id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 48
/2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 48
/3, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 48
/4, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 55
/4, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 55
/2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 55
/4, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - 08-07-1976 - Art. 57, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Algemeen rechtsbeginsel van overmacht Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Terugkeer land van herkomst of derde land - Verhindering - Overmacht - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 48
/2 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 48
/3, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 48
/4, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 55
/4, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 55
/2, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering
Art. 55
/4, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn - 08-07-1976 - Art. 57, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Algemeen rechtsbeginsel van overmacht Tekst van de beslissing Nr. S.23.0062.N M.T., eiser, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beschikking van 16 augustus 2023, (nr. …) vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ROESELARE, met zetel te 8800 Roeselare, Gasthuisstraat 10, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0212.174.137, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 8 juni 2023. Ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 48/2 Vreemdelingenwet kan als vluchteling of als persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming worden erkend, de vreemdeling die voldoet aan de in artikel 48/3 of artikel 48/4 bedoelde voorwaarden. Krachtens artikel 48/3, § 1, Vreemdelingenwet wordt de vluchtelingenstatus toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967, hierna Vluchtelingenverdrag. Krachtens artikel 48/4, § 1, Vreemdelingenwet wordt de subsidiaire beschermingsstatus toegekend aan de vreemdeling die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. Volgens paragraaf 2 van dat artikel bestaat ernstige schade uit:
- a)doodstraf of executie; of,
- b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of,
- c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Krachtens artikel 55/2, eerste lid, Vreemdelingenwet wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij valt onder artikel 1 D, E of F van het Vluchtelingenverdrag. Dit is ook van toepassing op personen die wetens en willens aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de in artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven of daden. Overeenkomstig artikel 1 F Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
- a)hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
- b)hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
- c)hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen van de Verenigde Naties. Krachtens artikel 55/4, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet wordt een vreemdeling uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
- a)hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
- b)hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties;
- c)hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Het eerste lid is ook van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de hierboven genoemde misdrijven of daden. 2. Artikel 55/2, tweede lid, Vreemdelingenwet bepaalt dat wanneer de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een vreemdeling met toepassing van het eerste lid uitsluit van de vluchtelingenstatus, hij in het kader van zijn beslissing een advies verstrekt over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4. Artikel 55/4, § 4, Vreemdelingenwet bepaalt eveneens dat wanneer de Commissaris-generaal een vreemdeling uitsluit van de subsidiaire beschermingsstatus, hij in het kader van zijn beslissing een advies verstrekt over de verenigbaarheid van een verwijderingsmaatregel met de artikelen 48/3 en 48/4. 3. Krachtens de artikelen 1 en 57, § 1, OCMW-wet heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de maatschappelijke dienstverlening te verzekeren waarop elke persoon recht heeft. Deze dienstverlening die tot doel heeft eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid, kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn. Krachtens artikel 57, § 2, eerste lid, 1°, OCMW-wet is de taak van het OCMW in afwijking van de andere bepalingen van deze wet beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Krachtens artikel 57, § 2, vierde lid, OCMW-wet, zoals hier van toepassing, verblijft een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. Krachtens artikel 57, § 2, vijfde lid, OCMW-wet, zoals hier van toepassing, wordt de maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. 4. Uit artikel 57, § 2, OCMW-wet volgt aldus dat vreemdelingen in beginsel slechts recht hebben op de gewone maatschappelijke dienstverlening op voorwaarde dat zij gemachtigd zijn in het Rijk te verblijven. De in artikel 57, § 2, OCMW-wet bepaalde beperking van de maatschappelijke dienstverlening geldt echter niet voor vreemdelingen die door overmacht verhinderd zijn terug te keren naar hun land van herkomst of een ander land. 5. Overmacht die de vreemdeling verhindert terug te keren naar zijn land van herkomst of een ander land, kan enkel voortvloeien uit een omstandigheid buiten zijn wil en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden. De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde feiten en omstandigheden die de terugkeer naar het land van herkomst of een ander land zouden beletten, een geval van overmacht uitmaken. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij in aanmerking neemt, wettig overmacht heeft kunnen afleiden of het bestaan van overmacht wettig heeft kunnen verwerpen. 6. De appelrechters stellen vast dat: - de eiser die de Syrische nationaliteit heeft, op 6 oktober 2015 een eerste verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend en door Fedasil werd toegewezen aan het lokaal opvanginitiatief dat door de verweerder werd georganiseerd; - dit eerste verzoek bij beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van 22 november 2018 werd afgewezen op grond van de vaststelling dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de eiser wetens en willens medeplichtig is aan misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven waaraan het veiligheidsapparaat van het Syrische Baath-regime zich sedert decennia schuldig maakt, zodat de eiser op basis van artikel 1 F Vluchtelingenverdrag en artikel 55/2 Vreemdelingenwet moet worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus en op grond van artikel 55/4 Vreemdelingenwet ook moet worden uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus; - de Commissaris-generaal in die beslissing ook vaststelt dat de eiser een terechte vrees voor vervolging dient te koesteren ten aanzien van de Syrische overheid en de gewapende groeperingen die ertegen strijd voeren, op grond daarvan van oordeel is dat de eiser noch direct noch indirect mag worden teruggeleid naar Syrië en zodoende het advies verstrekt dat een verwijderingsmaatregel niet verenigbaar is met de artikelen 48/3 en 48/4 Vreemdelingenwet; - de beslissing van de Commissaris-generaal bij beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 8 maart 2021 werd bevestigd, waartegen geen beroep werd ingesteld; - hoewel in de beslissing van de Commissaris-generaal het advies werd verleend dat de eiser niet kon teruggeleid worden naar Syrië, hij op 25 juni 2021 toch het bevel kreeg om het grondgebied te verlaten, waartegen hij geen beroep heeft aangetekend; - de eiser aansluitend daarop het lokaal opvanginitiatief diende te verlaten en ook de materiële hulp door de verweerder werd stopgezet; - de eiser vervolgens op 19 oktober 2021 een tweede verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend dat bij beslissing van de Commissaris-generaal van 25 januari 2022 als niet-ontvankelijk werd afgewezen; - de Commissaris-generaal ook in die beslissing aan de minister en zijn gemachtigde het advies verstrekte dat een verwijdering of terugdrijving van de eiser naar zijn land van nationaliteit of van gewoonlijk verblijf het non-refoulementbeginsel zal schenden in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4 Vreemdelingenwet; - de eiser op 9 september 2021 bij de verweerder een aanvraag tot financiële steun heeft ingediend die op 6 oktober 2021 werd afgewezen; - de eerste rechters die oordeelden dat de eiser zich op overmacht kon beroepen en om redenen onafhankelijk van zijn wil niet naar zijn land van oorsprong kon terugkeren, het beroep van de eiser gegrond hebben verklaard. Zij oordelen dat aan de eiser geen andere steun kan worden toegekend dan de dringende medische hulp op grond dat: - niet kan betwist worden dat de eiser die een uitgeprocedeerde vreemdeling is die een bevel kreeg om het grondgebied te verlaten, illegaal op het grondgebied verblijft; - uit de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bevestigde beslissingen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen blijkt dat de eiser deel uitmaakte van het Syrische veiligheidsapparaat en dat hem daarom geen internationale bescherming, noch de subsidiaire beschermingsstatus werd verleend; - een beslissing tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus impliceert dat de uitgesloten aanvrager tot internationale bescherming illegaal wordt verklaard op het Belgische grondgebied; - het aan zulke beslissing toegevoegde niet-bindend advies van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen over het risico bij terugkeer duidelijk maakt dat de uitgesloten asielzoeker niet mag worden uitgewezen; - zulk advies betekent dat de aanvrager om internationale bescherming bij terugkeer in eigen land een reëel risico loopt te zullen worden onderworpen aan behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM, onder andere foltering of onmenselijke behandelingen; - de eiser in niets verschilt van de andere uitgeprocedeerde vreemdelingen; - aan de eiser die op grond van artikel 1 F Vluchtelingenverdrag wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus, niet meer rechten kunnen worden toegekend dan de andere aanvragers om internationale bescherming die uitgeprocedeerd zijn; - anders oordelen erop zou neerkomen dat ‘oorlogsmisdadigers’ meer rechten zouden worden toebedeeld dan andere uitgeprocedeerde aanvragers om internationale bescherming, hetgeen een ongeoorloofde discriminatie zou inhouden ten aanzien van personen die zich in een compleet identieke situatie bevinden; - van de internationale beschermingsstatus uitgesloten asielzoekers net als andere mensen zonder wettig verblijf in België een heel beperkte toegang tot rechten en diensten hebben; - niet blijkt dat de zoon van de eiser nood heeft aan mantelzorg, zodat de eiser zich evenmin kan beroepen op de medische situatie van zijn zoon; - aan de zijde van de eiser geen redenen van overmacht kunnen worden aangenomen welke ertoe leiden dat hij aanspraak zou kunnen maken op materiële steun, andere dan dringende medische hulp; - artikel 1 F Vluchtelingenverdrag overheden voor een moeilijke uitdaging plaatst aangezien aanvragers om internationale bescherming die ernstige misdaden hebben begaan, uitgesloten moeten worden van de vluchtelingenstatus en van subsidiaire bescherming, terwijl ze volgens artikel 3 EVRM ook niet kunnen worden teruggestuurd naar hun land van herkomst; - dit een moeilijke en ongemakkelijke spreidstand is die evenwel niet belet dat aan de eiser geen andere steun kan worden toegekend dan de dringende medische hulp. 7. Met voormelde redenen nemen de appelrechters aan dat de eiser wegens een terechte vrees voor vervolging niet naar zijn land van herkomst kan terugkeren en hij niet zonder schending van artikel 3 EVRM naar dat land kan worden teruggeleid omdat hij bij terugkeer een reëel risico loopt te zullen worden onderworpen aan behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM, zoals foltering of onmenselijke en vernederende behandelingen. De appelrechters die niet vaststellen dat de redenen die de terugkeer van de eiser naar zijn land van herkomst beletten, voortvloeien uit omstandigheden die niet buiten zijn wil zijn en die hij had kunnen voorzien of vermijden, maar oordelen dat er aan de zijde van de eiser geen overmacht kan worden aangenomen omdat anders oordelen ertoe zou leiden dat aan de eiser meer rechten zouden worden toegekend dan aan andere uitgeprocedeerde aanvragers om internationale bescherming, wat een ongeoorloofde discriminatie zou inhouden, miskennen hiermee het algemeen rechtsbeginsel van overmacht en verantwoorden hun beslissing zodoende niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 8. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Kosten 9. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser in debet op 249,65 euro. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, als voorzitter, de sectievoorzitters Mireille Delange en Bart Wylleman, raadsheer Bruno Lietaert en ere-sectievoorzitter Koen Mestdagh, plaatsvervangend magistraat, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2025 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001218.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div