← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Fiches 6 - 10 Wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de accijnsproducten op te leggen, kan op die beklaagde evenmin de verplichting rusten om die producten voor te brengen; bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de producten, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan vermits die veroordeling enkel een burgerrechtelijk gevolg is in geval van de onmogelijke uitvoering van die verbeurdverklaring

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: TERUGGAVE Wettelijke bepalingen: Wet 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije

Art. 30

, vierde lid - 16 ELI link Pub nr 2010003015 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0842.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, ON 0308.357.159, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen D. D. W., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 19 september 2025 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 7 oktober 2025 heeft raadsheer Eric Van Dooren verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 17 Handvest Grondrechten EU, artikel 16 Grondwet, de artikelen 44 en 50 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 6.5 en 6.6 Burgerlijk Wetboek en artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie (hierna Wet 21 december 2009): het arrest bevestigt ten onrechte de beslissing van het beroepen vonnis om de verbeurdverklaring van de fictief aangehaalde accijnsproducten niet uit te spreken en de verweerder niet te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van die producten omdat die veroordeling dermate afbreuk zou doen aan de financiële toestand van de verweerder dat hij aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen; de matigingsbevoegdheid die volgens het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 januari 2025 geldt ten aanzien van de verbeurdverklaring van producten als voorwerp van het accijnsmisdrijf kan immers niet worden doorgetrokken naar de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van fictief aangehaalde producten; ook indien er geen of een gematigde verbeurdverklaring moet worden opgelegd, blijft de rechter verplicht om die laatste veroordeling integraal en hoofdelijk uit te spreken; die veroordeling geldt als een burgerrechtelijk gevolg van de strafrechtelijke verbeurdverklaring waarbij aan de eiser een schadevergoeding moet worden toegekend die te bepalen is op grond van de toestand waarin hij zich zou bevinden indien de producten wel in zijn bezit zouden zijn gebracht; eisers vordering om de verweerder te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van de fictief aangehaalde accijnsproducten kan dan ook niet worden afgewezen op grond van de financiële toestand van de verweerder (eerste onderdeel), noch met het oordeel dat die veroordeling een onlosmakelijk geheel vormt met de verbeurdverklaring van die producten (tweede onderdeel).
  3. Artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2009 bepaalt: “Benevens vorenvermelde straf worden de accijnsproducten waarop de accijns verschuldigd is (…) in beslag genomen en verbeurdverklaard.”
  4. Die verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de betrokken producten noch dat de overtreder bekend moet zijn. Zij vereist evenmin een voorafgaande inbeslagneming van de producten. Door de verbeurdverklaring wordt de Belgische Staat van rechtswege eigenaar van de producten.
  5. Indien de verbeurdverklaring betrekking heeft op niet in beslag genomen producten, rust op de veroordeelde de verplichting om de verbeurdverklaarde producten voor te brengen. Bij niet-naleving van die verplichting heeft de Belgische Staat recht op schadevergoeding door middel van diens veroordeling door de strafrechter tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde producten. Die veroordeling is een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekortkomt aan de verplichting om de zaak te leveren. Artikel 44 Strafwetboek dat bepaalt dat de veroordeling tot de bij de wet gestelde straffen altijd wordt uitgesproken onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan de partijen mochten zijn verschuldigd, vormt daarvan een toepassing.
  6. De rechter is in beginsel verplicht de voormelde verbeurdverklaring uit te spreken. Desbetreffend oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 11/2025 van 30 januari 2025 meer in het bijzonder dat: - een verbeurdverklaring het recht op ongestoord genot van eigendom schendt indien zij op de persoon aan wie ze is opgelegd een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie, in het licht van de gepleegde inbreuk; - de verbeurdverklaring bedoeld in artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2009 betrekking heeft op het voorwerp van het accijnsmisdrijf en een bijkomende vermogensstraf vormt met een verplicht karakter; - die verbeurdverklaring op zich niet onbestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom; - in bepaalde gevallen echter de door de rechter op te leggen verbeurdverklaring dermate afbreuk kan doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, waardoor die verbeurdverklaring wel een schending van het eigendomsrecht met zich meebrengt; - het eigendomsrecht aldus geschonden is wanneer er een manifest onevenwicht bestaat tussen, enerzijds, de omvang en de gevolgen van de verbeurdverklaring voor de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd, en, anderzijds, de gepleegde inbreuk en de doelstellingen die met de verbeurdverklaring worden beoogd, tevens rekening houdend met het bijzondere en ontradende karakter en het collectieve herstelkarakter van het douane- en accijnsstrafrecht; - in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, artikel 30, vierde lid, Wet 21 december 2009 niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 17, eerste lid, Handvest Grondrechten EU.
  7. Uit die rechtspraak volgt dat de rechter moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van de accijnsproducten wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd. Bijgevolg is de rechter, alvorens over die verbeurdverklaring uitspraak te doen en ongeacht of de accijnsproducten in beslag werden genomen, ertoe gehouden na te gaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar en kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, diens persoonlijkheid en rol bij de feiten, de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken.
  8. Uit het voorgaande volgt dat wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de accijnsproducten op te leggen, op die beklaagde evenmin de verplichting kan rusten om die producten voor te brengen. Bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de producten, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan. Die veroordeling is enkel een burgerrechtelijk gevolg in geval van de onmogelijke uitvoering van die verbeurdverklaring.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest dat in de vermelde zin oordeelt en het beroepen vonnis bevestigt in zoverre dit de vordering van de eiser om de verweerder te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van de accijnsproducten afwijst omdat de verbeurdverklaring van die producten dermate afbreuk zou doen aan de financiële toestand van de verweerder dat hij aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 88,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251007.2N.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.24 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.20 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.99 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.