← België

Coöperatieve Veiling Roeselare contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.5 Rolnummer: C.22.0314.N Zaak: Coöperatieve Veiling Roeselare contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-11-26 Raadplegingen: 487 - laatst gezien 2026-06-18 13:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR Fiche 1 Artikel 19, eerste en tweede lid Gerechtelijk Wetboek sluit uit dat, in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen, opnieuw uitspraak wordt gedaan over een geschilpunt waarover een eindbeslissing is gewezen, zelfs indien nieuwe middelen worden aangevoerd; het volstaat dat het geschilpunt aan de rechter was voorgelegd en dat de partijen hierover debat konden voeren, zelfs indien zij dat niet hebben gedaan. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Eindbeslissing - Nieuwe middelen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 De rechter die tot beoordeling van zijn rechtsmacht of bevoegdheid steunt op de vordering zoals zij is geformuleerd in de gedinginleidende akte, neemt bij die beoordeling geen eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Rechtsmacht - Bevoegdheid - Vorderingen zoals gesteld in gedinginleidende akte - Beoordeling door de rechter - Aard van de beslissing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0314.N COÖPERATIEVE VEILING ROESELARE cv, met zetel te 8800 Roeselare, Oostnieuwkerksesteenweg 101, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0405.544.330, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen F.D., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 9 maart 2022. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 20 mei 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, één middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis een eindvonnis is voor zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de bij wet bepaalde rechtsmiddelen. Het tweede lid vervolgt dat de rechter die zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput terzake niet meer kan worden geadieerd, behoudens de bij dit wetboek bepaalde uitzonderingen. 2. Deze bepalingen sluiten uit dat, in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen, opnieuw uitspraak wordt gedaan over een geschilpunt waarover een eindbeslissing is gewezen, zelfs indien nieuwe middelen worden aangevoerd. Het volstaat dat het geschilpunt aan de rechter was voorgelegd en dat de partijen hierover debat konden voeren, zelfs indien zij dat niet hebben gedaan. 3. De rechter die tot beoordeling van zijn rechtsmacht of bevoegdheid steunt op de vordering zoals zij is geformuleerd in de gedinginleidende akte, neemt bij die beoordeling geen eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering. 4. In het tussenarrest van 27 mei 2020 heeft de appelrechter de exceptie van rechtsmacht gesteund op het arbitragebeding in de overeenkomst tussen de partijen afgewezen op de gronden dat: - de door de verweerder in zijn dagvaarding geformuleerde vordering de door hem gevorderde betaling voortvloeiend uit een handelstransactie tussen hem en de eiseres behelst; - opdat het geschil voortvloeiend uit die verkoop zou zijn onderworpen aan arbitrage, de partijen duidelijk ervoor moeten hebben gekozen om ook die specifieke rechtsverhouding te onderwerpen aan arbitrage; - de eiseres dat niet hard maakt aangezien de draagwijdte van het arbitragebeding beperkt is tot geschillen aangaande de vennootschap; - het argument van de eiseres dat het geschil “over meer dan de verkoop van fruit gaat” niet kan overtuigen; - het immers de door de verweerder geformuleerde vordering waarmee het geding werd ingeleid is, die moet worden getoetst aan het arbitragebeding en die deze toets niet doorstaat; - het hof van beroep gebonden is door de vordering van de verweerder zoals door hem geformuleerd in de gedinginleidende akte en beoordeeld in het beroepen vonnis. De appelrechter stelt aldus vast dat hij in zijn tussenarrest van 27 mei 2020: - enkel op basis van de vordering zoals zij door de verweerder is geformuleerd in de gedinginleidende akte uitspraak heeft gedaan over de door de eiseres opgeworpen exceptie van gebrek aan rechtsmacht omwille van een arbitragebeding; - zich gebonden achtte door de wijze van formulering van de vordering van de verweerder om het voorwerp van die vordering te kwalificeren en vervolgens te oordelen dat zij niet onder het arbitragebeding viel; - zodoende de exceptie van gebrek aan rechtsmacht heeft afgewezen. 5. De appelrechter oordeelt in het bestreden arrest dat in het tussenarrest de rechtsverhouding tussen de partijen definitief werd gekwalificeerd als een verkoop van fruit en dat de actuele overwegingen van de eiseres dat geen sprake zou zijn van een zuivere koop-verkoopovereenkomst bijgevolg niet verenigbaar zijn met wat reeds definitief werd beslist in het tussenarrest van 27 mei 2020. De appelrechter die aldus in het bestreden arrest oordeelt dat hij zich tot beoordeling van de gegrondheid van de vordering van de verweerder moet richten naar de definitieve kwalificatie van het voorwerp van die vordering in het tussenarrest, dat in zoverre een eindbeslissing bevat, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Bruno Lietaert en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 6 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251006.3N.5 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.