← België

B. contra Rijksdienst voor Sociale Zekerheid

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 90s

exies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

exies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

exies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

exies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90septies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: COMMUNICATIE.

TELECOMMUNICATIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

exies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 14 - 15 Artikel 90septies Wetboek van Strafvordering (oud) vereist niet dat uit de bestandsnamen van de bestanden met de opgenomen gesprekken valt af te leiden op welke datum de gesprekken plaatsvonden en van welk telefoonnummer ze afkomstig zijn. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90septies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: COMMUNICATIE.

TELECOMMUNICATIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 16 - 19 Artikel 90sexies Wetboek van Strafvordering (oud) vereist niet dat, wanneer relevant verklaarde gesprekken zijn gevoerd in een andere taal dan deze van de rechtspleging, het strafdossier zowel een overschrijving van die gesprekken in de gevoerde taal bevat als een vertaling van die overschrijving in de taal van de rechtspleging want die gesprekken kunnen immers ook rechtstreeks worden vertaald in de taal van de rechtspleging en in die taal worden overgeschreven zodat enkel vereist is dat de partijen aan de hand van de originele opnames de juistheid en de betrouwbaarheid van de vertaling kunnen nagaan en daarover verweer kunnen voeren; op die wijze zijn het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging afdoende gewaarborgd

(1).
(1)Cass. 29 november 2016, AR P.16.0908.N, AC 2016, nr. 684, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.6; Cass. 9 december 2014, AR P.13.0756.N, AC 2014, nr. 768, ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141209.5. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

exies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90s

exies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90sexies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: COMMUNICATIE.

TELECOMMUNICATIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 90sexies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0467.N I Y. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Michael Verstraeten, advocaat bij de balie Gent, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, ON 0206.731.645, burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. II M. Ç., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van de Wal, advocaat bij de balie Antwerpen. III

  1. S. Ö., beklaagde,
  2. F. Ö., beklaagde,
  3. N. Ö., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Nathalie Brys, advocaat bij de balie Gent, het cassatieberoep III.1 tegen
  4. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, reeds vermeld, burgerlijke partij, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest,
  5. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de adviseur-generaal van de AABBI Gewestelijke directie Gent, met zetel te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 1, ON 0308.357.159, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Philip Pels, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Twaalfkameren 17, waar de verweerder woonplaats kiest. verweerders. IV K. O., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Katrien Van Der Straeten, advocaat bij de balie Dendermonde. V B. Ö., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie Gent, tegen RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, derde kamer, van 7 februari
  6. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een grief aan. De eisers III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers IV en V voeren geen middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  7. Het arrest veroordeelt de eisers I en III.1 tot betaling aan de verweerder I en III.1 van een provisionele schadevergoeding en het houdt de beslissing over de interesten en de rechtsplegingsvergoeding aan. Dit is geen eindbeslissing als bedoeld in artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, noch een beslissing als bedoeld in artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vorderingen van de verweerder I en III.1, zijn de cassatieberoepen van de eisers I en III.1 niet ontvankelijk.
  8. Het arrest is wat betreft de eiser II bij verstek gewezen. Zijn cassatieberoep, ingesteld tijdens de gewone termijn van verzet, is overeenkomstig artikel 424 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser V zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder V, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerder V, is het cassatieberoep van de eiser V niet ontvankelijk.
  10. De memorie van de eiser II, die geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep II, behoeft geen antwoord. Middelen van de eiser I Eerste middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 163, 189 en 195 Wetboek van Strafvordering: met betrekking tot de witwasmisdrijven (telastleggingen D en E) oordeelt het arrest dat de incriminatieperiode kan doorlopen na het faillissement van Y&S bv, dit is na 3 december 2012, aangezien er gelden vóór deze datum heen en weer werden verschoven en daarna opnieuw het voorwerp zijn geworden van een witwashandeling, wat na het faillissement van Y&S bv kan zijn gebeurd; het arrest verwijst daarbij naar verdere redenen, maar daarin worden uitsluitend feiten en handelingen vermeld die betrekking hebben op de activiteiten in het kader van Y&S bv en dus niet op de periode na het faillissement van deze vennootschap; het arrest kan niet wettig oordelen dat de feiten van witwassen en deelname aan beslissingen van een criminele organisatie (telastlegging B) bewezen zijn ook na het faillissement van Y&S bv omdat er een witwashandeling na het faillissement “kan zijn gebeurd”; het gevolg van het niet bewezen zijn van deze misdrijven na 3 december 2012 is meteen ook dat de feiten verjaard zijn.
  12. Met de reden dat er nog een witwashandeling “ná het faillissement van Y&S [bv] kan zijn gebeurd”, oordeelt het arrest (nr. 311, p. 187-188) niet dat het onzeker is of deze handeling effectief nog heeft plaatsgevonden na dit faillissement, maar wel dat dit faillissement niet noodzakelijk het einde hoeft te zijn van de witwashandelingen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  13. In geval van voortdurende misdrijven begint de verjaringstermijn van de strafvordering pas te lopen vanaf het ogenblik waarop de strafbaar gestelde gedraging een einde heeft genomen.
  14. Het witwasmisdrijf bepaald in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek is een voortdurend misdrijf. Dat misdrijf ontstaat bij de handeling of de onthouding waarmee de dader met de vereiste kennis van zaken de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de wederrechtelijke vermogensvoordelen verheelt of verhult en blijft voortduren zolang de dader die gegevens verheelt of verhult, dit wil zeggen zolang hij bewust de door hemzelf gecreëerde wederrechtelijke toestand ononderbroken laat voortduren, zonder dat daarvoor nog enige verdere gedraging van zijnentwege is vereist.
  15. Het arrest (nr. 347, p. 209-210) oordeelt, met redenen die de eiser I niet allemaal in zijn kritiek betrekt, dat het strafdossier het bestaan aantoont van een fictieve constructie waarbij de gelden die de vennootschappen ontvingen van de opdrachtgevers werden doorgesluisd naar vennootschappen die fungeerden als onderaannemers, maar die in werkelijkheid werden geleid door dezelfde personen, en soms nog eens doorgingen naar een vennootschap die zogenaamd werkte als onder-onderaannemer. Het (nr. 311, p. 188) oordeelt in dat kader onder meer als volgt: “Reeds in de eerste fase van deze constructie, namelijk de overschrijvingen van gelden van de ene vennootschap naar de andere, is er sprake van een witwashandeling die bestaat in het overdragen van illegale vermogensvoordelen en dus het verhullen van de oorsprong ervan. Er werd gebruik gemaakt van een kluwen van vennootschappen en geldtransfers heen en weer, met zeer vaag omschreven facturen als grondslag voor de overschrijvingen, met de bedoeling om de herkomst van de gelden te verdoezelen. Ook in de volgende fase van de constructie, waar cash geld werd afgehaald van de vennootschapsrekeningen dat niet (volledig) bestemd was voor de betaling van facturen of loon, werd giraal geld omgezet in chartaal geld dat vervolgens werd overgedragen. Het cashgeld werd daarna (minstens gedeeltelijk) fysiek getransfereerd naar Turkije, al dan niet via Duitsland. Tot slot kwam minstens een deel van deze gelden terug naar België, onder meer via overschrijvingen vanuit Turkije. Het komt derhalve vast te staan dat elkeen die in één van deze fasen wetens en willens gelden overschreef, afhaalde of transfereerde zich schuldig maakte aan een witwashandeling.”
  16. Het misdrijf van deelname aan het nemen van beslissingen in het raam van de activiteiten van de criminele organisatie is eveneens een voortdurend misdrijf, dat blijft voortduren totdat de strafbare betrokkenheid bij de criminele organisatie een einde heeft genomen.
  17. Het arrest (p. 10, eerste streepje, nr. 348, p. 210) leidt uit een geheel van zelfstandige redenen af dat de eiser I gedurende de volledige incriminatieperiode op de in de telastlegging B bedoelde wijze betrokken is gebleven bij de criminele organisatie, zonder dat het faillissement van de Y&S bv van 3 december 2012 hieraan een einde heeft gesteld.
  18. Met het geheel van de vermelde redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing waarbij het de eiser I schuldig verklaart aan de vermengde feiten van de telastleggingen B, D en E, met inbegrip van de incriminatieperiodes gesitueerd na de datum van het faillissement van Y&S bv op 3 december
  19. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  20. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de feiten van de telastleggingen verjaard zijn, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het middel van de eiser I dat hij na het faillissement van Y&S bv geen handelingen meer heeft gesteld die kunnen worden gekwalificeerd als een van de misdrijven waarvoor hij wordt vervolgd.
  22. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  23. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel geeft het arrest te kennen dat de datum van het faillissement van Y&S bv geen invloed heeft op de incriminatieperiodes van de telastleggingen. Bijgevolg moet het arrest het doelloze verweer van de eiser I hierover niet beantwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de verplichting om de medewerkers van Y&S bv al dan niet aan te melden in het Dimona-systeem kon alleen bestaan indien zij tewerkgesteld zouden zijn geweest in een statuut van werknemer; om daartoe te besluiten, diende voor het vaststellen van het bestaan van een overeenkomst toepassing te worden gemaakt van het burgerlijk recht; het arrest sluit de toepassing van de regels van het burgerlijk recht, in casu het sociaal recht, uit voor wat betreft de vraag of de rechter de kwalificatie die de partijen aan de overeenkomst hebben gegeven al dan niet kan wijzigen; ook gedraagt de strafrechter zich niet naar de regels van het burgerlijk recht bij zijn uitlegging van het begrip werkgever, aangestelde en lasthebber.
  25. Op grond van de autonomie van het strafrecht mag de strafrechter bij de interpretatie en de toepassing van strafbepalingen aan begrippen uit andere rechtstakken een betekenis geven die afwijkt van de betekenis die geldt in de rechtstak waaruit het begrip afkomstig is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Bepalingen uit de sociale wetten of uit het sociaal strafrecht die bepalen wat strafbaar is en wie strafbaar is, zijn strafbepalingen. De bepalingen in de sociale wetten die de wettelijke verplichtingen van de werkgevers omschrijven zijn daarentegen geen strafbepalingen, zodat de strafrechter aan die bepalingen en de begrippen die ze bevatten geen eigen betekenis kan geven, maar voor de uitlegging ervan integendeel toepassing moet maken van sociaalrechtelijke bepalingen en van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.
  27. Om te bepalen of een inbreuk werd gepleegd op een sociaalrechtelijke verplichting die het bestaan van een arbeidsovereenkomst en de hoedanigheid van werknemer vereist, moet de rechter het bewijs van het bestaan van die overeenkomst beoordelen overeenkomstig de regels van het sociaal recht.
  28. Het arrest (nr. 172-187, p. 145-151 en nr. 193-202, p. 152-156) past bij de beoordeling van de vraag of de kwalificatie die de partijen aan de overeenkomst hebben gegeven al dan niet kan wijzigen, de regels van het sociaal recht toe. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
  29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het middel van de eiser I dat de autonomie van het strafrecht niet zover kan gaan dat zij de toepassing van andere rechtstakken geheel buiten beschouwing laat.
  30. Met de redenen die het arrest (nr. 150-154, p. 138-140, nr. 162-170, p. 142-144, nr. 172-187, p. 145-151 en nr. 193-202, p. 152-156) vermeldt, maakt het duidelijk dat het de toepassing van andere rechtstakken niet geheel buiten beschouwing laat. Aldus beantwoordt het arrest eisers vermelde verweer. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM: het arrest houdt de regels van het Belgisch sociaal recht, waaraan de eiser I zich heeft geconformeerd en waarnaar hij zich heeft gedragen, buiten toepassing en oordeelt op grond van de autonomie van het strafrecht dat sociaalrechtelijke regels niet werden nageleefd, zonder de begrippen van het sociaal recht of zelfs de sociaalrechtelijke voorschriften toe te passen; de eiser I heeft de sociaalrechtelijke bepalingen die in het leven zijn geroepen met het oog op de strijd tegen de schijnzelfstandigheid nageleefd om binnen de contouren van de wet te handelen, maar het hof van beroep past deze criteria niet toe; de rechtspraak van het hof van beroep is ook niet consistent over wie de arbeidsrelatie met de werknemer heeft en wie dus de Dimona-aangifte moet doen; de ene keer wordt gezegd dat het de gebruiker is die de gezagsverhouding uitoefent en dus de verplichting heeft de Dimona-aangifte te doen, maar de andere keer is de tussenpersoon degene die de verplichting heeft om als werkgever in te staan voor de Dimona-aangifte; hierdoor ontstaat bij de burger de indruk dat naar gelang de partij die wordt vervolgd, het beginsel van de autonomie van het strafrecht wordt gebruikt om de vervolging altijd te doen resulteren in een veroordeling.
  32. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  33. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eiser I, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.
  34. Gelet op de stand van de rechtspraak en de wetenschappelijke literatuur is het, voor wat betreft de toepassing van de conceptuele autonomie van het sociaal strafrecht, voor eenieder die zich in de toestand van de eiser I bevindt duidelijk en voorspelbaar dat de begrippen werkgever, lasthebber en aangestelde in het Belgisch sociaal strafrecht autonoom kunnen worden ingevuld in functie van de feitelijke toestand die de rechter onaantastbaar in zijn beslissing vaststelt. Aldus schendt het arrest artikel 7.1 EVRM niet. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Vierde middel
  35. Het middel voert schending aan van de artikelen 331, 332, 333 en 334 Arbeidsrelatiewet, mede zoals gewijzigd bij de wet van 25 augustus 2012 tot wijziging van Titel XIII van de programmawet (I) van 27 december 2006, wat de aard van de arbeidsrelaties betreft: in de Arbeidsrelatiewet heeft de wetgever de schijnzelfstandigheid willen bestrijden door te voorzien in algemene criteria die bepalen of er sprake is van schijnzelfstandigheid; deze zijn de wil van de partijen, de vrijheid van de organisatie van de werktijd en van het werk en de mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen; het arrest weigert de door de wetgever bepaalde criteria toe te passen.
  36. Het arrest weigert niet om toepassing te maken van de criteria die zijn bepaald in de wet en die het zelf aanhaalt (nr. 162-170, p. 142-144). Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Vijfde middel
  37. Het middel voert schending aan van artikel 31, § 3, Uitzendarbeidswet 1987: het arrest schuift die door de eiser I in zijn appelconclusie aangevoerde bepaling terzijde op grond van het beginsel van de autonomie van het strafrecht; op grond van die bepaling is, wanneer de uitzendarbeid onregelmatig is, de gebruiker de werkgever en niet de natuurlijke of de rechtspersoon die de persoon ter beschikking heeft gesteld om te werken onder het gezag van deze gebruiker; de wet laat niet toe hiervan af te wijken op grond van de autonomie van het strafrecht; deze autonomie kan enkel betrekking hebben op de uitlegging van begrippen die in andere rechtsstelsels worden gehanteerd en sluit dus de verplichte toepassing niet uit van de regeling wie in geval van onregelmatige uitzendarbeid de werkgever is en wie dus de Dimona-aangifte moet doen.
  38. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  39. Artikel 31, § 1, eerste lid, Uitzendarbeidswet 1987 verbiedt de activiteit die, buiten het kader van de uitzendarbeid, door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hem in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt.
  40. Dit laat de terbeschikkingstelling door een werkgever zonder delegatie van een deel van zijn gezag over de werknemer aan de gebruiker, zoals in geval van onderaanneming, onverlet.
  41. Het arrest (nr. 261, p. 171) stelt onder meer vast wat volgt: “Gelet op het voorgaande kan de stelling van de voormelde beklaagden dat het werkgeversgezag bij de slachthuizen zou gelegen hebben niet bijgetreden worden. Uit de 'Onderaanneming-Contract' wordt immers in artikel 5 het volgende bepaald (…): “De personeelsleden van BVBA K-Fam zullen niet als personeel van Artislach beschouwd worden en niet onder toezicht van Artislach werken” (…). Ook in de ‘OVEREENKOMST VAN AANNEMING VAN WERK' staat onder artikel 9 nopens het Personeel van de Opdrachtnemer/onderaannemer, zeer duidelijk dat de Opdrachtgever, zijnde het slachthuis, geen band heeft met het personeel van de Opdrachtnemer of haar onderaannemer(s).”
  42. Hieruit volgt dat, daar waar het arrest onaantastbaar vaststelt dat de gebruiker het werkgeversgezag nooit heeft uitgeoefend op de betrokken schijnzelfstandigen die de eiser I hem ter beschikking had gesteld, er nooit sprake was geweest van een verboden terbeschikkingstelling zoals bedoeld in de Uitzendarbeidswet
  43. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eisers III Eerste middel Eerste onderdeel
  44. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 90sexies, § 1 en 90septies, § 2, Wetboek van Strafvordering: alle tapgesprekken werden in het Turks gevoerd, maar in het Nederlands neergeschreven; uit de tekst van de vertalingen blijkt zeer duidelijk dat deze vol onbegrijpelijke passages zitten en in zeer slecht Nederlands zijn opgesteld; het hof van beroep kan deze vertalingen aldus onmogelijk betrouwbaar achten; uit de namen van de bestanden met de opgenomen gesprekken valt verder niet af te leiden op welke datum de gesprekken hebben plaatsvonden en van welk telefoonnummer ze afkomstig zijn; de namen maken het onmogelijk om de vertaalde uitgeschreven tapgesprekken te linken aan de originele opnames in het Turks; in ondergeschikte orde kunnen de tapgesprekken slechts als bewijs worden aangewend wanneer zij in hun oorspronkelijke Turkse versie zouden worden neergeschreven, zodat de verdediging de kans heeft zich op de inhoud ervan te verdedigen; het voegen van de letterlijke teksten is onontbeerlijk om het recht van verdediging te kunnen waarborgen; het vertalen van slechts drie gesprekken van de vele is niet voldoende om te besluiten dat de overige tapgesprekken correct zijn vertaald.
  45. De omstandigheid dat de relevant verklaarde tapgesprekken die een partij ter griffie heeft beluisterd op digitale informatiedragers, daarop niet zijn aangeduid met dezelfde identificatiegegevens als de tapgesprekken die zijn overgeschreven in de aan het strafdossier gevoegde processen-verbaal, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat die partij niet in de mogelijkheid is om aan de hand van de originele opnames de juistheid en de betrouwbaarheid van de overschrijving of de vertaling na te gaan. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar.
  46. Artikel 90septies Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, vereist niet dat uit de bestandsnamen van de bestanden met de opgenomen gesprekken valt af te leiden op welke datum de gesprekken plaatsvonden en van welk telefoonnummer ze afkomstig zijn.
  47. Artikel 90sexies Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, vereist niet dat, wanneer relevant verklaarde gesprekken zijn gevoerd in een andere taal dan deze van de rechtspleging, het strafdossier zowel een overschrijving van die gesprekken in de gevoerde taal bevat als een vertaling van die overschrijving in de taal van de rechtspleging. Die gesprekken kunnen immers ook rechtstreeks worden vertaald in de taal van de rechtspleging en in die taal worden overgeschreven. Vereist is enkel dat de partijen aan de hand van de originele opnames de juistheid en de betrouwbaarheid van de vertaling kunnen nagaan en daarover verweer kunnen voeren. Op die wijze zijn het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging afdoende gewaarborgd.
  48. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  49. Het arrest (nr. 83-89, p. 104-106) oordeelt dat: - er geen enkel beletsel is om de afgeluisterde en vertaalde gesprekken aan te wenden als bewijs; - de eiser III.1 over alle mogelijkheden beschikte om zijn recht van verdediging met betrekking tot de onderschepte communicaties uit te oefenen; - de onderzoekers de gegevensdragers met de onderschepte communicaties hebben neergelegd ter griffie, zodat de verdediging kennis ervan kon nemen; - de eiser III.1 voor het hof van beroep concreet verweer heeft kunnen voeren over drie door zijn raadsman gekozen en relevante gesprekken; - gelet op de discussie gevoerd in het pleidooi ter rechtszitting, de raadsman van de eiser III.1 zegt dat de tapgesprekken eindigend op 210 en 977 correct werden vertaald tijdens het vooronderzoek; - het hof van beroep hieruit kan afleiden dat alle Turkse gesprekken correct naar het Nederlands werden vertaald, of minstens het tegendeel nopens andere gesprekken dan de voormelde drie niet aannemelijk wordt gemaakt, zodat het recht van verdediging klaarblijkelijk niet is miskend en de tapgesprekken niet dienen te worden geweerd. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de vertalingen betrouwbaar zijn en dat de overige tapgesprekken correct zijn vertaald. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  50. Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de kwaliteit van de vertaling kan niet worden gecontroleerd; ten tijde van het gerechtelijk onderzoek was er nog geen uitgebreid kader voor de beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken; zo hadden zij nog geen identificatienummer; hierdoor vermelden de verbalisanten in verschillende processen-verbaal over de beëdigde vertalers dat zij “bij onze diensten bekend zijn”; dit laat de eisers III niet toe de kwaliteit van de beëdigde vertalers te controleren; de eiser III.1 betwist immers de vertaling van een woord uit het Turks.
  51. Het onderdeel verplicht in zijn geheel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  52. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 90sexies, § 1 en 90septies, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid: er was geen tegensprekelijk debat mogelijk over de tapgesprekken; het ontbreken van de correcte benaming in de bestandsnaam en een bruikbare inventaris/kruistabel belette de eisers III om effectief de betrouwbaarheid van de transcripties aan te vechten; het niet voorhanden zijn van een geschikte software op de griffie om de beide personen in het gesprek te kunnen horen is een miskenning van de wapengelijkheid; deze miskenning is niet geremedieerd door het voegen van slechts drie gesprekken en deze ter rechtszitting te laten vertalen door de daar aanwezige tolk; de steekproef is immers te klein.
  53. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van dit middel, kan het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen niet worden aangenomen.
  54. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  55. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, eerste en tweede lid en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest (nr. 329, p. 200) oordeelt met een stijlformule dat de overige feitelijke argumenten speculatief zijn en niet aannemelijk worden gemaakt; aldus beantwoordt het arrest niet het bij conclusie gevoerde verweer van de eiser III.1 in verband met zijn schuld aan de hem ten laste gelegde witwasmisdrijven; evenmin motiveert het waarom het de strafmaat van het beroepen vonnis bevestigt; de motivering van de strafmaat is niet uniek en de opbouw is gelijk bij de andere beklaagden; sinds het beroepen vonnis zijn er drie jaren verstreken, wat leidt tot een bijkomende overschrijding van de redelijke termijn dan deze vastgesteld door de eerste rechter; het arrest rept daarover niet en oordeelt enkel dat er door de eerste rechter een correcte toepassing is gemaakt van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers III over de redelijke termijn niet.
  56. Het arrest (nr. 302-328, p. 184-200) vermeldt de redenen voor de schuldigverklaring van de beklaagden, waaronder de eiser III.1, aan de hen ten laste gelegde witwasmisdrijven.
  57. Het middel preciseert niet welk verweer van de eiser III.1 in verband met zijn schuld aan de hem ten laste gelegde witwasmisdrijven het arrest daarmee niet beantwoordt. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  58. Volgens artikel 195, vijfde lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat, een straf of maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
  59. Uit het enkele feit dat de rechter de straftoemeting voor meerdere beklaagden verantwoordt met dezelfde of gelijkaardige motieven, volgt niet dat die motivering strijdig is met de verplichting tot individualisering van de bestraffing. Dezelfde of gelijkaardige redenen kunnen immers gelden voor meerdere beklaagden die voor dezelfde, gelijkaardige of met elkaar in verband staande feiten worden vervolgd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  60. Met eigen redenen (nr. 364-366, p. 215-216 voor wat betreft de eiser III.1, nr. 373-375, p. 218-219 voor wat betreft de eiser III.2 en nr. 376-378, p. 219 voor wat betreft de eiseres III.3) en met redenen die het van het beroepen vonnis overneemt, motiveert het arrest duidelijk en begrijpelijk waarom het de door de eerste rechter aan de eiser III.1 opgelegde bestraffing en ten aanzien van de eisers III.2 en III.3 uitgesproken veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring bevestigt.
  61. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III.1 in zijn verweer voor de appelrechters de termijn van de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft betrokken. Bijgevolg dienden de appelrechters die termijn evenmin uitdrukkelijk te betrekken in hun desbetreffende beoordeling en impliceert de afwezigheid van redenen daarover in het arrest dat zij daarin geen bijkomende overschrijding van de redelijke termijn zien, die hen tot strafvermindering noopt.
  62. Hieruit volgt dat het arrest geen verweer onbeantwoord laat en dat de beslissing regelmatig met redenen is omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  63. Het middel voert schending aan van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het hof van beroep remedieert op een niet gepaste wijze aan de miskenning van de redelijke termijn ten opzichte van de eiser III.1; de miskenning van de redelijke termijn is in de drie jaar sinds het beroepen vonnis alleen maar verergerd en is manifest, maar deze vaststelling vindt geen weerslag in de strafmaat van het hof van beroep, gezien dat de straf van het beroepen vonnis bevestigt en de redenen van het eerste vonnis herneemt.
  64. Of de appelrechters een reële en meetbare strafvermindering hebben toegepast ter remediëring van de door hen vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet niet worden beoordeeld op basis van de door de eerste rechter uitgesproken bestraffing, maar wel op basis van de straf die de appelrechters zouden hebben opgelegd indien zij geen overschrijding hadden vastgesteld. Uit het enkele feit dat de appelrechters die een overschrijding van de redelijke termijn vaststellen eenzelfde straf uitspreken als de eerste rechter, hoewel er sinds het vonnis van die rechter een bijkomende periode is verstreken en de overschrijding van de termijn dus langer heeft geduurd, kan dan ook niet worden afgeleid dat aan die overschrijding niet is geremedieerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  65. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door het arrest van de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  66. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.026,90 euro, waarvan de eisers I, II, III, IV en V elk 205,38 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141209.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161129.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180904.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211108.3N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.