← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.13 Rolnummer: P.25.1279.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-10-20 Raadplegingen: 536 - laatst gezien 2026-06-19 00:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering volgt dat het aannemen van de in die bepaling opgenomen tegenaanwijzing veronderstelt dat de strafuitvoeringsrechter onderzoekt of aan deze tegenaanwijzing niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden maar uit die bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt evenwel dat de strafuitvoeringsrechter in zijn beslissing uitdrukkelijk moet aangeven dat het opleggen van bijzondere voorwaarden de tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden niet kan wegnemen. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Uit de bepalingen van de artikelen 98/13, eerste en derde lid, en 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering en uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren: - op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes - alsook op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd

(1).
(1)Parl. St. Kamer, DOC 56 0972/001, p.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/13, eerste en derde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1279.N I. A. G., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Koen De Backer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter Antwerpen van 16 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering: het vonnis stelt uitsluitend vast dat er een direct waarneembaar risico is voor de fysieke integriteit van derden, zonder evenwel na te gaan of daaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; de wetgever heeft expliciet als materiële voorwaarde gesteld dat de strafuitvoeringsrechter ook moet vaststellen dat aan het risico niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  4. Uit artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering volgt dat het aannemen van de in die bepaling opgenomen tegenaanwijzing veronderstelt dat de strafuitvoeringsrechter onderzoekt of aan deze tegenaanwijzing niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Uit die bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan volgt evenwel dat de strafuitvoeringsrechter in zijn beslissing uitdrukkelijk moet aangeven dat het opleggen van bijzondere voorwaarden de tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden niet kan wegnemen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering: niettegenstaande deze bepaling de tegenaanwijzing beperkt tot het direct waarneembaar risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering bedoelde stukken, is de aanname door de strafuitvoeringsrechter van deze tegenaanwijzing gesteund op feiten die werden gepleegd tijdens de beperkte detentie van een vorige veroordeling; het vonnis verwijst ook naar de professionele toestand van de eiser, wat volgens de wil van de wetgever niet is toegelaten; evenmin kan het vonnis aannemen dat een maandelijks nettoloon van 2.000,00 euro niet duurzaam of voldoende is; aangezien het strafregister van de eiser geen enkele veroordeling voor inbreuken op de Drugwet vermeldt, kan het vonnis niet oordelen dat er een actueel risico is dat de eiser opnieuw drugs zal verhandelen.
  6. Artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toekent onder meer op voorwaarde dat er bij de veroordeelde geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  7. Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering.
  8. Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur een dossier samenstelt dat voor de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht naast een afschrift van de opsluitingsfiche het advies van de directeur bevat, met informatie over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht, de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden en een voorstel tot toekenning of afwijzing en in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank aan het dossier een geactualiseerd afschrift van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling en in voorkomend geval van de slachtofferfiches toevoegt.
  9. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren: - op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes; - alsook op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd.
  10. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de reden “te meer de laatste feiten klaarblijkelijk gepleegd werden tijdens beperkte detentie”, bekritiseert het een ten overvloede gegeven reden en kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  11. Het vonnis verwijst voor het oordeel dat er een reëel risico is dat de eiser bij zijn invrijheidstelling opnieuw drugs zal verhandelen of andere lucratieve geweldscriminaliteit zal plegen, niet naar een veroordeling voor inbreuken op de Drugwet, maar wel naar de veroordeling die de eiser thans uitvoert, namelijk voor bendevorming welke druggerelateerd was en meer bepaald betrekking had op een beoogde drugtransactie in vereniging. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  12. Het vonnis verwijst voor wat betreft de professionele toestand van de eiser naar de informatie die hij heeft bezorgd aan de directeur en die door de directeur is betrokken in zijn door artikel 98/16 Wet Strafuitvoering bedoelde advies. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het vonnis gegevens betrekt bij de beoordeling van de in artikel 98/13, eerste en derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing, die niet blijken uit de door artikel 98/16 Wet Strafuitvoering bedoelde dossierstukken, mist het feitelijke grondslag.
  13. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de beoordeling van de feiten door de strafuitvoeringsrechter en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.32 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.42 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.10 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.