1 Naast de straf beveelt de rechtbank op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed het integrale herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade. § 2 Het integrale herstel strekt primair tot het feitelijke herstel in een originele, goede staat. Als het beschermde goed, het erfgoedlandschap, de archeologische site, het archeologisch ensemble, het archeologisch artefact of het in een vastgestelde inventaris opgenomen onroerend goed ingevolge het misdrijf geheel of gedeeltelijk vernietigd is, wordt de gehele of gedeeltelijke reconstructie bevolen, zo nodig op een andere locatie, gebruikmakend van historisch verantwoorde technieken, materialen en beplantingen. In geval van gehele of gedeeltelijke reconstructie beveelt de rechtbank op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed de betaling van een aanvullende vergoeding voor de schade die niettegenstaande de gehele of gedeeltelijke reconstructie blijvend is opgelopen door het algemeen belang ingevolge de vernietiging van erfgoedwaarden. De vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed bevat een met redenen omklede begroting van de schade. De gehele of gedeeltelijke reconstructie, bedoeld in deze paragraaf, kan worden aangevuld met of zelfs vervangen worden door complementaire maatregelen, in de mate waarin deze dienstig zijn om het niveau van erfgoedwaarden, bestaande voor het plegen van het misdrijf, opnieuw te benaderen door de opwaardering van de resterende erfgoedwaarden.”
  24. Uit deze bepaling volgt dat het integrale herstel van de door het bewezenverklaarde misdrijf veroorzaakte schade in de regel bestaat uit het feitelijke herstel van het beschermde goed in een originele, goede staat en, ingeval van een geheel of gedeeltelijke vernietiging, van een gehele of gedeeltelijke reconstructie van dat goed.
  25. Het integrale herstel beperkt zich aldus niet noodzakelijk tot een herstel in de staat van het beschermde goed bij het begin van de ten laste gelegde incriminatieperiode. De vaststelling dat het gebrekkige onderhoud dat uiteindelijk heeft geleid tot de geheel of gedeeltelijke vernietiging van het beschermde goed reeds voor de bewezenverklaarde incriminatieperiode was gestart, doet hieraan geen afbreuk.
  26. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  27. Voor het overige is het middel afgeleid uit de vergeefs met het tweede middel aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. Middelen van de eisers II Eerste middel Eerste onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.64, tweede lid, 8.1, 4° en 5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het procesrechtelijk beschikkingsbeginsel en het algemeen rechtsbeginsel dat grenzen stelt aan de interpretatiearbeid en de feitelijke beoordelingsvrijheid van rechters: de appelrechters miskennen de bewijskracht van de synthese-appelconclusie van de eisers II door op pagina 15 van het arrest het volgende te overwegen: “Dat felle rukwinden mogelijk mee tot de instorting van het dak hebben geleid, belet niet dat de slechte toestand van het beschermde goed het gevolg was van de niet-naleving van het actiefbehoudsbeginsel. De enkele omstandigheden dat felle rukwinden mee aan de basis van de instorting zouden hebben gelegen, wat intussen door de partijen overigens niet meer wordt gesteld, belet niet dat de herstelvordering wordt opgelegd. Zoals hiervoor uiteengezet, behelst de niet-naleving van het actiefbehoudsbeginsel niet enkel de instorting van het dak van de schuur. Het is dus helemaal niet vereist dat uit te sluiten valt dat de schuur enkel door felle rukwinden is ingestort, zoals de [eisers II] voorheen aanvoerden.”
  29. In de met het onderdeel bekritiseerde redenen van het arrest verwijzen de appelrechters niet naar de synthese-appelconclusie van de eisers II, zodat zij de bewijskracht ervan niet kunnen schenden. Het onderdeel mist derhalve feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 11.4.1, § 1, Onroerenderfgoeddecreet, de artikelen 1315, 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het helemaal niet is vereist dat uit te sluiten valt dat de schuur enkel door felle rukwinden is ingestort; daarmee miskennen zij het vereiste oorzakelijk verband tussen het onroerenderfgoedmisdrijf en de schade die de herstelvordering beoogt ongedaan te maken; de herstelvordering kan immers maar worden toegestaan wanneer er zekerheid over bestaat dat de bewezenverklaarde inbreuken op de erfgoedwetgeving ook de schade hebben veroorzaakt die de herstelvordering beoogt ongedaan te maken.
  31. Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het derde middel van de eiseres I moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede middel Eerste onderdeel
  32. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden door de overweging dat de herstelvordering actueel is gericht op de heropbouw van de schuur zoals bepaald in een voorwaarde van de omgevingsvergunning die aan de nieuwe, huidige eigenaar werd verleend, niet het in appelconclusie door de eisers II opgeworpen middel dat de onroerend erfgoedinspecteur hier enkel een herstel kan vorderen in de toestand waarin de schuur op 1 januari 2015 verkeerde, wat hier niet zou kunnen aangezien deze toestand op die datum niet gekend is.
  33. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt.
  34. Het arrest (p. 14) stelt met verwijzing naar artikel 11.4.1 Onroerenderfgoeddecreet vast dat deze bepaling geen rangorde van herstelmaatregelen bevat en de onroerend erfgoedinspecteur een keuze van herstelmaatregelen toelaat. Het arrest (p. 15) stelt vervolgens vast dat de onroerend erfgoedinspecteur als herstelmaatregel voor de heropbouw van de schuur heeft gekozen en (p. 16) dat de herstelvordering actueel is gericht op de heropbouw van de schuur, zoals bepaald in een voorwaarde van de omgevingsvergunning die op verzoek van de nieuwe, huidige eigenaar werd verleend, zodat de argumentatie van de eisers II inzake de originele staat en welke dat dan wel is, geen verder antwoord behoeft. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het in de appelconclusie van de eisers II opgeworpen middel dat door de onroerend erfgoedinspecteur enkel en alleen een herstel kon worden gevorderd in de toestand waarin de schuur op 1 januari 2015 verkeerde, zonder dat het moest antwoorden op elk argument tot staving van dat middel, dat zelf geen afzonderlijk middel vormde. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  35. Het onderdeel voert schending aan van artikel 11.4.1 Onroerenderfgoeddecreet: de appelrechters konden niet wettig een herstel opleggen dat de heropbouw van de schuur gelast, zoals bepaald in de omgevingsvergunning die werd verleend aan de nieuwe eigenaar, aangezien artikel 11.4.1 Onroerenderfgoeddecreet enkel toeliet om een herstel van de schuur te vorderen in de toestand waarin deze op 1 januari 2015 verkeerde.
  36. Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het derde middel van de eiseres I moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Derde middel
  37. Het middel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 159 Grondwet en artikel 11.4.1 Onroerenderfgoeddecreet: de appelrechters oordelen onterecht dat er geen sprake kan zijn van een onredelijke herstelvordering door op pagina 16 van het arrest het volgende te overwegen: “Dat het Agentschap onroerend erfgoed sinds lang de reële toestand van de schuur kon opmerken en toch geen actie ondernam, maakt de herstelvordering niet onredelijk. Het actiefbehoudsbeginsel rust op de zakelijkrechthouders en gebruikers van een beschermd goed, niet op de overheid. Het is niet de overheid die tekortschoot in de naleving van het actiefbehoudsbeginsel. Het beweerde stilzitten van de overheid wijst helemaal niet op een gedogen of een goedkeuring van de toestand.”
  38. De rechter moet overeenkomstig artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 159 Grondwet nagaan of de vordering van de herstelvorderende overheid op grond van artikel 11.4.1 Onroerenderfgoeddecreet uitsluitend met het oog op de bescherming van de erfgoedwaarden is genomen. Hij moet een vordering die is gesteund op motieven die vreemd zijn aan de bescherming van de erfgoedwaarden of op een opvatting daarvan die kennelijk onredelijk is, zonder gevolg laten. Wanneer de wettigheid van de herstelvordering wordt aangevochten, moet de rechter in het bijzonder nagaan of die vordering niet kennelijk onredelijk is, meer bepaald of het voordeel van de gevorderde herstelmaatregel tot bescherming van de erfgoedwaarden opweegt tegen de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit. Het gevorderde herstel moet evenredig zijn aan de in concreto vastgestelde aantasting van de erfgoedwaarden en de maatregel moet redelijk blijven in vergelijking tot de last die hij voor de betrokkene meebrengt.
  39. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een gevorderde herstelmaatregel kennelijk onredelijk is. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  40. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  41. Het arrest (p. 13-16) oordeelt in verband met de kennelijke onredelijkheid van de herstelvordering zoals aangevoerd in het middel maar ook nog met volgende redenen: - in het bericht van 21 mei 2024 stelt de onroerend erfgoedinspecteur “[…] Het erfgoed op de site bevindt zich in een slechte toestand. Om het dreigende verval tegen te gaan, en dus bijgevolg snel werk te maken van de restauratiewerken, werd in de vergunning onder meer de volgende voorwaarde opgenomen: «De vergunning wordt in één fase uitgevoerd in de zin van (artikel) 80 van het Omgevingsvergunningsdecreet, maar in de volgende volgorde: (i) herbouw schuur, (ii) restauratie hoeve en (iii) bouw woning. De restauratie van de hoeve en de bouw van de woning kunnen tegelijk worden uitgevoerd»”; - de onroerend erfgoedinspecteur kiest dus als herstelmaatregel voor de herbouw van de schuur; - in de omgevingsvergunning zijn voor de herbouw van de schuur, de erfgoedwaarden afgetoetst; - het Agentschap onroerend erfgoed verleende ook positief advies; - door de herbouw van de schuur als herstelmaatregel over te nemen en uitdrukkelijk te verwijzen naar de omgevingsvergunning, heeft de onroerend erfgoedinspecteur zich ook de motieven hierover eigen gemaakt; - de eiseres I, haar rechtsopvolgers en de eisers II erkennen in hun conclusies dat de omgevingsvergunning duidelijke plannen bevat, die gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd, die gunstig werden geadviseerd door het Agentschap onroerend erfgoed en dat aldus de erfgoedwaarde is gewaarborgd; - dit, samen gelezen met de inhoud van de omgevingsvergunning, vormt een concrete motivering van de herstelvordering, die nu beperkt is tot de herbouw van de schuur; - de herstelvordering, die spoort met de omgevingsvergunning, is wettig en is redelijk; - dat het Agentschap onroerend erfgoed “strenger” zou zijn voor de schuur dan voor een ander, volgens de eisers II, meer beeldbepalend gebouw, dat in de onmiddellijke nabijheid ligt, is zonder relevantie voor de beoordeling van deze herstelvordering; - het belet alleszins niet de toekenning van de herstelvordering, noch brengt het mee dat de herstelvordering kennelijk onredelijk zou zijn.
  42. Met deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat de herstelvordering niet kennelijk onredelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
  43. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters antwoorden niet op het in appelconclusie door de eisers II opgeworpen middel dat de herstelvordering verplicht en objectiveerbaar moet worden herleid wegens overschrijding van de redelijke termijn.
  44. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een vormvoorschrift waaruit volgt dat aan de verplichting is voldaan indien een verweer wordt beantwoord, ongeacht de kwaliteit van dit antwoord.
  45. Het arrest (p. 16) oordeelt dat het overschrijden van de redelijke termijn in strafzaken niet tot gevolg heeft dat de herstelvordering niet meer zou kunnen worden opgelegd en dat dit nog meer geldt aangezien de herstelvordering volledig spoort met de verleende omgevingsvergunning en de vaststelling dat er sprake is van dreigend verder verval van het onroerend goed. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het in de appelconclusie van de eisers II opgeworpen middel over de overschrijding van de redelijke termijn en de gevolgen daarvan op de gevorderde herstelmaatregel. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: de appelrechters waren verplicht om de herstelvordering op een objectieve wijze te herleiden.
  47. De vaststelling dat het integrale herstel, zoals bedoeld in artikel 11.4.1, § 1 en § 2, Onroerenderfgoeddecreet, een “straf” is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de herstelvordering binnen een redelijke termijn.
  48. Deze vaststelling heeft niet tot gevolg dat de herstelmaatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is. De algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het milderen van de straf of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring, zijn dan ook niet erop van toepassing.
  49. Bij de straftoemeting in de zin van het Strafwetboek vormen de ernst van het bewezenverklaarde misdrijf en de schuld van de beklaagde de grond waarop de rechter binnen de door de wet gestelde perken de strafmaat en de soort straf bepaalt. Binnen die beleidsruimte is er plaats voor mildering wegens de onzekerheid die de betrokkene door de langdurige vervolging heeft moeten doorstaan.
  50. Daarentegen biedt de noodzaak om het onroerend erfgoed te beschermen en waar nodig te herstellen, wegens de aard zelf van de herstelvordering die ertoe strekt de gevolgen van het misdrijf ongedaan te maken, geen ruimte tot mildering om redenen die enkel de persoonlijkheid van de dader betreffen en onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de wet.
  51. Teneinde te voldoen aan de artikelen 6.1 en 13 EVRM kan de strafrechter, binnen de bevoegdheden die artikel 11.4.1, § 1 en § 2, Onroerenderfgoeddecreet hem toekent, en onverminderd de door hem te verrichten legaliteitstoets krachtens artikel 159 Grondwet, zich ertoe beperken als passend herstel enkel de overschrijding van de redelijke termijn op authentieke wijze vast te stellen.
  52. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  53. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseres I en de eisers II tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 148,91 euro, waarvan de eiseres I 76,20 euro is verschuldigd en de eisers II 37,71 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110125.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.