id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 427
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 429
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Fiches 2 - 3 Wanneer een verzoeker tot verbetering het betekeningsexploot van het cassatieberoep niet heeft doen toekomen ter griffie van het Hof binnen de in artikel 429 Wetboek van strafvordering bepaalde termijn, belet de omstandigheid dat de verzoeker als eisende partij zijn cassatieberoep wel degelijk heeft laten betekenen aan de verwerende burgerlijke partijen, niet dat hij de met niet-ontvankelijkheid van zijn cassatieberoep gesanctioneerde verplichting van tijdige neerlegging heeft verzuimd; de beschikking waarin werd geoordeeld dat uit de stukken waarop acht kon worden geslagen, niet bleek dat de verzoeker als eisende partij zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verwerende burgerlijke partijen, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering, bevat dan ook geen materiële vergissing of verschrijving. Thesaurus CAS: CASSATIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 427
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 429
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 427
- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) -
Art. 429- 30 ELI link Pub nr 1808121050 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1233.N B. V., verzoeker tot verbetering van een arrest, met als raadsman mr. Chris Schijns, advocaat bij de balie Limburg, in de zaak van B. V., reeds vermeld, beklaagde, eiser, tegen
- W. L., burgerlijke partij,
- S. B, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij beschikking P.25.0970.N van 28 augustus 2025 gewezen met toepassing van artikel 433 Wetboek van Strafvordering werd het cassatieberoep van de verzoeker tegen het arrest C/954/2025 van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 juni 2025, niet toelaatbaar verklaard. In een verzoekschrift ontvangen ter griffie van het Hof op 11 september 2025 voert de verzoeker aan dat de beschikking van 28 augustus 2025 een materiële vergissing bevat aangezien anders dan wordt aangenomen de verzoeker als eiser zijn cassatieberoep tegen het voormelde arrest van 5 juni 2025 wel degelijk heeft betekend aan de verweerders. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Verzoek tot verbetering
- Artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de eiser in cassatie zijn cassatieberoep moet laten betekenen aan de partij tegen wie het is gericht, met als enige uitzondering de vervolgde partij, behoudens indien het cassatieberoep van die vervolgde partij is gericht tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke vordering.
- Volgens artikel 427, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet het exploot van betekening worden ingediend binnen de in artikel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn om een memorie in te dienen. De niet-naleving van deze formaliteit, leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
- De verplichting om tijdig het bewijs in te dienen dat is voldaan aan de betekeningsplicht, welke blijkt uit de voormelde bepalingen en de rechtspraak van het Hof en welke de raadsman van de eiser als houder van het getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken als bedoeld in boek II, titel III Wetboek van Strafvordering moet bekend zijn, moet de advocaat-generaal en het Hof in staat stellen hun werkzaamheden tijdig en zonder nutteloze inspanningen te verrichten. Die verplichting en de sanctionering ervan beogen een goede rechtsbedeling en zijn evenredig met het nagestreefde doel.
- De verzoeker was als eiser in cassatie in de zaak P.25.0970.N voor wat betreft de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke vorderingen door de verwerende burgerlijke partijen ertoe gehouden zijn cassatieberoep aan hen te laten betekenen en tijdig, dit is binnen de twee maanden na zijn cassatieberoep van 20 juni 2025, het betekeningsexploot te doen toekomen ter griffie van het Hof, dit wil zeggen ten laatste op woensdag 20 augustus
- Zoals wordt vastgesteld met de beschikking van 28 augustus 2025 en niet wordt betwist door de verzoeker, heeft de verzoeker het betekeningexploot niet doen toekomen ter griffie van het Hof binnen de voormelde wettelijk bepaalde termijn. De omstandigheid dat de verzoeker als eisende partij zijn cassatieberoep wel degelijk heeft laten betekenen aan de verwerende burgerlijke partijen, belet niet dat hij de met niet-ontvankelijkheid van zijn cassatieberoep gesanctioneerde verplichting van tijdige neerlegging heeft verzuimd.
- De beschikking van 28 augustus 2025 waarin werd geoordeeld dat uit de stukken waarop acht kon worden geslagen, niet bleek dat de verzoeker als eisende partij zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verwerende burgerlijke partijen, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering, bevat dan ook geen materiële vergissing of een verschrijving.
- Het verzoek tot verbetering van de beschikking van niet-toelaatbaarheid van 28 augustus 2025, in zoverre betrekking hebbende op de burgerlijke vordering van de verwerende burgerlijke partijen tegen de eiser, is ongegrond.
- Aangezien de eiser voor wat betreft de beslissing op de strafvordering geen betekeningsplicht heeft en met de beschikking van 28 augustus 2025 werd geoordeeld dat wat betreft het bestreden arrest van 5 juni 2025 de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen werden in acht genomen en dit arrest overeenkomstig de wet is gewezen, heeft de vordering tot verbetering daarop geen betrekking en behoeft die geen verder antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek tot verbetering. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div