Obsah (4)
Art. 193Art. 196Art. 214Art. 210bisid="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Het misdrijf valsheid in informatica, zoals strafbaar gesteld bij de artikelen 193 en 210bis, § 1, Strafwetboek, vereist een met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gepleegd feit van vervalsing van de waarheid door de manipulatie van informaticagegevens met een juridische draagwijdte, dit wil zeggen dat de overheid of particulieren die van deze gegevens kennis nemen of aan wie ze worden voorgelegd, overtuigd kunnen worden van de juistheid ervan of kunnen gerechtigd zijn geloof eraan te hechten
(1).
(1)Cass. 28 maart 2023, AR P.22.1782.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.14; Cass. 13 december 2016, AR P.15.1117.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.6, AC 2016, nr. 714; F. MOLS en J. KEUSTERMANS, “Informaticacriminaliteit”, in Comm. Straf., 10-15. Thesaurus CAS: INFORMATICA Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 210bis
, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 210bis
, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 5 Bedrieglijk opzet is het opzet om zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen; er is bedrieglijk opzet zodra de dader enig voordeel of enige winst beoogt, die hij niet zou hebben behaald indien het waarheidsgetrouwe karakter van het geschrift zou zijn geëerbiedigd; de rechter die bij de beklaagde dat bedrieglijk opzet vaststelt, dient voor diens schuldigverklaring niet vast te stellen dat hij bovendien heeft gehandeld met het oogmerk om te schaden, noch dient hij te antwoorden op een overtollig verweer waarmee de beklaagde betwist te hebben gehandeld met het oogmerk om te schaden. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 6 Voor het bestaan van de misdrijven valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken is niet vereist dat de feiten een werkelijk nadeel hebben veroorzaakt; het volstaat dat er door die feiten een nadeel kan ontstaan
(1).
(1)Cass. 16 juni 2015, AR P.13.2086.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.2, AC 2015, nr. 401; Cass. 21 juni 2005, AR P.05.0073.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050621.8, AC 2005, nr. 360. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0858.N A. M. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Zvonimir Miskovic, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- DELE bv, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Ghoosstraat 18, ON 0811.836.253,
- GEENS & PARTNERS bv, met zetel te 3582 Beringen (Koersel), Heerbaan 164, ON 0469.281.446,
- K. G., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de memorie
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerders, noch dat zij haar memorie ter kennis van de verweerders heeft gebracht, zoals nochtans vereist door de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre zij betrekking hebben op de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerders, zijn het cassatieberoep en de memorie niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 193, 196, 197, 210bis, § 1, 213 en 214 Strafwetboek: het arrest weert de appelconclusie van de eiseres uit het debat omdat die conclusie die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijn is meegedeeld aan het openbaar ministerie en de verweerders; het arrest behoudt wel de stukken van de eiseres in het debat; het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres de feiten van de telastleggingen A.1, A.2 (gebruik van valse stukken) en B (informaticavalsheid) heeft gepleegd met het bedrieglijk opzet om zichzelf een onrechtmatig voordeel te verschaffen, namelijk de registratie van een verkoopovereenkomst betreffende een onroerend goed van de verweerster 1 in Hongarije; het arrest houdt immers geen rekening met de stukken waaruit blijkt dat het onroerend goed voor de verweerder 3 onbelangrijk was; het arrest motiveert niet waarom het oordeelt dat het voor de schuldbeoordeling irrelevant is of de eiseres al dan niet ook het oogmerk had om te schaden, terwijl het wel verwijst naar het bedrieglijk opzet van de eiseres om zichzelf een onrechtmatig voordeel te verschaffen; aldus bevat het arrest een motiveringsgebrek; het arrest oordeelt impliciet dat er in casu geen sprake is van enige schade toegebracht door de eiseres en erkent zodoende dat niet is voldaan aan de voorwaarden in artikel 193 Strafwetboek; het arrest beoordeelt de voorliggende bewijsmiddelen niet, zoals vereist door artikel 6 EVRM; het arrest motiveert niet afdoende dat het de door de eiseres bijgebrachte stukken mee in de redenering heeft betrokken; er is geen afdoend bewijs om tot de schuld van de eiseres te besluiten.
- Uit het middel blijkt niet hoe en waarom de appelrechters artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering schenden door de appelconclusie van de eiseres uit het debat te weren en haar stukken niet uit het debat te weren. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het misdrijf valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan. Het gebruik van een vals stuk als bedoeld in artikel 197 Strafwetboek bestaat uit de materiële gedraging van het zich bedienen van het stuk om er een bepaald doel mee te bereiken. Die aanwending moet van die aard zijn dat ze een middel kan zijn om uitwerking te geven aan de valsheid.
- Het misdrijf valsheid in informatica, zoals strafbaar gesteld bij de artikelen 193 en 210bis, § 1, Strafwetboek, vereist een met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gepleegd feit van vervalsing van de waarheid door de manipulatie van informaticagegevens met een juridische draagwijdte, dit wil zeggen dat de overheid of particulieren die van deze gegevens kennis nemen of aan wie ze worden voorgelegd, overtuigd kunnen worden van de juistheid ervan of kunnen gerechtigd zijn geloof eraan te hechten.
- Bedrieglijk opzet is het opzet om zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Er is bedrieglijk opzet zodra de dader enig voordeel of enige winst beoogt, die hij niet zou hebben behaald indien het waarheidsgetrouwe karakter van het geschrift zou zijn geëerbiedigd. De rechter die bij de beklaagde dat bedrieglijk opzet vaststelt, dient voor diens schuldigverklaring niet vast te stellen dat hij bovendien heeft gehandeld met het oogmerk om te schaden, noch dient hij te antwoorden op een overtollig verweer waarmee de beklaagde betwist te hebben gehandeld met het oogmerk om te schaden.
- Voor het bestaan van de misdrijven valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken is niet vereist dat de feiten een werkelijk nadeel hebben veroorzaakt. Het volstaat dat er door die feiten een nadeel kan ontstaan.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het eveneens naar recht.
- Het arrest (p. 11-12) oordeelt onder meer als volgt: - “Het is duidelijk dat [de eiseres en de medebeklaagde] maar al te goed wisten dat zij op 02.08.2021, 24.08.2021 en 29.11.2021 geen zaakvoerders (meer) waren van [de verweerster 1] en derhalve wisten dat zij niet rechtsgeldig in deze hoedanigheid konden optreden. Zij hebben zich wetens en willens de valse hoedanigheid van zaakvoerder van [de verweerster 1] aangemeten op 02.08.2021 en 24.08.2021 met het bedrieglijk opzet de registratie te bekomen van een door de Hongaarse advocaat opgestelde verkoopovereenkomst van 21.07.2021 met betrekking tot de woning gelegen te (…), die nog eigendom was van [de verweerster 1], waarbij zij als verkopers optraden namens [de verweerster 1] en waarbij zij de inkomsten van de verkoop zouden innen. Dat hieruit potentieel een nadeel kon volgen voor de benadeelden is evident bewezen door de gegevens van het strafdossier nu het onroerend goed nog eigendom was in rechte van [de verweerster 1] en ze [de verweerster 1] niet rechtsgeldig konden/mochten vertegenwoordigen. Tevens hebben ze op 29.11.2021 een email verstuurd naar de voormelde Hongaarse advocaat waarbij zij beweerden dat [de eiseres] nog zaakvoerder van [de verweerster 1] was op 01.12.
- Aldus hebben ze een valsheid in informatica gepleegd met het bedrieglijk opzet de Hongaarse advocaat die de verkoopsovereenkomst met betrekking tot het Hongaars onroerend goed heeft opgesteld, te overtuigen van hun valse hoedanigheid van bestuurder/zaakvoerder”; - “Het gegeven dat uit het strafdossier blijkt dat het Hongaars onroerend goed voor de verwerver [de verweerder 3] niet belangrijk was en dat hij het graag op termijn uit de vennootschap wilde lichten, doet evenmin afbreuk aan de voorgaande beslissingen. Uit het dossier blijkt immers dat het onroerend goed ten tijde van de verkoopovereenkomst van 21.07.2021 en van de feiten sub A.1, A.2 en B nog eigendom was van [de verweerster 1] en dat beklaagden zulks ook wisten vermits zij voorgehouden hebben als zaakvoerders van [de verweerster 1] op te treden in naam en voor rekening van [de verweerster 1] en niet in eigen naam zijn opgetreden. Beklaagden hebben dus wel degelijk bij het opstellen en gebruiken van de valse stukken en valsheid in informatica gehandeld met het bedrieglijk opzet zichzelf een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Zij hadden immers zelf de verkoop van het onroerend goed in Hongarije niet kunnen laten registreren indien zij de valse hoedanigheid niet hadden aangenomen. Het moreel element is in hun hoofde bewezen”. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050621.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150616.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240417.2F.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div