← België

G. contra Lab9 Pro

Obsah (4)Art. 66Art. 324terArt. 42Art. 43

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324ter

, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen:

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324ter

, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324ter

, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 5 Het misdrijf van het deelnemen aan de besluitvorming van een criminele organisatie maakt een autonoom misdrijf uit, te onderscheiden van de misdrijven die worden gepleegd in het raam van deze organisatie; het enkele feit dat de rechter een beklaagde schuldig verklaart aan het eerst vermelde misdrijf en hem vrijspreekt voor een of meerdere van de tweede vermelde misdrijven, levert dan ook geen tegenstrijdigheid in de redenen van de beslissing op; een deelnemer aan de besluitvorming van een criminele organisatie heeft niet noodzakelijk kennis van alle activiteiten van die organisatie, noch levert de mogelijke kennis van een misdrijf als dusdanig daderschap of mededaderschap van dat misdrijf op. Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Wettelijke bepalingen:

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324ter

, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:

Art. 66

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 324ter

, § 3 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 6 - 7 Uit artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 1° en 43 Strafwetboek volgt dat de rechter die een zaak bedoeld in artikel 42, 1°, Strafwetboek verbeurdverklaart, ondubbelzinnig moet vaststellen dat die zaak eigendom is van de veroordeelde; zonder die vaststelling is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed

(1).
(1)Cass. 27 juni 2023, AR P.23.0488.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.4. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0688.N E. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jacques Vandeuren, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastleggingen B, C.3 en C.
  3. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: de appelrechters kunnen uit de door hen vastgestelde feiten, zoals weergegeven in het arrest, niet wettig afleiden dat de eiser als dader of mededader heeft deelgenomen aan de feiten onder de telastlegging A.3 (deelnemen aan de besluitvorming van een criminele organisatie); door enkel te verwijzen naar de bewijselementen ter staving van de positieve handelingen die de eiser heeft gesteld en niet te specificeren op grond van welke bewijselementen de bewezenverklaring van het moreel element wordt gesteund, dit is het deelnemingsopzet met inbegrip van de kennis van de eiser van het oogmerk van de criminele organisatie, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht in het licht van artikel 66 Strafwetboek.
  5. Artikel 324ter, § 3, Strafwetboek stelt strafbaar iedere persoon die deelneemt aan het nemen van welke beslissing dan ook in het raam van de activiteiten van een criminele organisatie, terwijl hij weet dat zijn deelneming bijdraagt tot de oogmerken van deze criminele organisatie, bedoeld in artikel 324bis Strafwetboek. Dat misdrijf staat vast van zodra de beklaagde deelneemt aan beslissingen, voorbereidingen of zelfs geoorloofde activiteiten van een criminele organisatie en aldus wetens en willens bijdraagt tot het oogmerk van die organisatie. Dat wetens en willens handelen veronderstelt dat de beklaagde het oogmerk van de criminele organisatie kent.
  6. Eensdeels verklaart het arrest de eiser niet in de hoedanigheid van deelnemer in de zin van artikel 66 Strafwetboek schuldig aan het misdrijf bepaald in artikel 324ter, § 3, Strafwetboek. In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
  7. Anderdeels is de in artikel 324ter, § 3, Strafwetboek strafbaar gestelde deelneming aan beslissingen, voorbereidingen of geoorloofde activiteiten van een criminele organisatie vreemd aan de in artikel 66 Strafwetboek strafbaar gestelde vormen van deelneming aan het plegen van misdrijven.
  8. De rechter kan het opzet vereist voor de bewezenverklaring van het in artikel 324ter, § 3, Strafwetboek bepaalde misdrijf afleiden uit de materiële gedragingen van de beklaagde die hij vaststelt. Hij oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Uit de redenen in verband met de organisatie van de oplichtingen en het opzet vereist voor het in artikel 324ter, § 3, Strafwetboek bepaalde misdrijf, alsook uit de in het onderdeel aangehaalde redenen in verband met de materiële gedragingen en de leugenachtigheid van de eiser, kan het arrest (p. 16-18) wettig afleiden dat de eiser wetens en willens heeft bijgedragen tot het oogmerk van de criminele organisatie, wat impliceert dat hij kennis had van dat oogmerk. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds oordeelt het arrest dat de eiser deel uitmaakte van een criminele organisatie en aldus per definitie kennis had van de criminele activiteiten van deze organisatie; anderdeels spreekt het arrest de eiser vrij voor bepaalde telastleggingen gepleegd in het raam van deze organisatie, namelijk de telastleggingen C.3 en C.4 (oplichting); aldus is de beslissing tegenstrijdig gemotiveerd; bovendien motiveert het arrest niet concreet op grond waarvan het vereiste deelnemersopzet bewezen wordt verklaard, namelijk hoe en waarom de eiser kennis zou hebben gehad van het feit dat zijn handelen bijdroeg tot de totstandkoming van een misdaad of een wanbedrijf.
  12. Het misdrijf van het deelnemen aan de besluitvorming van een criminele organisatie maakt een autonoom misdrijf uit, te onderscheiden van de misdrijven die worden gepleegd in het raam van deze organisatie. Het enkele feit dat de rechter een beklaagde schuldig verklaart aan het eerst vermelde misdrijf en hem vrijspreekt voor een of meerdere van de tweede vermelde misdrijven, levert dan ook geen tegenstrijdigheid in de redenen van de beslissing op.
  13. Een deelnemer aan de besluitvorming van een criminele organisatie heeft niet noodzakelijk kennis van alle activiteiten van die organisatie, noch levert de mogelijke kennis van een misdrijf als dusdanig daderschap of mededaderschap van dat misdrijf op.
  14. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  15. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel motiveert het arrest waarom het bij de eiser het morele bestanddeel van het in artikel 324ter, § 3, Strafwetboek bepaalde misdrijf bewezen verklaart. Voor het overige moet het arrest voor de schuldigverklaring van de eiser aan dat misdrijf niet motiveren hoe en waarom de eiser kennis had van het feit dat zijn handelen bijdroeg tot de totstandkoming van een misdaad of een wanbedrijf. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: de appelrechters kunnen uit de vastgestelde feiten, zoals weergegeven in het arrest, niet wettig afleiden dat de eiser als dader of mededader heeft deelgenomen aan de strafbare feiten onder de telastleggingen C.1 en C.2; door enkel te verwijzen naar de bewijselementen ter staving van de positieve handelingen gesteld door de eiser en geen melding te maken van concrete bewijselementen ter staving van het moreel element, zijnde het deelnemersopzet, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht in het licht van artikel 66 Strafwetboek.
  17. Met de in het onderdeel aangehaalde redenen oordeelt het arrest (p. 7-8) dat de eiser rechtstreeks heeft meegewerkt aan de uitvoering van de feiten van oplichting, voorwerp van de telastleggingen C.1 en C.2, doordat hij het transport van de door oplichting verkregen goederen concreet heeft voorbereid en georganiseerd, minstens gecoördineerd. Uit die redenen kan het arrest wettig het bestaan van het moreel bestanddeel van het misdrijf oplichting bij de eiser afleiden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de feiten onder de telastleggingen C.1 en C.2, maar beperkt zich tot het uiteenzetten van positieve handelingen van de eiser, zonder hierbij het bewijs van het deelnemingsopzet concreet te benoemen; het arrest laat na te motiveren hoe de eiser kennis zou hebben gehad van het feit dat zijn handelen bijdroeg tot de totstandkoming van een misdaad of wanbedrijf.
  19. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel motiveert het arrest waarom het oordeelt dat de eiser kennis had van het feit dat zijn handelen bijdroeg tot de totstandkoming van de feiten van oplichting waaraan het hem schuldig verklaart en dat hij voldoet aan het moreel bestanddeel van dat misdrijf. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  20. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 42, 1°, Strafwetboek: het arrest beveelt lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring van twee gsm-toestellen gekend onder BAJH4742 en BAJH4743, zonder vast te stellen dat ze zijn eigendom zijn.
  21. Uit artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 1° en 43 Strafwetboek volgt dat de rechter die een zaak bedoeld in artikel 42, 1°, Strafwetboek verbeurdverklaart, ondubbelzinnig moet vaststellen dat die zaak eigendom is van de veroordeelde. Zonder die vaststelling is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed.
  22. Het arrest beveelt lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring van de in het middel vermelde gsm-toestellen zonder vast te stellen dat hij eigenaar ervan is. Die beslissing is dan ook niet regelmatig met redenen omkleed. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het lastens de eiser de bijzondere verbeurdverklaring beveelt van twee gsm-toestellen gekend onder BAJH4742 en BAJH
  24. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 266,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 30 september 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250930.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.