← België

BS minister van Energie c. E.ON ENERGY PROJECTS G

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.9 Rolnummer: C.24.0123.N Zaak: BS minister van Energie c. E.ON ENERGY PROJECTS G Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige - Belastingrecht - Unierecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-06 Raadplegingen: 643 - laatst gezien 2026-06-16 18:37 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.9 Fiches 1 - 5 Een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling vereist geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INGEBREKESTELLING Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling - Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: Vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Vrije woorden: Vordering op grond van onverschuldigde betaling - Geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel van het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling Fiches 6 - 8 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat Richtlijn 2003/96/EG van toepassing is op indirecte belastingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn berekend op het verbruik van de in artikel 2 van die Richtlijn geviseerde energieproducten; daartoe moet een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaan tussen het belastbaar feit en het verbruik van de geviseerde energieproducten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 2.1,
  1. b)Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.2 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  2. a)Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2003/96/EG - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 2.1,
  3. b)Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.2 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  4. a)Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 2.1,
  5. b)Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.1 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 4.2 Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  6. a)Fiches 9 - 11 Het Hof van Justitie oordeelt dat een belasting wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen in de zin van artikel 14,
(1), a), tweede zin, Richtlijn 2003/96/EG indien die belasting vooreerst een ander dan een louter begrotingstechnisch doel heeft, waarbij voorts die belasting, in het geval dat de besteding van de opbrengsten ervan vooraf is vastgesteld, uit zichzelf de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde waarborgt en er dus een rechtstreeks verband bestaat tussen de aanwending van de opbrengsten en het specifieke doeleinde van deze belasting, dan wel die belasting, in het geval dat er geen sprake is van een vooraf vastgelegde besteding van de opbrengsten ervan, qua structuur, met name de belastinggrondslag of het belastingtarief ervan, zodanig is opgezet dat zij het gedrag van de belastingplichtigen beïnvloedt op een wijze die de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde mogelijk maakt, bijvoorbeeld door de betrokken producten zwaar te belasten om het verbruik ervan te ontmoedigen of door het gebruik aan te moedigen van andere producten waarvan de effecten in principe minder schadelijk zijn voor het milieu
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Belasting die wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  1. a)Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Richtlijn 2003/96/EG - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Belasting die wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  2. a)Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Aardgas - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Belasting die wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit - 27-10-2003 - Art. 14.1,
  3. a)Fiches 12 - 13 Noch uit de omstandigheid dat de Federale Bijdrage en de Toeslag Beschermde klanten werden aangewend ter financiering van de werking van de CREG en deze instelling krachtens artikel 23, § 1, tweede lid, 4°, Elektriciteitswet onder meer tot doel heeft bij te dragen tot het verzekeren van de ontwikkeling, op de meest kosteneffectieve manier, van veilige, betrouwbare en efficiënte niet-discriminerende netten die klantgericht zijn, de adequaatheid van netten te bevorderen alsmede, aansluitend bij de doelstellingen van het algemene energiebeleid, energie-efficiëntie en de integratie van groot- en kleinschalige productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken en te verbeteren, noch uit enige andere wettelijke bepaling of de wetsgeschiedenis, blijkt dat de bedoelde toeslagen zelf een milieudoelstelling dienen
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Artt. 15/10, § 2, en 15/11, § 1 van de Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij Wet van 26 maart 2014. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Belasting op aardgas - Federale Bijdrage op aardgas - Toeslag Beschermde klanten op aardgas - Doelstelling - Milieudoelstelling Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/10, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/11, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt - 29-04-1999 - Art. 23, § 1, tweede lid, 4° - 42 ELI link Pub nr 1999011160 Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Belasting van energieproducten en elektriciteit - Belasting op aardgas - Federale Bijdrage op aardgas - Toeslag Beschermde klanten op aardgas - Doelstelling - Milieudoelstelling Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/10, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen - 12-04-1965 - Art. 15/11, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1965041214 Wet 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt - 29-04-1999 - Art. 23, § 1, tweede lid, 4° - 42 ELI link Pub nr 1999011160 Fiche 14 Artikel 100, tweede lid, Wet Rijkcomptabiliteit betreft de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen en houdt geen verband met de verjaring van de rechtsvordering zelf
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Zie Cass. 29 januari 2016, AR C.13.0584.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.2, AC 2016 nr. 66, met concl. van eerste advocaat-generaal HENKES, op datum in Pas.; Cass. 21 april 1994, AR C.93.0329.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940421.9, AC 1994, nr. 190. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Aard - Schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provincies - Schuldvorderingen uit vonnissen Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, tweede lid - 46 ELI link Pub nr 1991071751 KB 10 december 1868 houdende algemeen reglement op Rijkscomptabiliteit - 10-12-1868 - Art. 17, 3° - 01 Link Justel databank 18681210-01 Fiche 15 De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgave uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen; deze wetsbepaling is ook van toepassing in fiscale zaken wanneer de fiscale wetgeving zelf niet in een verval- of verjaringstermijn voorziet
(1).
(1)Cass. 27 september 2024, AR F.23.0081.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8, met concl. van advocaat-generaal RAVYSE, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8; Cass. 14 april 2003, AR C.00.0167.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7, AC 2003, nr. 250; zie ook Cass. 10 september 2010, AR F.09.0063.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.3, AC 2010, nr. 510; Cass. 13 juni 2003, RW 2004-2005, 384, noot S. VAN DER JEUGHT; Cass. 25 maart 2004, AR C.01.0597.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040325.7, AC 2004, nr. 167; Cass. 31 maart 1955, AC 1955,
  1. Contra: Cass. 4 juni 2021, AR F.20.0056.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10, met gelijkluidende concl. van advocaat-generaal J. VAN DER FRAENEN, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.
  2. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikel 101, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit - Verjaringstermijn - Toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 16 Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit sluit de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, uit
(1).
(1)Cass. 27 september 2024, AR F.23.0081.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8, met concl. van advocaat-generaal RAVYSE, ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.
  1. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Toepassing artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit - Uitsluiting artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek - Verhouding Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 17 Uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit, inzonderheid de artikelen 68 en 100, volgt dat voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave uitmaken, de belanghebbende, om de betaling van de vordering te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening dient over te leggen die voor waar en echt is verklaard en is ondertekend; dat stuk dient zo spoedig mogelijk gezonden te worden naar de ambtenaar of dienstchef wie deze uitgave aangaat; deze ziet het na en stuurt het vervolgens door naar het departement waaronder hij ressorteert, samen met de diverse bescheiden waaruit de wettigheid van de vordering blijkt; in afwijking van de bepalingen vervat in het eerste lid worden de aannemers van overheidsopdrachten vrijgesteld van de certificatie en ondertekening van hun facturen voor werken, leveringen en diensten. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Schuldvorderingen ten laste van de Staat - Geen vaste uitgaven - Verplichtingen van de belanghebbende Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 68 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 18 De vordering tot teruggave van belastingen die geïnd werden in strijd met een rechtstreeks werkende bepaling van Richtlijn 2003/96/EG vormt voor de Staat geen vaste uitgave. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Vordering tot teruggave van belastingen geïnd in strijd met bepaling van Richtlijn 2003/96/EG - Wet Rijkscomptabiliteit - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0123.N BELGISCHE STAAT, FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, vertegenwoordigd door de minister van Energie, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/156, 5de verdieping, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen E.ON ENERGY PROJECTS GmbH, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 80992 München (Duitsland), Georg Brauchle Ring 52-54, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0597.886.026, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. III. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 27 september
  2. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 17 juli 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. IV. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. V. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede middel
  3. Een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid of onverschuldigde betaling vereist geen aan de dagvaarding voorafgaande ingebrekestelling. Het middel faalt naar recht. Derde middel
  4. Artikel 1 van de Richtlijn 2003/96/EG van 27 oktober 2003 van de Raad tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, hierna Richtlijn 2003/96/EG, bepaalt dat de lidstaten belasting heffen op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn. Artikel 2,
(1), b), van deze Richtlijn bepaalt dat voor de toepassing ervan onder “energieproducten” wordt verstaan onder andere producten van de GN-code 2711. Volgens de in de bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad vastgestelde gecombineerde nomenclatuur verwijst GN-code 2711 naar aardgas. Artikel 4,
(1), van deze Richtlijn bepaalt dat de belastingniveaus die de lidstaten toepassen op de in artikel 2 genoemde energieproducten en op elektriciteit, niet onder de bij deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus mogen liggen. Artikel 4,
(2), van deze Richtlijn bepaalt dat voor zijn toepassing onder “belastingniveau” wordt verstaan het totaal van alle geheven indirecte belastingen btw uitgezonderd, rechtstreeks of niet-rechtstreeks berekend over de hoeveelheid energieproducten en elektriciteit op het tijdstip van uitslag tot verbruik. Artikel 14,
(1), a), van deze Richtlijn bepaalt dat, naast de algemene bepalingen van Richtlijn 92/12/EEG inzake vrijgesteld gebruik van belastbare producten, en onverminderd andere communautaire bepalingen, de lidstaten voor onderstaande producten vrijstelling van belasting verlenen, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen: energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren. De lidstaten kunnen deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus. In dat geval wordt de op deze producten geheven belasting niet in aanmerking genomen voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel
  1. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat Richtlijn 2003/96/EG van toepassing is op indirecte belastingen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn berekend op het verbruik van de in artikel 2 van die Richtlijn geviseerde energieproducten. Daartoe moet een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaan tussen het belastbaar feit en het verbruik van de geviseerde energieproducten (HvJ 20 september 2017, Elecdey Carcelen SA e.a. / Comunidad Autónoma de Castilla-La Mancha, nr. C-215/16, C-216/16, C-220/16 en C-221/16; HvJ 1 oktober 2015, OKG AB / Skatteverket, nr. C-606/13; HvJ 4 juni 2015, Kernkraftwerke Lippe-Ems GmbH / Hauptzollamt Osnabrück, nr. C-5/14; HvJ 10 juni 1999, Braathens Sverige AB / Riksskatteverket, nr. C-346/97).
  2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de Federale Bijdrage en de Toeslag Beschermde Klanten wel degelijk een belasting zijn; - het belastbaar feit van de Federale Bijdrage het “verbruik” van aardgas is; - het belastbaar feit van de Toeslag Beschermde Klanten eveneens het “verbruik” van aardgas is; - de bestreden belastingen leveringen van aardgas belasten; - de eiser aanvoert dat de bestreden belastingen als belastbaar feit het “transport” van aardgas hebben, en niet het verbruik ervan; - het hof van beroep niet kan instemmen met de analyse van de eiser dat dit geen belasting zou zijn op het “gebruik” van aardgas; - aardgas inderdaad “vervoerd” moet worden, doch bij gebrek aan bewijs dat vervoerd en geleverd aardgas “vervliegt”, en gezien het belastbaar feit telkens, in alle bestreden belastingen, gedefinieerd is als een “gebruik” van aardgas, noodzakelijkerwijze vooraf en tegelijk vervoerd richting dat “gebruik”, de belastingen wel degelijk hetzelfde “gebruik” als dat bedoeld in artikel 14,
(1), a), EU Richtlijn 2003/96/EG betreffen; - het werkelijke verbruik wel degelijk blijkt te worden toegepast inzake bepaling van het tarief, te weten een verdeling van de te behalen opbrengst over alle belastingplichtige verbruikers, na kennis van de noodzakelijke opbrengst van de belastingen en dit uitgaande van de verbruikte hoeveelheid; - het feit dat die belastingen klaarblijkelijk qua tarief retroactief bijgesteld kunnen worden en dus het tarief kan “schommelen”, geen afbreuk doet aan het gegeven dat zij dan toch qua hoeveelheid te betalen belasting overeen blijken te stemmen met de eenheden inzake verbruik, klaarblijkelijk gespreid over alle belastingplichtigen; - het dus klaarblijkelijk telkens gaat om een zogenaamde “repartitiebelasting” uitgaande van het verbruik; - de analyse van artikel 14,
(1), a), van deze Richtlijn, samen genomen met de wetgevende en reglementaire bepalingen betreffende de bestreden belastingen, dan ook leiden tot het resultaat dat het vereiste “rechtstreeks en onlosmakelijk verband” tussen het belastbaar feit van de bestreden belastingen en het verbruik van het energieproduct aanwezig is; - het zelfs samen valt met dat belastbaar feit, vermits zonder “gebruik” en dus verbruik, geen belasting verschuldigd is; - de vrijstelling bedoeld in artikel 14,
(1), a), van de bewuste Richtlijn wel degelijk ook de hier bedoelde belastingen betreft, aangezien zij er één is op het verbruik van energieproducten, namelijk een hoeveelheid gebruikt aardgas, en dit in de mate dat dat aardgas gebruikt is voor productie van elektriciteit; - de bestreden belastingen wel degelijk een indirecte belasting op het verbruik van, onder meer, aardgas betreffen, vervat in de werkingssfeer van de bedoelde Richtlijn; - het niet is aangetoond dat louter het “vervoer” en de “levering” de belastbare feiten van de bestreden belastingen zouden zijn aangezien vooreerst de belastbare grondslag wordt bepaald door het “verbruik” van hoeveelheden energieproducten, terwijl ook dat verbruik en gebruik aanleiding geven tot aanwezigheid van het belastbaar feit; - het feit dat zulk gebruikt aardgas “vervoerd” en “geleverd” moet worden, dus samenvalt met de gebruikte “hoeveelheid”; - indien de belasting in een jaar minder moet opbrengen, de hoeveelheid te betalen belasting voor de belastingplichtige duidelijk verbonden blijft aan de hoeveelheid “aardgas geleverd voor verbruik”, ook al daalt zij qua tarief per verbruikte eenheid aardgas; - het dus niet wegens een daling van het “verbruik” is dat de hoeveelheid te betalen belasting daalt, maar wel wegens een daling van het “tarief”; - het “rechtstreeks en onlosmakelijk verband” tussen “verbruik” en de te betalen “belasting” dan dus evenzeer aanwezig blijft; - het noodzakelijke aanwezige “verband” immers niet zit in de hoogte van het tarief, wel in het verbruik, te weten het verband tussen “verbruikte eenheid” (belastbare grondslag) en “belasting” (tarief x verbruikte eenheid); - indien de “levering/afname van aardgas” “enkel in rekening genomen (wordt) om die benodigde bedragen tussen de diverse marktspelers te verdelen”, en dit ook bij een daling van het tarief, er een evenredigheid blijft bestaan tussen, voor iedere marktspeler, “het verbruik” en de “te betalen belasting”, ook al daalt de belasting; - ontegensprekelijk klaar en duidelijk een “rechtstreeks en onlosmakelijk verband” aanwezig is; - uit artikel 1 van de EU-Richtlijn 2003/96/EG blijkt dat zij van toepassing is op belasting op energieproducten en elektriciteit; - de hier bedoelde belastingen worden geheven op aardgas, wat een energieproduct is erin bedoeld; - het derhalve een belasting op een goed betreft en de bestreden belastingen na analyse, belastingen op een goed zijn gebleken, te weten aardgas, en dit als een belasting op een geleverde en gebruikte hoeveelheid van dat goed, ongeacht de daarmee door de verkoper gemaakte winst, zodat zij een indirecte belasting is. 9. Op grond van deze redenen oordelen de appelrechters naar recht dat er een rechtstreeks en onlosmakelijk verband bestaat tussen het belastbaar feit van de bestreden belastingen en het verbruik van het energieproduct aardgas, zodat Richtlijn 2003/96/EG van toepassing is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 10. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters vaststellen en aanvaarden dat de betwiste heffingen niet afhankelijk zijn van de hoeveelheid verbruikt gas, maar wel van de vooropgezette noodzakelijk te behalen op te brengen financiële doelstellingen, die omgedeeld worden tussen de verschillende energieproducenten, berust het, gelet op de redenen vermeld in r.o. 4, op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 11. In zoverre het middel gericht is tegen het oordeel van de appelrechters dat geen correlatie bewezen is tussen de betwiste belastingen op “aardgas” en enige, niet nader bewezen, “doorrekening” van concreet die precieze belasting op het “pak” elektriciteit ermee opgewekt en in het net gestuurd, is het niet gericht tegen het oordeel van de appelrechters dat het vereiste rechtstreeks en onlosmakelijk verband tussen het belastbaar feit van de bestreden belastingen en het verbruik van het energieproduct aardgas aanwezig is en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. 12. De door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie is niet relevant om het middel te beoordelen en wordt aldus niet gesteld. Vierde middel 13. Artikel 14,
(1), a), Richtlijn 2003/96/EG bepaalt dat, naast de algemene bepalingen van Richtlijn 92/12/EEG inzake vrijgesteld gebruik van belastbare producten, en onverminderd andere communautaire bepalingen, de lidstaten voor onderstaande producten vrijstelling van belasting verlenen, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen: energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren. De lidstaten kunnen deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus. In dat geval wordt de op deze producten geheven belasting niet in aanmerking genomen voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel 10. 14. Het Hof van Justitie oordeelt dat een belasting wordt geheven uit milieubeleidsoverwegingen in de zin van artikel 14,
(1), a), tweede zin, Richtlijn 2003/96/EG indien die belasting vooreerst een ander dan een louter begrotingstechnisch doel heeft, waarbij voorts die belasting, in het geval dat de besteding van de opbrengsten ervan vooraf is vastgesteld, uit zichzelf de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde waarborgt en er dus een rechtstreeks verband bestaat tussen de aanwending van de opbrengsten en het specifieke doeleinde van deze belasting, dan wel die belasting, in het geval dat er geen sprake is van een vooraf vastgelegde besteding van de opbrengsten ervan, qua structuur, met name de belastinggrondslag of het belastingtarief ervan, zodanig is opgezet dat zij het gedrag van de belastingplichtigen beïnvloedt op een wijze die de verwezenlijking van het ingeroepen specifieke doeleinde mogelijk maakt, bijvoorbeeld door de betrokken producten zwaar te belasten om het verbruik ervan te ontmoedigen of door het gebruik aan te moedigen van andere producten waarvan de effecten in principe minder schadelijk zijn voor het milieu (HvJ 22 juni 2023, Endesa Generación SAU t. Tribunal Económico Administrativo Central, nr. C-833/21).
  1. Noch uit de omstandigheid dat de Federale Bijdrage en de Toeslag Beschermde klanten werden aangewend ter financiering van de werking van de CREG en deze instelling krachtens artikel 23, § 1, tweede lid, 4°, Elektriciteitswet onder meer tot doel heeft bij te dragen tot het verzekeren van de ontwikkeling, op de meest kosteneffectieve manier, van veilige, betrouwbare en efficiënte niet-discriminerende netten die klantgericht zijn, de adequaatheid van netten te bevorderen alsmede, aansluitend bij de doelstellingen van het algemene energiebeleid, energie-efficiëntie en de integratie van groot- en kleinschalige productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te vergemakkelijken en te verbeteren, noch uit enige andere wettelijke bepaling of de wetsgeschiedenis, blijkt dat de bedoelde toeslagen zelf een milieudoelstelling dienen. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Vijfde middel Ontvankelijkheid
  2. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: de eiser heeft geen belang bij zijn middel omdat het Hof artikel 100, tweede lid, Wet Rijkscomptabiliteit in samenhang met artikel 17, 3°, van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit als redenen voor de bestreden beslissing kan substitueren.
  3. Artikel 100, tweede lid, Wet Rijkscomptabiliteit, zoals van toepassing, bepaalt dat voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen de tienjarige verjaring blijft gelden. Zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas.
  4. Deze bepaling betreft de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen en houdt geen verband met de verjaring van de rechtsvordering zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  5. Krachtens artikel 100, eerste lid, Wet Rijkscomptabiliteit zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgave uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen. Aldus is deze wetsbepaling ook van toepassing in fiscale zaken wanneer de fiscale wetgeving zelf niet in een verval- of verjaringstermijn voorziet. Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit sluit de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, uit.
  6. Uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit, inzonderheid de artikelen 68 en 100, volgt dat voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave uitmaken, de belanghebbende, om de betaling van de vordering te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening dient over te leggen die voor waar en echt is verklaard en is ondertekend. Dat stuk dient zo spoedig mogelijk gezonden te worden naar de ambtenaar of dienstchef wie deze uitgave aangaat. Deze ziet het na en stuurt het vervolgens door naar het departement waaronder hij ressorteert, samen met de diverse bescheiden waaruit de wettigheid van de vordering blijkt. In afwijking van de bepalingen vervat in het eerste lid worden de aannemers van overheidsopdrachten vrijgesteld van de certificatie en ondertekening van hun facturen voor werken, leveringen en diensten.
  7. De vordering tot teruggave van belastingen die geïnd werden in strijd met een rechtstreeks werkende bepaling van Richtlijn 2003/96/EG vormt voor de Staat geen vaste uitgave.
  8. De appelrechters die oordelen dat artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit niet van toepassing is op de vordering van de verweerster tot terugbetaling van belastingen die ze vóór 1 januari 2012 in strijd met artikel 14,
(1), a), Richtlijn 2003/96/EG betaalde, omdat er geen overlegging van die vordering bestaat die op wettelijke of reglementaire wijze is bepaald, schenden artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit en de artikelen 68 en 100 van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de rijkscomptabiliteit. Het middel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de vordering van de verweerster voor wat betreft de belastingen betaald vóór 1 januari 2012, en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 2 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940421.9 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030414.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040325.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100910.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160129.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210604.1N.10 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210604.1N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.