id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23 Rolnummer: P.25.0081.N Zaak: C. contra BELGISCHE STAAT minister van Financiën Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht - Unierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-10-13 Raadplegingen: 787 - laatst gezien 2026-06-19 01:06 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 De rechter is in beginsel verplicht de door artikel 436, derde lid, Programmawet van 27 december 2004 bepaalde verbeurdverklaring van de producten waarop accijnzen verschuldigd zijn uit te spreken maar uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de verbeurdverklaring bepaald in artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie
(1), die overeenstemmend van toepassing is op de in artikel 436, derde lid, Programmawet 27 december 2004 bedoelde verbeurdverklaring van aan accijnzen onderworpen energieproducten, volgt dat de rechter moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd; bijgevolg is de rechter, alvorens over die verbeurdverklaring uitspraak te doen en ongeacht of de goederen in beslag werden genomen, ertoe gehouden na te gaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar en kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, diens persoonlijkheid en rol bij de feiten, de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken
(2).
(1)GwH 30 januari 2025, nr. 11/2025, www.const-court.be.
(2)Zie Cass. 7 oktober 2025, AR P.25.0842.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19, met concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Fiches 6 - 10 Wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen op te leggen, kan op die beklaagde evenmin de verplichting rusten om die goederen voor te brengen; bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan vermits die veroordeling enkel een burgerrechtelijk gevolg is in geval van de onmogelijke uitvoering van de verbeurdverklaring
(1).
(1)Zie Cass. 7 oktober 2025, AR P.25.0842.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19, met concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: TERUGGAVE Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0081.N W. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Huysmans, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 160 bus 2.1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, ON 0308.357.159, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 436 van de Programmawet van 27 december 2004 (hierna Programmawet 27 december 2004): het arrest dat de eiser veroordeelt tot een voorwaardelijke hoofdgevangenisstraf van vier maanden, is niet naar recht verantwoord en dubbelzinnig gemotiveerd; voor het opleggen van die straf moet de rechter immers niet enkel ondubbelzinnig vaststellen dat de inbreuken met bijzonder opzet werden gepleegd, maar ook dat zij werden gepleegd in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd; bovendien kan een gevangenisstraf enkel worden opgelegd wanneer de rechter vaststelt dat aan één van de wettelijk bepaalde omstandigheden is voldaan; het arrest laat na die vaststellingen te doen.
- Artikel 436 Programmawet 27 december 2004, zoals van toepassing, bepaalt: “Elke overtreding van dit hoofdstuk waardoor de invorderbaarheid van de in artikel 419 vastgelegde accijnzen ontstaat, wordt bestraft met een geldboete van vijf- tot tienmaal de ontdoken accijnzen met een minimum van 625 euro. (…) Bovendien worden de overtreders bestraft met een gevangenisstraf van vier tot twaalf maanden: 1° wanneer de in artikel 415 bedoelde producten zijn vervaardigd zonder voorafgaande aangifte of werden onttrokken aan de voorgeschreven debitering die de heffing van de accijnzen verzekert; 2° wanneer het bedrog wordt gepleegd hetzij in een geheime inrichting, hetzij in een regelmatig gevestigde fabriek doch elders dan in de op regelmatige wijze aangegeven lokalen. Hij die de in vorig lid bepaalde inbreuken pleegt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden in het raam van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, en hij die zich in een geval van herhaling bevindt worden gestraft met een gevangenisstraf van 4 maand tot 5 jaar.”
- Uit het arrest (randnrs. 26 en 33) blijkt dat de appelrechters vaststellen dat de betreffende energieproducten werden onttrokken aan de voorgeschreven debitering die de heffing van de accijnzen verzekert. Aldus stellen zij ook vast dat aan één van de wettelijk bepaalde omstandigheden is voldaan om aan de eiser een gevangenisstraf op te leggen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is de aan de eiser opgelegde gevangenisstraf wegens de vermengde feiten van de telastlegging naar recht verantwoord door zijn schuldigverklaring aan die telastlegging, ook zonder het bewezen verklaren van de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 436, vijfde lid, Programmawet 27 december
- In zoverre kan het middel niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 44 en 50 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 6.5 en 6.6 Burgerlijk Wetboek, artikel 221 AWDA, artikel 45 Accijnswet 2009 en artikel 440 Programmawet 27 december 2004: het arrest veroordeelt de eiser tot de betaling van 219.119,30 euro als tegenwaarde van de 340.988,65 liter energieproducten die niet in beslag konden worden genomen, maar het laat na die goederen zelf vooraf verbeurd te verklaren; zonder die verbeurdverklaring is een veroordeling die er het burgerrechtelijk gevolg van moet zijn, niet naar recht verantwoord.
- De beslissing van de rechter moet in zijn geheel worden gelezen en de redenen ervan dienen de ene door de andere te worden uitgelegd. Zodoende kunnen redenen die de rechter vermeldt ter ondersteuning van een bepaalde beslissing, ook de voornaamste redenen voor een andere beslissing uitmaken.
- Uit het arrest (randnrs. 46, 49 en 51) blijkt dat de appelrechters het beroepen vonnis hervormen in zoverre dit de verbeurdverklaring van de bedoelde goederen als vermogensvoordeel uit de accijnsmisdrijven heeft uitgesproken en dat zij in de plaats daarvan en in overeenstemming met de vordering van de verweerder diezelfde goederen verbeurdverklaren als voorwerp van die misdrijven. Het onderdeel berust geheel op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede en derde onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, de artikelen 44 en 50 Strafwetboek, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 6.5 en 6.6 Burgerlijk Wetboek, artikel 221 AWDA, artikel 45 Accijnswet 2009 en artikel 440 Programmawet 27 december 2004: het arrest veroordeelt de eiser burgerrechtelijk tot de betaling van 219.119,30 euro als tegenwaarde van de 340.988,65 liter verbeurdverklaarde energieproducten die niet in beslag konden worden genomen zonder te onderzoeken of die verbeurdverklaring waarvan die burgerrechtelijke veroordeling een gevolg is, dermate afbreuk zou doen aan zijn financiële toestand dat hij aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen. Ondergeschikt verzoekt de eiser het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden artikel 440 Programmawet 27 december 2004, artikel 45 Accijnswet 2009 en artikel 221 AWDA de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 16 Grondwet, in zoverre het de rechter verplicht de accijnsproducten waarop accijns verschuldigd is en die ingevolge een incorrecte toepassing van een vrijstellingsregime aan de in het geding zijnde accijnsregeling werden onttrokken, verbeurd te verklaren waarbij, als burgerrechtelijk gevolg van die strafrechtelijke veroordeling, alle betrokkenen hoofdelijk moeten worden veroordeeld tot betaling van de tegenwaarde bij niet-overlegging van de betrokken goederen, indien die verbeurdverklaring dermate afbreuk zou doen aan de financiële situatie van de persoon aan wie ze is opgelegd dat ze een onevenredige maatregel zou vormen?”
- Artikel 436, derde lid, Programmawet 27 december 2004 bepaalt: “Ongeacht voormelde strafbepalingen worden de producten waarop accijnzen zijn verschuldigd (…) in beslag genomen en verbeurdverklaard.”
- Die verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de betrokken goederen noch dat de overtreder bekend moet zijn. Zij vereist evenmin een voorafgaande inbeslagneming van de goederen. Door de verbeurdverklaring wordt de Belgische Staat van rechtswege eigenaar van de goederen.
- Indien de verbeurdverklaring betrekking heeft op niet in beslag genomen goederen, rust op de veroordeelde de verplichting om de verbeurdverklaarde goederen voor te brengen. Bij niet-naleving van die verplichting heeft de Belgische Staat recht op schadevergoeding door middel van diens veroordeling door de strafrechter tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen. Die veroordeling is een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekortkomt aan de verplichting om de zaak te leveren. Artikel 44 Strafwetboek dat bepaalt dat de veroordeling tot de bij de wet gestelde straffen altijd wordt uitgesproken onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan de partijen mochten zijn verschuldigd, vormt daarvan een toepassing.
- De rechter is in beginsel verplicht de voormelde verbeurdverklaring uit te spreken. Met betrekking tot de verbeurdverklaring bepaald in artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 11/2025 van 30 januari 2025 meer in het bijzonder dat: - een verbeurdverklaring het recht op ongestoord genot van eigendom schendt indien zij op de persoon aan wie ze is opgelegd een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie, in het licht van de gepleegde inbreuk; - de bedoelde verbeurdverklaring betrekking heeft op het voorwerp van het accijnsmisdrijf en een bijkomende vermogensstraf vormt met een verplicht karakter; - die verbeurdverklaring op zich niet onbestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom; - in bepaalde gevallen echter de door de rechter op te leggen verbeurdverklaring dermate afbreuk kan doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, waardoor die verbeurdverklaring wel een schending van het eigendomsrecht met zich meebrengt; - het eigendomsrecht aldus geschonden is wanneer er een manifest onevenwicht bestaat tussen, enerzijds, de omvang en de gevolgen van de verbeurdverklaring voor de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd, en, anderzijds, de gepleegde inbreuk en de doelstellingen die met de verbeurdverklaring worden beoogd, tevens rekening houdend met het bijzondere en ontradende karakter en het collectieve herstelkarakter van het douane- en accijnsstrafrecht; - in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, de getoetste wetsbepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 17, eerste lid, Handvest Grondrechten EU.
- Uit die rechtspraak, die overeenstemmend van toepassing is op de in artikel 436, derde lid, Programmawet 27 december 2004 bedoelde verbeurdverklaring van aan accijnzen onderworpen energieproducten, volgt dat de rechter moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd. Bijgevolg is de rechter, alvorens over die verbeurdverklaring uitspraak te doen en ongeacht of de goederen in beslag werden genomen, ertoe gehouden na te gaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar en kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, diens persoonlijkheid en rol bij de feiten, de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken.
- Uit het voorgaande volgt dat wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen op te leggen, op die beklaagde evenmin de verplichting kan rusten om die goederen voor te brengen. Bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan. Die veroordeling is enkel een burgerrechtelijk gevolg in geval van de onmogelijke uitvoering van de verbeurdverklaring.
- Het arrest dat de eiser veroordeelt tot de betaling van 219.119,30 euro als tegenwaarde van de 340.988,65 liter verbeurdverklaarde energieproducten die niet in beslag werden genomen, zonder na te gaan of met die verbeurdverklaring aan de eiser geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd, verantwoordt die beslissing niet naar recht. De onderdelen zijn gegrond.
- De prejudiciële vraag heeft in wezen een identiek onderwerp als het antwoord dat door het Grondwettelijk Hof werd gegeven met het arrest nr. 11/2025 van 30 januari
- Ze wordt dan ook niet gesteld. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de verbeurdverklaring beveelt van 340.988,65 liter energieproducten en de eiser veroordeelt tot de betaling van 219.119,30 euro als tegenwaarde van die verbeurdverklaarde goederen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 382,53 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.20 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.99 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div