← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.2 Rolnummer: P.25.0743.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-10-10 Raadplegingen: 489 - laatst gezien 2026-06-19 03:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die bij de bewijsverkrijging een onregelmatigheid vaststelt, waarvan de naleving niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en die de betrouwbaarheid van het bewijs niet heeft aangetast, moet onderzoeken of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces; bij de beoordeling van dit criterium kan de rechter onder meer één of meerdere van de volgende subcriteria in aanmerking nemen: de onregelmatigheid werd opzettelijk begaan of door een daarmee gelijk te stellen grove onachtzaamheid; de ernst van het misdrijf overstijgt veruit de begane onregelmatigheid; het onregelmatig verkregen bewijs betreft alleen een materieel element van het misdrijf; de onregelmatigheid heeft een louter formeel karakter; de onregelmatigheid heeft geen weerslag op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd; de rechter is niet verplicht om al deze subcriteria bij zijn beoordeling te betrekken; evenmin is vereist dat de rechter bij zijn beoordeling uitgaat van een letterlijke lezing van deze subcriteria

(1).
(1)Over de subcriteria afgeleid uit het derde criterium van art. 32 VT Sv. zie o.a. Cass. 14 januari 2025, AR P.24.1579.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.12, NC 2025, 39; T. Strafr. 2025, 148 noot M. VANDERMEERSCH; Cass. 25 april 2023, AR P.23.0081.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8, T. Strafr. 2023, 235; Cass. 4 april 2023, AR P.22.1730.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10, RW 2023-24, 751; RDPC 2023, 861 noot F. LUGENTZ, T. Strafr. 2023, 233, noot M. VANDERMEERSCH en RABG 2023, 1659, noot V. VEREECKE; Cass. 8 november 2022, AR P.22.0825.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10, met concl. OM, RABG 2022, 1375, NC 2023, 270, RW 2023-24, 226, Politie&Recht 2024, 41; Cass. 5 mei 2020, AR P.19.1272.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1, AC 2020, nr. 267; Cass. 28 mei 2013, AR P.13.0066.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9, AC 2013, nr. 327, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER, RW 2013-14, 1616, noot B. DE SMET. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0743.N G. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 11 april
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de vaststelling dat de onregelmatigheid bij de ademanalyse de ernst van het misdrijf overtreft, kan geen motief opleveren om het onregelmatig verkregen bewijs toelaatbaar te achten (eerste onderdeel); voor zover die vaststelling het gevolg is van een materiële vergissing die het Hof kan verbeteren in die zin dat wordt vastgesteld dat de onregelmatigheid de ernst van het misdrijf niet overtreft, is die vaststelling geen dienend criterium om na te gaan of het recht op een eerlijk proces is aangetast door het gebruik van het bewijs; die vaststelling volstaat niet; er moet worden nagegaan of de ernst van het misdrijf de begane onregelmatigheid veruit overstijgt (tweede onderdeel).
  3. Uit artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die bij de bewijsverkrijging een onregelmatigheid vaststelt, waarvan de naleving niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en die de betrouwbaarheid van het bewijs niet heeft aangetast, moet onderzoeken of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Bij de beoordeling van dit criterium kan de rechter onder meer één of meerdere van de volgende subcriteria in aanmerking nemen: de onregelmatigheid werd opzettelijk begaan of door een daarmee gelijk te stellen grove onachtzaamheid; de ernst van het misdrijf overstijgt veruit de begane onregelmatigheid; het onregelmatig verkregen bewijs betreft alleen een materieel element van het misdrijf; de onregelmatigheid heeft een louter formeel karakter; de onregelmatigheid heeft geen weerslag op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd. De rechter is niet verplicht om al deze subcriteria bij zijn beoordeling te betrekken. Evenmin is vereist dat de rechter bij zijn beoordeling uitgaat van een letterlijke lezing van deze subcriteria. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Hoewel de appelrechters, die aannemen dat de onregelmatigheid niet opzettelijk maar per vergissing is begaan, weliswaar schrijven dat de onregelmatigheid de ernst van het misdrijf overtreft, blijkt uit het geheel van de redenen die het bestreden vonnis bevat betreffende de door de eiser aangevoerde onregelmatigheid van de uitgevoerde ademanalyse dat zij bedoelen dat de ernst van het misdrijf de begane onregelmatigheid overtreft. Op grond van de aldus gelezen overweging kunnen zij oordelen dat het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs niet strijdig is met eisers recht op een eerlijk proces en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130528.9 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200505.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.