id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.16 Rolnummer: P.25.0852.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-10-13 Raadplegingen: 467 - laatst gezien 2026-06-19 01:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 De rechter kan een toestand van herhaling als bedoeld door de artikelen 30, vierde lid, en 48, tweede lid, Wegverkeerswet en van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet aannemen indien hij vaststelt dat die toestanden, zoals omschreven in de bewoordingen van de strafwet, door de beklaagde niet worden betwist
(1).
(1)Zie Cass. 31 december 2024, AR P.24.1412.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.
- Thesaurus CAS: HERHALING Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0852.N M. M., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Sophia Robillard en mr. Wiet Goris, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 7 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis spreekt de eiser vrij voor het feit omschreven onder de telastlegging E. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte vaststelt dat de eiser op de rechtszitting de feiten omschreven onder de telastleggingen B, C en D niet langer heeft betwist; de eiser betwist dit manifest en hij betwist evenzeer dat hij afstand heeft gedaan van de grief betreffende de schuld; de eiser was op die rechtszitting zelf niet aanwezig, maar hij werd vertegenwoordigd door zijn raadsman; het proces-verbaal van de rechtszitting maakt geen melding van een afstand van de grief over de schuld betreffende de telastleggingen B, C en D; ingeval van een tegenstrijdigheid tussen de vermeldingen van het proces-verbaal van de rechtszitting en van het vonnis, heeft het proces-verbaal voorrang en moeten de daarmee strijdige vermeldingen in het vonnis buiten beschouwing worden gelaten.
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat de eiser afstand heeft gedaan van de grief betreffende de schuld aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B, C en D. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- De rechter kan in zijn vonnis vaststellen dat een beklaagde, desgevallend vertegenwoordigd door zijn raadsman, op de rechtszitting zijn schuld aan een of meer telastleggingen niet langer heeft betwist, ook als die vaststelling niet is opgenomen in het proces-verbaal van de rechtszitting. Een dergelijke vaststelling in het vonnis heeft authentieke bewijswaarde en kan slechts worden bestreden door een valsheidsbetichting. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 5, randnr. 4) stelt vast dat de telastleggingen ter rechtszitting niet langer worden betwist. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 3 april 2025 bevat op dit punt geen vermeldingen, zodat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de vermeldingen in het proces-verbaal en die in het bestreden vonnis. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel opkomt tegen de voormelde vaststelling in het bestreden vonnis, zonder die van valsheid te betichten, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van het principe dat de bewijslast voor de toestand van herhaling en verzwaring op het openbaar ministerie rust: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de toestand van herhaling en verzwaring vaststaat op grond van het vonnis van de politierechtbank Vilvoorde van 14 juni 2022, zonder aan te geven waaruit blijkt dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft; uit het strafdossier blijkt niet dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft; een MACH-uittreksel volstaat daartoe niet; er ligt bovendien geen bewijs voor van de kennisgeving van het verval uitgesproken met dit vonnis.
- Er blijkt niet dat het bestreden vonnis aan de eiser enige bewijslast oplegt met betrekking tot toestand van herhaling als bedoeld door de artikelen 30, vierde lid, en 48, tweede lid, Wegverkeerswet en van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- De rechter kan een toestand van herhaling als bedoeld door de artikelen 30, vierde lid, en 48, tweede lid, Wegverkeerswet en van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet aannemen indien hij vaststelt dat die toestanden, zoals omschreven in de bewoordingen van de strafwet, door de beklaagde niet worden betwist. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De dagvaarding omschrijft voor de feiten omschreven in de telastleggingen A, B, C en D de toestand van de herhaling als bedoeld door de artikelen 30, vierde lid, en 48, tweede lid, Wegverkeerswet en van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet in de bewoordingen van de strafwet. Het bestreden vonnis (p. 6, randnr. 10) stelt vast dat deze toestanden van herhaling en verzwaring niet worden betwist. Het middel beticht deze vaststelling met authentieke bewijswaarde niet van valsheid.
- De vaststelling van de toestand van de herhaling als bedoeld door de artikelen 30, vierde lid, en 48, tweede lid, Wegverkeerswet en van verzwaring als bedoeld door artikel 38, § 6, eerste lid, Wegverkeerswet voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B, C en D is dan ook naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div