id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.18 Rolnummer: P.25.0638.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-10-13 Raadplegingen: 1164 - laatst gezien 2026-06-15 05:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit de artikelen 1, eerste lid, en 5 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflatratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen en de artikelen 6.A, 1°, en 7, eerste lid, Springstoffenbesluit noch uit hun wetsgeschiedenis blijkt dat de fabricatie van munitie voor eigen gebruik, uit het toepassingsgebied ervan is uitgesloten; daaruit volgt dat de fabricatie van munitie voor eigen gebruik zonder de vereiste administratieve vergunning strafbaar is met de in voormeld artikel 5 Springstoffenwet bepaalde straffen. Thesaurus CAS: SPRINGSTOFFEN Wettelijke bepalingen: Wet 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen - 28-05-1956 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1956052802 Wet 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen - 28-05-1956 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1956052802 KB 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen - 23-09-1958 - Art. 6.A, 1° - 01 ELI link Pub nr 1958092304 KB 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen - 23-09-1958 - Art. 7, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1958092304 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Wet 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen - 28-05-1956 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1956052802 Wet 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen - 28-05-1956 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1956052802 KB 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen - 23-09-1958 - Art. 6.A, 1° - 01 ELI link Pub nr 1958092304 KB 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen - 23-09-1958 - Art. 7, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1958092304 Thesaurus CAS: WAPENS Wettelijke bepalingen: Wet 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen - 28-05-1956 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1956052802 Wet 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen - 28-05-1956 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1956052802 KB 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen - 23-09-1958 - Art. 6.A, 1° - 01 ELI link Pub nr 1958092304 KB 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen - 23-09-1958 - Art. 7, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1958092304 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0638.N W. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Douwen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen (hierna Springstoffenbesluit): de appelrechters hebben de eiser onterecht veroordeeld omwille van het vervaardigen van munitie voor eigen gebruik; dit is echter geen vergunningsplichtige professionele of commerciële activiteit; artikel 7 Springstoffenbesluit maakt deel uit van hoofdstuk I van dit besluit terwijl enkel hoofdstuk IX betrekking heeft op particulieren; de geschonden bepaling is niet van toepassing op de eiser als particuliere “herlader” en moet restrictief worden geïnterpreteerd; het vervaardigen van munitie door particulieren werd door de wetgever niet geregeld en is dus toegelaten; ook uit het advies van de Raad van State bij het Springstoffenbesluit kan worden afgeleid dat deze regels enkel gelden voor economische activiteiten; de verwijzing door de appelrechters naar artikel 6 Springstoffenbesluit overtuigt niet, gelet op de aanhef van dat artikel en er in dit artikel wordt gesproken over verschillende klassen van vergunningen en hoeveelheden voor springstoffabrieken en kleinhandelaars inzake springstoffen; tevens dient te worden vastgesteld dat de eiser de hoeveelheden opgelegd in artikel 265 Springstoffenbesluit respecteerde, zoals kon worden vastgesteld door de lokale politie tijdens de huiszoeking; hieruit blijkt evenzeer dat de eiser geen opslagplaats voor springstoffen heeft in de zin van artikel 6 Springstoffenbesluit.
- Het middel voert aan dat de activiteiten van de eiser niet kunnen worden beschouwd als een “opslagplaats” voor springstoffen in de zin van artikel 6 Springstoffenbesluit. Het arrest (pagina 9, derde alinea) oordeelt echter dat uit artikel 6.A, 1°, Springstoffenbesluit, dat anders dan het middel aanvoert deel uitmaakt van hoofdstuk II en niet van hoofdstuk I van dat besluit, samen gelezen met de artikelen 1 en 2 van dat besluit, voortvloeit dat wie, zoals de eiser, een huls, kruit en een kogel samenvoegt tot munitie een springstof in de zin van het Springstoffenbesluit maakt en dat de inrichting waarvan hij daartoe gebruik maakt, te beschouwen is als een “springstoffenfabriek” in de zin van het Springstoffenbesluit. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest ook oordeelt dat de eiser een opslagplaats voor springstoffen heeft, gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen (hierna Springstoffenwet) regelt de Koning in het belang van de openbare veiligheid en kan hij aan vergunning onderwerpen, niet alleen het “opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken, onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen” maar ook het “fabriceren” daarvan. Artikel 5 van die wet stelt strafbaar de overtreding van wat krachtens artikel 1 is bepaald. Dit is de toepasselijke strafbepaling. Artikel 6.A, 1°, Springstoffenbesluit definieert “springstoffenfabrieken” als “inrichtingen voor de bereiding, behandeling of verwerking van enigerlei springstof”. Volgens artikel 7, eerste lid, Springstoffenbesluit mogen springstoffenfabrieken slechts mits een administratieve vergunning worden opgericht, verbouwd en verplaatst.
- Uit die bepalingen noch uit hun wetsgeschiedenis blijkt dat de fabricatie van munitie voor eigen gebruik, uit het toepassingsgebied ervan is uitgesloten. Daaruit volgt dat de fabricatie van munitie voor eigen gebruik zonder de vereiste administratieve vergunning strafbaar is met de in artikel 5 Springstoffenwet bepaalde straffen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest dat aldus oordeelt, verantwoordt de schuldigverklaring van de eiser naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div