← België

RVA contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.2 Rolnummer: S.24.0012.N Zaak: RVA contra E. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-11-26 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-16 18:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiche 1 Uit artikel 60 Uitvoeringsbesluit Werkloosheid volgt dat de in het tweede lid bepaalde voorwaarden cumulatief vervuld moeten zijn opdat het inkomen uit een beroepsactiviteit van de echtgenoot of echtgenote voor de toepassing van artikel 110, § 1, eerste lid, 1°, Werkloosheidsbesluit niet als een beroepsinkomen moet worden beschouwd en de werkloze uitkeringen kan genieten als werknemer met gezinslast; hieruit volgt dat wanneer de samenwonende echtgenoot of echtgenote van de werkloze een beroepsactiviteit uitoefent en de werkloze hiervan geen aangifte doet bij de uitkeringsaanvraag of bij de aanvang van deze beroepsactiviteit, de werkloze niet als een werknemer met gezinslast kan worden aangezien, maar als een samenwonende werknemer zoals bedoeld in artikel 110, § 3, Werkloosheidsbesluit moet worden aangezien, ongeacht of het bedrag van het inkomen uit arbeid in loondienst van de echtgenoot of echtgenote het in artikel 60, tweede lid, 3°, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid bepaalde grensbedrag al dan niet overschrijdt. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - BEDRAG Vrije woorden: Samenwonend - Gezinslast - Onderscheid - Voorwaarden - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 110, § 3 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 MB 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering - 26-11-1991 - Art. 60 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Fiche 2 Uit de samenhang tussen de artikelen 110 en 134 Werkloosheidsbesluit en artikel 60 Uitvoeringsbesluit Werkloosheid volgt dat wanneer de samenwonende echtgenoot of echtgenote van een werkloze die als werknemer met gezinslast uitkeringen geniet, gedurende zijn of haar werkloosheid een beroepsactiviteit aanvat waaruit de echtgenoot of echtgenote een beroepsinkomen verkrijgt, de werkloze verplicht is hiervan aangifte te doen; de omstandigheid dat het bedrag van het inkomen uit arbeid in loondienst van de echtgenoot of echtgenote het in artikel 60, tweede lid, 3°, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid bepaalde grensbedrag niet overschrijdt, ontslaat de werkloze niet van die verplichting; wanneer de werkloze die verplichting niet of laattijdig naleeft, heeft hij voor de periode dat hij in gebreke blijft geen recht op uitkeringen als werknemer met gezinslast, maar slechts op uitkeringen als samenwonende werknemer, dient hij het teveel ontvangen verschil terug te betalen en kan hij gedurende ten minste 8 weken van het recht op werkloosheidsuitkeringen worden uitgesloten. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - BEDRAG Vrije woorden: Samenwonend - Beroepsinkomen - Aangifteplicht - Geen aangifte - Gevolg Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 110, § 3 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 134 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 MB 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering - 26-11-1991 - Art. 60 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Tekst van de beslissing Nr. S.24.0012.N RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.737.484, eiser, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen N.E.M., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 9 november 2023. Ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Overeenkomstig artikel 114, § 1, eerste lid, Werkloosheidsbesluit wordt het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering van de volledig werkloze vastgesteld in functie van een percentage van het gemiddeld dagloon, de gezinscategorie waartoe de werkloze behoort, bedoeld in artikel 110, het toepasselijke grensbedrag bedoeld in artikel 111, de werkloosheidsduur en het beroepsverleden. 2. Artikel 110 Werkloosheidsbesluit onderscheidt drie gezinscategorieën: de werknemer met gezinslast, omschreven in paragraaf 1, de alleenwonende werknemer, omschreven in paragraaf 2, en de samenwonende werknemer, omschreven in paragraaf 3. Onder werknemer met gezinslast wordt krachtens artikel 110, § 1, eerste lid, 1°, onder meer verstaan de werknemer die samenwoont met een echtgenoot of echtgenote die noch over beroepsinkomens, noch over vervangingsinkomens beschikt. Onder alleenwonende werknemer wordt krachtens artikel 110, § 2, verstaan, de werknemer die alleen woont, met uitzondering van de werknemer bedoeld in § 1, 3° tot 6°. Onder samenwonende werknemer wordt krachtens artikel 110, § 3, verstaan de werknemer die noch bedoeld is in § 1, noch in § 2. 3. Krachtens artikel 110, § 5, eerste lid, Werkloosheidsbesluit bepaalt de minister, na advies van het beheerscomité, wat verstaan wordt onder samenwonen, beroepsinkomen, vervangingsinkomen en pleegouders, en welke voorwaarden vervuld moeten zijn om als financieel ten laste te worden beschouwd. Krachtens artikel 60, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid wordt onder beroepsinkomen verstaan elk inkomen dat voortspruit uit de uitoefening van een beroepsactiviteit, alsmede de inkomsten bedoeld in artikel 46, § 1 en § 2, Werkloosheidsbesluit. Krachtens artikel 60, tweede lid, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid wordt in afwijking van het eerste lid, het inkomen van de echtgenoot of echtgenote voor de toepassing van artikel 110, § 1, eerste lid, 1°, Werkloosheidsbesluit evenwel niet als een beroepsinkomen beschouwd indien gelijktijdig aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1° de werknemer doet aangifte van dit inkomen van zijn echtgenoot of echtgenote bij zijn uitkeringsaanvraag of bij de aanvang van de uitoefening van deze beroepsactiviteit; 2° dit inkomen vloeit voort uit arbeid in loondienst; 3° het brutobedrag van dit inkomen bedraagt normaal gemiddeld per maand niet meer dan 569,11 euro en de echtgenoot of echtgenote geniet voor de beschouwde maand geen vervangingsinkomen, behalve indien dit toegekend wordt ingevolge arbeidsongeschiktheid of ingevolge tijdelijke werkloosheid in de tewerkstelling met een inkomen dat in toepassing van deze bepaling niet als een beroepsinkomen wordt beschouwd en voor zover het brutobedrag van dit vervangingsinkomen, verhoogd met het inkomen uit de arbeid in loondienst, de voormelde grens niet overschrijdt. 4. Uit artikel 60 Uitvoeringsbesluit Werkloosheid volgt dat de in het tweede lid bepaalde voorwaarden cumulatief vervuld moeten zijn opdat het inkomen uit een beroepsactiviteit van de echtgenoot of echtgenote voor de toepassing van artikel 110, § 1, eerste lid, 1°, Werkloosheidsbesluit niet als een beroepsinkomen moet worden beschouwd en de werkloze uitkeringen kan genieten als werknemer met gezinslast. Hieruit volgt dat wanneer de samenwonende echtgenoot of echtgenote van de werkloze een beroepsactiviteit uitoefent en de werkloze hiervan geen aangifte doet bij de uitkeringsaanvraag of bij de aanvang van deze beroepsactiviteit, de werkloze niet als een werknemer met gezinslast kan worden aangezien, maar als een samenwonende werknemer zoals bedoeld in artikel 110, § 3, Werkloosheidsbesluit moet worden aangezien, ongeacht of het bedrag van het inkomen uit arbeid in loondienst van de echtgenoot of echtgenote het in artikel 60, tweede lid, 3°, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid bepaalde grensbedrag al dan niet overschrijdt. 5. Krachtens artikel 134, § 1, 2°, Werkloosheidsbesluit moet de werkloze bij zijn uitbetalingsinstelling een nieuw dossier indienen, bevattende alle stukken welke de directeur nodig heeft om over het recht op uitkeringen te beslissen en het bedrag ervan te bepalen, wanneer er zich een wijzigende gebeurtenis heeft voorgedaan die van invloed is op het recht op uitkeringen of op het bedrag ervan. Wanneer er zich een wijzigende gebeurtenis heeft voorgedaan in de persoonlijke of familiale toestand van de werkloze die van invloed is op het recht op uitkeringen of het bedrag ervan, moet het dossier krachtens artikel 134, § 2, 3°, Werkloosheidsbesluit een aangifte van de persoonlijke of familiale toestand bevatten. 6. Krachtens artikel 153, eerste lid, 2°, Werkloosheidsbesluit kan de werkloze van de uitkeringen uitgesloten worden gedurende ten minste 4 en ten hoogste 13 weken indien hij onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen doordat hij een verplichte verklaring, anders dan deze bedoeld in artikel 134, § 3, niet of te laat heeft afgelegd. In afwijking hiervan bepaalt artikel 153, derde lid, dat de minimumduur van de uitsluiting 8 weken bedraagt indien de toepassing van dit lid het gevolg is van een onjuiste of onvolledige verklaring of van het niet of te laat afleggen van een verplichte verklaring, aangaande de gezinstoestand bedoeld in artikel 110. Krachtens artikel 169, eerste lid, Werkloosheidsbesluit dient elke onrechtmatig ontvangen som te worden terugbetaald. 7. Uit de samenhang tussen de artikelen 110 en 134 Werkloosheidsbesluit en artikel 60 Uitvoeringsbesluit Werkloosheid volgt dat wanneer de samenwonende echtgenoot of echtgenote van een werkloze die als werknemer met gezinslast uitkeringen geniet, gedurende zijn of haar werkloosheid een beroepsactiviteit aanvat waaruit de echtgenoot of echtgenote een beroepsinkomen verkrijgt, de werkloze verplicht is hiervan aangifte te doen. De omstandigheid dat het bedrag van het inkomen uit arbeid in loondienst van de echtgenoot of echtgenote het in artikel 60, tweede lid, 3°, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid bepaalde grensbedrag niet overschrijdt, ontslaat de werkloze niet van die verplichting. Wanneer de werkloze die verplichting niet of laattijdig naleeft, heeft hij voor de periode dat hij in gebreke blijft geen recht op uitkeringen als werknemer met gezinslast, maar slechts op uitkeringen als samenwonende werknemer, dient hij het teveel ontvangen verschil terug te betalen en kan hij gedurende ten minste 8 weken van het recht op werkloosheidsuitkeringen worden uitgesloten. 8. De appelrechters stellen vast dat: - de verweerder vanaf 23 juli 2019 uitkeringen ontving als werknemer met gezinslast op grond van zijn aangifte met formulier C1 van 31 juli 2019 dat hij samenwoont met zijn echtgenote ten laste; - het blijkt dat zijn echtgenote in de periode van 2 juni 2020 tot 1 september 2020 over een inkomen uit arbeid beschikte; - de verweerder daarvan geen aangifte deed; - uit de stukken van de verweerder blijkt dat zijn echtgenote in die periode was tewerkgesteld in een regime van 10 uur per week aan een basisloon van 11,35 euro; - de echtgenote van de verweerder hierbij een inkomen genoot van 395,25 euro in juni 2020, 36,69 euro in juli 2020 en 86,79 euro in augustus 2020; - dit inkomen manifest lager is dan het grensbedrag bepaald in artikel 60, tweede lid, 3°, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid. 9. De appelrechters oordelen vooreerst dat de in artikel 60, tweede lid, Uitvoeringsbesluit bepaalde voorwaarden inderdaad cumulatieve voorwaarden zijn waaraan gelijktijdig moet worden voldaan en dat aan de eerste voorwaarde niet is voldaan. Vervolgens oordelen zij evenwel dat de niet-aangifte door de verweerder van de beroepsinkomsten van zijn echtgenote in de periode van 2 juni 2020 tot 1 september 2020 niet belet dat de verweerder in die periode toch moet beschouwd worden als een werknemer met gezinslast in de zin van artikel 110, § 1, eerste lid, Werkloosheidsbesluit, op grond dat: - artikel 60 Uitvoeringsbesluit Werkloosheid niet verhindert dat de werkloze alsnog kan bewijzen dat hij gezinshoofd is en het beroepsinkomen van de echtgenote het in het tweede lid, 3°, bepaalde grensbedrag niet overschrijdt; - artikel 134, § 1, 2°, Werkloosheidsbesluit dat bepaalt dat een verplichte aangifte dient te gebeuren wanneer er zich gedurende de werkloosheid een wijzigende gebeurtenis voordoet “die van invloed is” op het recht op uitkeringen of op het bedrag ervan immers door artikel 60 Uitvoeringsbesluit Werkloosheid onverlet wordt gelaten; - aangezien de verweerder alsnog aantoont dat het beroepsinkomen van zijn samenwonende echtgenote in de periode van 2 juni 2020 tot 1 september 2020 het in artikel 60, tweede lid, 3°, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid bepaalde grensbedrag niet overschrijdt, het aanvatten van die beroepsactiviteit niet kon worden beschouwd als een wijzigende gebeurtenis in zijn persoonlijke of familiale toestand die van invloed was op zijn recht op uitkeringen of op het bedrag ervan. 10. De appelrechters die aldus met schending van artikel 60, tweede lid, Uitvoeringsbesluit Werkloosheid en artikel 134, § 1, 2°, en § 2, 3°, Werkloosheidsbesluit besluiten dat het aanvatten van de beroepsactiviteit van de echtgenote geen wijzigende gebeurtenis in de persoonlijke of familiale toestand is die van invloed was op het bedrag van de uitkering waarop de verweerder gerechtigd was, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Kosten 11. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de eiser te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent. Bepaalt de kosten voor de eiser op 983,75 euro en op de som van 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, als voorzitter, de sectievoorzitters Mireille Delange en Bart Wylleman, raadsheer Bruno Lietaert en ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2025 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.2 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260331.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.