id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.9 Rolnummer: P.25.0877.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-10-02 Raadplegingen: 399 - laatst gezien 2026-06-15 05:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Noch artikel 6 EVRM noch de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging verzetten zich ertegen dat de rechter bij de bepaling van de omvang van de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen rekening houdt met een verklaring die een medebeklaagde op de rechtszitting heeft afgelegd; een dergelijke verklaring behoort immers tot het debat en de beklaagde, die moet weten dat de rechter er bij zijn beoordeling rekening mee kan houden, kan zo hij dat wil erover tegenspraak voeren. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Tekst van de beslissing Nr. P.25.0877.N I T. V. O., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Olivia Vermeersch, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Gijzelaarsstraat 78 bus 102, waar de eiser woonplaats kiest. II R. D. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 april 2025. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest grondt het oordeel over de verbeurdverklaring van een bedrag van 60.000,00 euro als vermogensvoordelen tegen de eiser I niet op de argumentatie van het openbaar ministerie in hoger beroep, maar wel op de verklaring van een medebeklaagde op de rechtszitting waartegen de eiser I geen verweer heeft kunnen voeren; daardoor worden de rechten van de eiser I miskend. 2. Het arrest (p. 33, laatste drie alinea’s, p. 34, eerste alinea, p. 35, tweede tot en met vierde alinea’
- s)grondt de bepaling van het tegen de eiser I verbeurdverklaarde bedrag aan vermogensvoordelen niet louter op de verklaring van een medebeklaagde maar ook op andere redenen. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 3. Noch artikel 6 EVRM noch de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging verzetten zich ertegen dat de rechter bij de bepaling van de omvang van de verbeurd te verklaren vermogensvoordelen rekening houdt met een verklaring die een medebeklaagde op de rechtszitting heeft afgelegd. Een dergelijke verklaring behoort immers tot het debat en de beklaagde, die moet weten dat de rechter er bij zijn beoordeling rekening mee kan houden, kan zo hij dat wil erover tegenspraak voeren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsverplichting en het recht van verdediging: het arrest antwoordt niet op het verweer van de eiser I en het door hem op de rechtszitting neergelegde bijkomend stuk waarin de broer van M. aangeeft dat het tijdens de huiszoeking aangetroffen SKY-toestel hem toebehoort; de eiser I heeft altijd zijn betrokkenheid bij de feiten ontkend; de identiteit van de eiser I is foutief gekoppeld aan de verschillende PIN’s; het is waarschijnlijk dat M. de gebruiker was van het tijdens de huiszoeking aangetroffen toestel; M. werd in dit strafdossier nooit ondervraagd ondanks herhaalde verzoeken van de eiser I; er is geen enkele moeite gedaan om het onderzoek à décharge te voeren; het argument van de zendmastbepaling gaat niet op daar zowel de woning van de eiser I als de woning van M. zich bevinden in de onmiddellijke omgeving van de zendmast; het arrest laat niet toe na te gaan waarom de appelrechters de argumenten van de eiser I hebben verworpen. 5. Artikel 5.3 EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht. 6. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk. 7. De rechter moet enkel antwoorden op door een partij in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkelde verweren. De rechter moet niet antwoorden op door een partij ingediende stukken. 8. Uit de enkele omstandigheid dat een partij het inhoudelijk niet eens is met de door een rechter gegeven motivering, volgt niet dat die motivering gebrekkig is. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Met de redenen die het arrest (p. 16-17) heeft overgenomen van het beroepen vonnis en met eigen redenen beantwoordt en verwerpt dit het door het middel bedoelde verweer van de eiser I. Die redenen stellen de eiser I in staat te begrijpen waarom de appelrechters zijn verweer verwerpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II 11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van vonnissen en arresten: het arrest weigert ten onrechte 9 maart 2021 in aanmerking te nemen als aanvangsdatum van de redelijke termijn; op die datum werd bij de eiser II een huiszoeking uitgevoerd in het kader van het gerechtelijk onderzoek 080/2019 met notitienummer FD.10.98.356/18 gevoerd door onderzoeksrechter V.; dit gerechtelijk onderzoek viseert volgens het arrest feiten van mogelijk lidmaatschap aan een criminele organisatie en witwassen, terwijl de eiser II in de voorliggende zaak wordt vervolgd voor de invoer van cocaïne in vereniging; uit het aanvankelijk proces-verbaal AN.60.F1.527986/2021 van 23 november 2021, waarnaar het arrest verwijst, blijkt echter dat de strafvordering in de voorliggende zaak is gebaseerd op of voortvloeit uit het opsporingsonderzoek F0.10.97.18/21, dat zelf voortvloeit uit het gerechtelijk onderzoek 080/2019 met notitienummer FD.10.98.356/18; de eiser II werd verontrust op 9 maart 2021, zijnde de dag waarop bij hem een huiszoeking plaatsvond in het kader van het gerechtelijk onderzoek 080/2019 met notitienummer FD.10.98.356/18 van onderzoeksrechter V., dat aan de basis lag van het opsporingsonderzoek F0.10.97.18/21 dat zelf aan de basis lag van het gerechtelijk onderzoek voorwerp van de voorliggende strafvervolging, onderzoeken die alle betrekking hebben op communicaties gevoerd via SKY ECC-toestellen. 12. De rechter bepaalt onaantastbaar het tijdstip waarop een beklaagde zich dient te verdedigen over de tegen hem ingestelde strafvervolging en dat als aanvangspunt dient voor de berekening van de redelijke termijn. 13. Uit het loutere feit dat een strafvervolging voortvloeit uit andere strafvervolgingen waarin bij die beklaagde ook onderzoekshandelingen werden verricht, volgt niet dat de rechter noodzakelijk moet aannemen dat het aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn voor de laatst ingestelde strafvervolging zich situeert op de datum van de onderzoekshandelingen die werden verricht in het kader van de strafvervolgingen waaruit die laatste strafvervolging voortvloeit en dit ongeacht of voor al die strafvervolgingen communicaties via SKY ECC van belang waren. 14. Bepalend is of de feiten die het voorwerp zijn van de verschillende strafvervolgingen dezelfde zijn. 15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 16. In zoverre het middel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel dat het gerechtelijk onderzoek 080/2019 met notitienummer FD.10.98.356/18 van onderzoeksrechter V., waarin bij de eiser II op 9 maart 2021 een huiszoeking werd uitgevoerd, betrekking had op mogelijk lidmaatschap aan een criminele organisatie, terwijl de voorliggende strafvervolging, waarin bij de eiser II op 19 oktober 2022 een huiszoeking werd uitgevoerd, concrete feiten betreft van de invoer van cocaïne in vereniging zoals weergegeven in het aanvankelijk proces-verbaal AN60.F1.527986/2021 waarvoor de onderzoeksrechter G. werd gevorderd op 2 juni 2022, en de appelrechters aldus te kennen geven dat dit andere feiten betreft, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 225,01 euro, waarvan op het cassatieberoep I 112,50 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep II 112,51 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250923.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.