id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 6 - 11 Het in artikel 43quater, § 1, § 2 en § 3, Strafwetboek opgenomen mechanisme van de verdeling van de bewijslast voor het bepalen van de omvang van de illegale vermogensvoordelen die lastens een persoon kunnen worden verbeurdverklaard ingevolge zijn definitieve schuldigverklaring aan een drugmisdrijf, is niet strijdig is met het vermoeden van onschuld, noch met de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 12 - 13 Bij afwezigheid van specifiek op dit punt aangevoerd verweer dient de appelrechter die de verbeurdverklaring bevestigt die de eerste rechter lastens de schuldigverklaarde persoon heeft bevolen overeenkomstig artikel 43quater, § 1, § 2 en § 3, Strafwetboek, niet uitdrukkelijk de referentieperiode bedoeld in artikel 43quater, § 3, eerste lid, Strafwetboek te specificeren, noch dient hij uitdrukkelijk te motiveren dat de vermogensbestanddelen waarmee hij rekening houdt in zijn vermogensvergelijking door de schuldigverklaarde persoon tijdens die referentieperiode werden verworven; die afwezigheid van specificering belet de rechter niet uit de feiten die hij vaststelt, wettig af te leiden dat de veroordeelde de in de vermogensvergelijking opgenomen vermogensbestanddelen tijdens de referentieperiode heeft verworven. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43quater, §§ 1, 2 en 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0352.N T. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 februari 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld: het arrest beveelt lastens de eiser, op grond van zijn schuldigverklaring aan de misdrijven van het stellen van voorbereidende handelingen met het oog op de aanschaf van verdovende middelen in vereniging en van poging bezit van verdovende middelen in vereniging, de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van een bedrag van 260.000,00 euro overeenkomstig artikel 43quater Strafwetboek; wanneer het openbaar ministerie een verbeurdverklaring op grond van dat artikel vordert, geldt het vermoeden van onschuld plots niet meer; het volstaat dan dat er “ernstige en concrete aanwijzingen” bestaan dat de vermogensbestanddelen die bij de schuldigverklaarde persoon worden gevonden, voortspruiten uit een soortgelijk misdrijf als datgene waaraan hij schuldig is verklaard, waarbij het aan de veroordeelde staat om dat verband op geloofwaardige wijze te ontkrachten; de bewijslast wordt aldus verlegd van de vervolgende partij naar de schuldigverklaarde persoon, terwijl de verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 43quater Strafwetboek evenzeer een straf is die bijkomend aan de schuldigverklaarde persoon wordt opgelegd; de vervolgende partij heeft zelfs belang erbij om bepaalde betwistbare en betwiste feiten niet als telastlegging mee te vervolgen, maar deze wel via artikel 43quater Strafwetboek te laten bestraffen, vermits de bewijslast met betrekking tot het gelijkaardig misdrijf alsdan wordt omgekeerd. 2. Het middel vraagt dat aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld: “Schendt artikel 43quater, § 2 en § 3 [Strafwetboek] de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre deze bepaling inhoudt dat de verbeurdverklaring reeds kan worden opgelegd aan een dader van feiten gelijkaardig aan de feiten waarvoor hij veroordeeld werd wanneer er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan van verworven vermogensvoordelen voor die gelijkaardige feiten en het aan de beklaagde toekomt om het tegendeel geloofwaardig te maken, terwijl voor de feiten waarvoor diezelfde beklaagde wel middels één van de tenlasteleggingen wordt vervolgd, de beklaagde wel kan genieten van het vermoeden van onschuld en de bewijslast aldus bij de vervolgende partij ligt?” 3. Het openbaar ministerie wordt, krachtens een weerlegbaar vermoeden waartegen enkel nauwkeurige en objectieve gegevens kunnen worden ingebracht, geacht zijn ambt loyaal uit te oefenen en de juiste toepassing van de wet te vorderen in de zaken die het aan de rechter voorlegt, zonder tot elke prijs een veroordeling na te streven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. In zoverre het middel voor het overige kritiek uitoefent op een mogelijk vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie, dat niet ter beoordeling van de rechter staat, is het niet ontvankelijk. 5. Het beroepen vonnis heeft de eiser schuldig verklaard aan de in het middel vermelde feiten, voorwerp van de telastleggingen A.1, A.2, A.6 en B. De eiser heeft voor de appelrechters afstand gedaan van zijn grief inzake de schuld. 6. Voor wat betreft de feiten waaraan de eiser aldus definitief schuldig is verklaard, bepaalt artikel 43quater, § 1, § 2 en § 3, Strafwetboek, ingevoerd bij artikel 4 van de wet van 19 december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en verbeurdverklaring in strafzaken, het volgende: “Onverminderd artikel 43bis, derde en vierde lid, kunnen op vordering van de procureur des Konings de in paragraaf 2 bedoelde vermogensvoordelen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, en de inkomsten uit de belegde voordelen, die worden gevonden in het vermogen of in het bezit van een persoon worden verbeurdverklaard, of kan die persoon worden veroordeeld tot de betaling van een bedrag dat door de rechter wordt geraamd als zijnde overeenstemmend met de waarde van deze zaken indien de betrokkene schuldig werd bevonden: 1° ofwel aan een of meer misdrijven bedoeld: (…)
- i)in artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen, of in artikel 2bis, § 3, b), of § 4, b);
- j)in artikel 2quater, 4°, van dezelfde wet; (…) § 2. De verbeurdverklaring zoals bedoeld in § 1 kan worden uitgesproken tegen de daders, mededaders en medeplichtigen die werden veroordeeld wegens één of meerdere van de in dit artikel opgesomde misdrijven en onder de in § 1 bepaalde voorwaarden, wanneer de veroordeelde over een relevante periode verdere vermogensvoordelen heeft ontvangen terwijl er ernstige en concrete aanwijzingen zijn dat deze voordelen voortspruiten, uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld, of uit misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in paragraaf 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld en de veroordeelde het tegendeel niet geloofwaardig maakt. Dit tegendeel kan tevens geloofwaardig gemaakt worden door elke derde die beweert recht te hebben op deze voordelen. § 3. Als relevante periode in de zin van dit artikel wordt aanzien de periode van vijf jaar voorafgaand aan de inverdenkingstelling van de persoon tot de datum van de uitspraak. De ernstige en concrete aanwijzingen bedoeld in § 2 kunnen worden geput uit alle geloofwaardige elementen die op regelmatige wijze aan de rechtbank worden overlegd, en die wijzen op een onevenwicht van enig belang tussen enerzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in de relevante periode die door het openbaar ministerie wordt aangetoond, en anderzijds de tijdelijke of blijvende aangroei van het vermogen en de bestedingen van de veroordeelde in deze periode, waarvan hij kan geloofwaardig maken dat ze niet voortspruiten uit de feiten waarvoor hij werd veroordeeld of uit misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in § 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld. (…)”. 7. Artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verzet zich niet tegen een wetgeving die voor wat betreft onder meer drugmisdrijven waaraan een persoon bij een definitieve strafrechtelijke beslissing schuldig is verklaard, een verdeling van de bewijslast bepaalt met betrekking tot de berekening van de illegale vermogensvoordelen die kunnen worden verbeurdverklaard als straf voor de aldus bewezen verklaarde misdrijven, op voorwaarde dat er tegen de schuldigverklaarde persoon geen nieuwe telastleggingen worden aangevoerd. Die berekening kan bestaan uit een vermogensvergelijking zoals bepaald in artikel 43quater, § 2 en § 3, eerste en tweede lid, Strafwetboek. Daarbij dient de rechter op grond van concrete gegevens te vermelden waarom hij, ook rekening gehouden met de geloofwaardigheid van de door de schuldigverklaarde persoon eventueel bijgebrachte tegenargumenten, voldoende ervan overtuigd is dat de vermogensbestanddelen waarvan hij de verbeurdverklaring beveelt, voortspruiten uit het drugmisdrijf waaraan de betrokkene definitief schuldig is verklaard of uit aanverwante drugmisdrijven zoals bepaald in artikel 43quater, § 1, Strafwetboek. Door die beperking van de verbeurdverklaring tot vermogensvoordelen voortspruitend uit dezelfde of aanverwante misdrijven, worden tegen de schuldigverklaarde persoon geen nieuwe telastleggingen aangevoerd, maar wordt de rechtsfiguur van de verdeling van de bewijslast enkel aangewend om de rechter toe te laten de omvang van de verbeurdverklaring zo nauwkeurig mogelijk te bepalen en wordt bijgevolg het vermoeden van onschuld niet miskend. 8. Voor het overige is voldaan aan het vereiste van een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, doordat de schuldigverklaarde persoon de aanvoering dat hij gedurende de in artikel 43quater, § 3, eerste lid, Strafwetboek bepaalde referentieperiode heeft beschikt over een bepaald vermogen en dat dit vermogen voortspruit uit het misdrijf waarvoor hij is veroordeeld of uit aanverwante misdrijven, vrij kan betwisten op grond van geloofwaardige argumenten. 9. Bovendien is de rechtsfiguur van de ruimere confiscatie thans geregeld in Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie, die overeenkomstig haar artikel 3, g), onder meer van toepassing is op strafbare feiten die vallen onder Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drughandel. De preambule van die richtlijn bepaalt onder meer wat volgt: “
(1)De voornaamste drijfveer van grensoverschrijdende, georganiseerde criminaliteit, met inbegrip van maffia-achtige criminele organisaties, is financieel gewin. De bevoegde autoriteiten moeten bijgevolg de middelen krijgen om de opbrengsten van misdrijven op te sporen, te bevriezen, te beheren en te confisqueren. De doeltreffende preventie en bestrijding van georganiseerde criminaliteit dient echter te geschieden door het neutraliseren van de opbrengsten van misdrijven en dient in bepaalde gevallen tevens te worden uitgebreid tot alle voorwerpen die uit activiteiten van criminele aard zijn verkregen.” “
(19)Criminele groepen ontplooien tal van criminele activiteiten. Met het oog op een doeltreffende bestrijding van georganiseerde criminaliteit, kan het passend zijn dat na een strafrechtelijke veroordeling niet alleen de voorwerpen die verband houden met een specifiek misdrijf worden geconfisqueerd, maar ook aanvullende voorwerpen die volgens de rechter voortvloeien uit andere misdrijven. Deze benadering heet ruimere confiscatie. (…)” “
(21)Ruimere confiscatie zou mogelijk moeten zijn wanneer een rechter ervan overtuigd is dat het betrokken voorwerp uit crimineel gedrag voortkomt. Dit houdt niet in dat het moet vast staan dat het betrokken voorwerp uit crimineel gedrag voortkomt. Wanneer de rechter op grond van waarschijnlijkheidsafwegingen van oordeel is, of er redelijkerwijze kan van uitgaan, dat het veel waarschijnlijker is dat het betrokken voorwerp door crimineel dan door andere gedrag werd verworven, kan dit voor de lidstaten bijvoorbeeld als regel volstaan. De rechter dient in dit verband de specifieke omstandigheden van de zaak te onderzoeken, met name de feiten en het beschikbare bewijsmateriaal op basis waarvan ruimere confiscatie kan worden bevolen. Het feit dat de voorwerpen die de persoon toebehoren niet in verhouding staan tot zijn legale inkomen, kan een van de feiten zijn op basis waarvan de rechter beslist dat de voorwerpen uit crimineel gedrag voortkomt. De lidstaten kunnen als regel ook stellen dat binnen een bepaalde termijn verkregen voorwerpen geacht kunnen worden uit crimineel gedrag voort te komen.” “
(23)Deze richtlijn is van toepassing op de strafbare feiten die onder de in deze richtlijn vermelde rechtsinstrumenten vallen. De lidstaten dienen, binnen de werkingssfeer van deze rechtsinstrumenten te voorzien in ruimere confiscatie, althans met betrekking tot bepaalde strafbare feiten als in deze richtlijn omschreven.” “
(38)Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”) en in het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden („EVRM”), zoals uitgelegd in de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. Deze richtlijn moet overeenkomstig die rechten en beginselen worden toegepast. Deze richtlijn dient het nationale recht inzake rechtsbijstand onverlet te laten en geen verplichtingen ten laste van de rechtsbijstandsregelingen van de lidstaten in het leven te roepen; deze regelingen moeten worden toegepast overeenkomstig het Handvest en het EVRM.” De richtlijn bepaalt onder artikel 5 wat volgt: “
- De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de volledige of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van voorwerpen die toebehoren aan een persoon die is veroordeeld wegens een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, indien een rechter, gezien de omstandigheden, met name bepaalde feiten en het beschikbare bewijsmateriaal, bijvoorbeeld het gegeven dat de waarde van de voorwerpen niet in verhouding staat tot het legale inkomen van de veroordeelde, ervan overtuigd is dat de bedoelde voorwerpen uit criminele gedragingen zijn verkregen.
- In het kader van lid 1 van dit artikel omvat het begrip „strafbaar feit” minstens het volgende: (…) e) een strafbaar feit waarop overeenkomstig het toepasselijke in artikel 3 vermelde instrument, of, indien het betrokken instrument geen drempelwaarde voor sancties bepaalt, uit hoofde van het toepasselijke nationale recht, een maximale vrijheidsstraf staat van ten minste vier jaar.” De richtlijn bepaalt in artikel 8.8 wat volgt: “In de in artikel 5 bedoelde procedures heeft de betrokkene daadwerkelijk de mogelijkheid om de omstandigheden, met name de specifieke feiten en het beschikbare bewijsmateriaal op grond waarvan de betrokken voorwerpen worden geacht voort te komen uit crimineel gedrag, te betwisten.”
- Uit het geheel van de vermelde bepalingen volgt dat het in artikel 43quater, § 1, § 2 en § 3, Strafwetboek opgenomen mechanisme van de verdeling van de bewijslast voor het bepalen van de omvang van de illegale vermogensvoordelen die lastens een persoon kunnen worden verbeurdverklaard ingevolge zijn definitieve schuldigverklaring aan een drugmisdrijf, niet strijdig is met het vermoeden van onschuld, noch met de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De prejudiciële vraag die steunt op een onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 43quater Strafwetboek, alsook miskenning van de materiële motiveringsverplichting: noch het arrest, noch het beroepen vonnis waarvan het arrest de redenen overneemt, motiveert wettig dat de vermogensvoordelen uit gelijkaardige feiten op basis waarvan de verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 43quater Strafwetboek wordt uitgesproken, door de eiser werden verworven in de relevante periode, dit is in de periode van vijf jaar voorafgaand aan zijn inverdenkingstelling tot de datum van de uitspraak (eerste onderdeel); uit de feitelijke elementen waarvan het arrest melding maakt, kan het niet wettig afleiden dat de vermogensvoordelen die de eiser uit gelijkaardige feiten zou hebben gegenereerd, ontvangen werden tijdens de verdachte periode; gelden die een veroordeelde voor gelijkaardige feiten in een periode voorafgaand aan de referentieperiode zou hebben ontvangen, zodat hij daarover tijdens de referentieperiode zou beschikken, komen niet voor verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 43quater Strafwetboek in aanmerking (tweede onderdeel).
- Bij afwezigheid van specifiek op dit punt aangevoerd verweer dient de appelrechter die de verbeurdverklaring bevestigt die de eerste rechter lastens de schuldigverklaarde persoon heeft bevolen overeenkomstig artikel 43quater, § 1, § 2 en § 3, Strafwetboek, niet uitdrukkelijk de referentieperiode bedoeld in artikel 43quater, § 3, eerste lid, Strafwetboek te specificeren, noch dient hij uitdrukkelijk te motiveren dat de vermogensbestanddelen waarmee hij rekening houdt in zijn vermogensvergelijking door de schuldigverklaarde persoon tijdens die referentieperiode werden verworven. Die afwezigheid van specificering belet de rechter niet uit de feiten die hij vaststelt, wettig af te leiden dat de veroordeelde de in de vermogensvergelijking opgenomen vermogensbestanddelen tijdens de referentieperiode heeft verworven. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de feiten die het arrest met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen vaststelt, onder meer dat uit de Signal-gesprekken tussen de eiser en medebeklaagde V. zonder twijfel blijkt dat de eiser reeds ingevolge vroegere drugoperaties verdere vermogensvoordelen heeft ontvangen die worden bepaald op 260.000,00 euro, dat er ernstige en concrete aanwijzingen zijn dat de vermogensbestanddelen waarover de eiser in 2021 en 2022 beschikte, waaronder twee appartementen in D. en in T., voortspruiten uit gelijkaardige misdrijven als deze waarvoor hij in het actuele dossier is vervolgd en dat de door de eiser bijgebrachte gegevens het tegendeel niet geloofwaardig maken, kan het arrest wettig afleiden dat het gaat om vermogensvoordelen die voldoen aan de in artikel 43quater, § 1, § 2 en § 3, Strafwetboek gestelde vereisten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 43quater Strafwetboek, alsook miskenning van de bijzondere motiveringsplicht: met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest: “Anders dan wat in de inventaris van het stukkenbundel vermeld wordt, dateert de verkoopakte van het appartement in de …straat van 19 juli
- Uit de bevraging van het kadaster bleek dat [de eiser] reeds sinds 6 december 2021 samen met zijn partner eigenaar was van het appartement en de parkeerplaats in de T. in T. De chronologie van de investeringen die [de eiser] voorhoudt, kan gelet op deze vaststellingen niet gevolgd worden”; de eiser heeft voor het hof van beroep een stuk neergelegd, inhoudende het overbruggingskrediet dat door de eiser en zijn partner bij KBC was aangevraagd in september 2021 voor de aankoop van het appartement in de T. in T., in afwachting van de verkoop van het appartement van de eiser in de …straat; gelet op dat stuk kunnen de appelrechters hun beslissing niet wettig motiveren door nog steeds te verwijzen naar de motivering van de eerste rechter.
- Het feit dat een beklaagde zijn verweer voor de appelrechter steunt op een stuk dat hij niet aan de eerste rechter heeft overgelegd, heeft niet tot gevolg dat de appelrechter dat verweer niet kan verwerpen met overname van de redenen van het beroepen vonnis. Die overname wijst enkel op het oordeel van de appelrechter dat het voorgelegde stuk hem niet noopt tot een andere beoordeling van de feiten dan deze van de eerste rechter, die hij bijtreedt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 163,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div