← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0775.N M. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wahib El Hayouni, advocaat bij de balie Gent, tegen A. V. D., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 april 2025, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 5 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiser heeft ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het vermoeden van onschuld: de appelrechter verklaart de eiser vanuit een strafrechtelijk oogpunt schuldig aan de enige telastlegging en zijn motieven betreffende de beslissing over de burgerlijke vordering zijn op beslissende wijze gesteund op die beoordeling vanuit strafrechtelijk oogpunt; zo oordeelt de appelrechter dat moet worden nagegaan of de eiser een fout heeft begaan bestaande in het plegen van het misdrijf dat zich vereenzelvigt met het feit van de vervolging en dat de verweerder het slachtoffer is van een fout van de eiser bestaande in het plegen van het misdrijf oplichting; de appelrechter heeft zich niet beperkt tot de beoordeling of het gedrag van de eiser, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de verweerder wordt gevorderd, maar heeft eraan toegevoegd dat de fout van de eiser bestaat in het plegen van het misdrijf oplichting, ofschoon de eiser daarvoor op definitieve wijze door de eerste rechter was vrijgesproken; de rechter mag niet meer informatie geven dan nodig is om het feit waarvoor een beklaagde terecht staat te kunnen beoordelen; de appelrechter kan ook zonder miskenning van het vermoeden van onschuld vaststellen dat het gedrag van de eiser, zoals dat bleek uit de met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade, zonder te oordelen dat die fout bestaat in het plegen van het misdrijf oplichting; door enerzijds te oordelen dat de appelrechter geen saisine heeft om uitspraak te doen over de schuld en anderzijds te oordelen dat de verweerder het slachtoffer is van een fout van de eiser bestaande in het plegen van het misdrijf oplichting, is het arrest bovendien intern tegenstrijdig.
  3. Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partij tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke vordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt.
  4. Het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade die door de burgerlijke partij wordt gevorderd. De strafrechter bevindt zich in een dergelijk geval in dezelfde situatie als de burgerlijke rechter die zich moet uitspreken over een schadevergoedingsvordering die is gesteund op een strafbaar feit.
  5. De strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid.
  6. Dit belet nochtans niet dat de strafrechter, gelet op het accessoir karakter van de burgerlijke vordering, geen ander feit in aanmerking mag nemen dan dit dat het voorwerp uitmaakt van de initiële strafvordering.
  7. Dit belet evenmin dat de strafrechter, net als de burgerlijke rechter die kennis neemt van de burgerlijke vordering van een schadelijder tegen een schadeveroorzaker die is gegrond op een als een misdrijf omschreven feit, bij de beoordeling van het al dan niet foutief gedrag van de beklaagde rekening moet houden met de bestanddelen van het strafbare feit voorwerp van de strafvervolging, zonder zich evenwel te mogen uitspreken over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagde voor dat feit.
  8. Met de enkele overweging dat een partij een fout heeft begaan bestaande in het plegen van een bepaald misdrijf, spreekt de rechter zich niet uit over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van die partij voor dat misdrijf.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest (p. 6) oordeelt dat de appelrechter moet nagaan of de eiser een fout heeft begaan bestaande in het plegen van een misdrijf dat zich vereenzelvigt met het feit van de vervolging, eventueel anders gekwalificeerd, en of er een oorzakelijk verband is met de schade die de verweerder voorhoudt te hebben geleden. Het arrest past de omschrijving van het initieel vervolgde feit aan (p. 7-9), geeft aan dat enkel wordt nagegaan of de eiser listige kunstgrepen heeft aangewend (p. 9), het neemt het door de eerste rechter beschreven overzicht van de feiten over, welke het aanvult (p. 9-11). Het beoordeelt daarna de bewijswaarde van deze gegevens (p. 11-15) om te besluiten dat de verweerder het slachtoffer is geworden van een fout van de eiser bestaande in het plegen van het misdrijf oplichting (p. 15) en dat de bewezenverklaarde fout bestaande in het plegen van oplichting in oorzakelijk verband staat met de door de verweerder geleden schade (p. 16). Dit oordeel is ook opgenomen in het dictum van het arrest (p. 21).
  11. Met het door het middel bekritiseerde oordeel beslist het arrest niet dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf van oplichting, maar enkel dat de eiser een fout heeft begaan in causaal verband met de door de verweerder gevorderde schade en dat die fout overeenstemt met het heromschreven misdrijf waarvoor de eiser werd vervolgd en door de eerste rechter werd vrijgesproken. Aldus miskent het arrest niet het vermoeden van onschuld. In zoverre kan middel niet worden aangenomen.
  12. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van het vermoeden van onschuld. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 7 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.33 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.26 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.5 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260127.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.