id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 13
- 40 ELI link Pub nr 2004009876 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... -
Art. 13
- 40 ELI link Pub nr 2004009876 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... -
Art. 13
- 40 ELI link Pub nr 2004009876 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Wet 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het ... -
Art. 13
- 40 ELI link Pub nr 2004009876 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0623.N J. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- In zoverre het middel in zijn beide onderdelen schending aanvoert van artikel 151 “e.v.” van het Franse Wetboek van Strafvordering en derhalve niet vermeldt welke precieze artikelen van dat wetboek het arrest zou schenden, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 100, 100-1 en 100-3 tot en met 100-8 van het Franse Wetboek van Strafvordering en artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politionele verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering (hierna Wet Internationale Rechtshulp): het arrest oordeelt dat de Franse wetgeving niet geschonden is, zodat de in Frankrijk onderschepte en met België gedeelde telefoniegegevens met betrekking tot communicatie gevoerd met of door de eiser in zijn hoedanigheid van advocaat, niet nietig zijn en niet uit het strafdossier moeten worden geweerd; de in artikel 100 van het Franse Wetboek van Strafvordering bepaalde voorwaarde dat er maar tot onderschepping van een telefoonlijn van een advocaat mag worden overgegaan wanneer er vermoedens van een misdrijf door de advocaat bestaan, werd niet gerespecteerd, evenmin als de in artikel 100-7 van dat wetboek bepaalde voorwaarde dat een dergelijke onderschepping op straffe van nietigheid moet worden voorafgegaan door de verwittiging van de stafhouder; het gegeven dat de onleesbare, in Frankrijk afgeluisterde gesprekken in bulk bij de Belgische speurders zijn toegekomen en slechts na ontsleuteling leesbaar werden gemaakt na inzet van speciale software, doet geen afbreuk aan de inhoud en de reikwijdte van deze wetsartikelen.
- Artikel 100 van het Franse Wetboek van Strafvordering, waarvan het vierde lid werd ingevoerd bij artikel 3 van de wet nr. 2021-1729 van 22 december 2021, in werking getreden op 2 maart 2022, bepaalt: “En matière criminelle et en matière correctionnelle, si la peine encourue est égale ou supérieure à trois ans d'emprisonnement, le juge d'instruction peut, lorsque les nécessités de l'information l'exigent, prescrire l'interception, l'enregistrement et la transcription de correspondances émises par la voie des communications électroniques. Ces opérations sont effectuées sous son autorité et son contrôle. La décision d'interception est écrite. Elle n'a pas de caractère juridictionnel et n'est susceptible d'aucun recours. En cas de délit puni d'une peine d'emprisonnement commis par la voie des communications électroniques sur la ligne de la victime, l'interception peut également être autorisée, selon les mêmes modalités, si elle intervient sur cette ligne à la demande de la victime. Aucune interception ne peut porter sur une ligne dépendant du cabinet d'un avocat ou de son domicile, sauf s'il existe des raisons plausibles de le soupçonner d'avoir commis ou tenté de commettre, en tant qu'auteur ou complice, l'infraction qui fait l'objet de la procédure ou une infraction connexe au sens de l'article 203 et à la condition que la mesure soit proportionnée au regard de la nature et de la gravité des faits. La décision est prise par ordonnance motivée du juge des libertés et de la détention, saisi à cette fin par ordonnance motivée du juge d'instruction, prise après avis du procureur de la République. (vrij vertaald: In strafzaken en correctionele zaken, wanneer de op te leggen strqf gelijk is aan of hoger is dan drie jaar gevangenisstraf, kan de onderzoeksrechter, indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen, het onderscheppen, opnemen en overschrijven van correspondentie via elektronische communicatie bevelen. Deze handelingen worden uitgevoerd onder zijn gezag en toezicht. De beslissing tot onderschepping wordt schriftelijk genomen. Zij heeft geen rechtsprekend karakter en is niet vatbaar voor enig rechtsmiddel. In geval van een misdrijf dat via elektronische communicatie op de lijn van het slachtoffer is gepleegd en wordt bestraft met een gevangenisstraf, kan de onderschepping eveneens worden toegestaan, onder dezelfde voorwaarden, indien zij op verzoek van het slachtoffer op diens lijn plaatsvindt. Er mag geen onderschepping plaatsvinden op een lijn die behoort tot het kantoor of de woning van een advocaat, tenzij er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat hij als dader of medeplichtige het misdrijf heeft gepleegd of gepoogd heeft te plegen dat het voorwerp is van de procedure, of een daarmee verband houdend misdrijf in de zin van artikel 203, en op voorwaarde dat de maatregel evenredig is gelet op de aard en ernst van de feiten. De beslissing wordt genomen bij met redenen omklede beschikking van de rechter van de vrijheden en de detentie, die daartoe wordt gevat bij met redenen omklede beschikking van de onderzoeksrechter, genomen na advies van de procureur des konings.”)
- Artikel 100-7, tweede lid, van het Franse Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Aucune interception ne peut avoir lieu sur une ligne dépendant du cabinet d'un avocat ou de son domicile sans que le bâtonnier en soit informé par le juge d'instruction.” (vrij vertaald : “Er mag geen onderschepping plaatsvinden op een lijn die tot het kantoor of de woning van een advocaat behoort zonder dat de stafhouder hiervan door de onderzoeksrechter op de hoogte wordt gesteld.”).
- Artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp bepaalt dat in het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging geen gebruik mag worden gemaakt van bewijsmateriaal: 1° dat in het buitenland op onregelmatige wijze is verzameld indien de onregelmatigheid: - volgens het recht van de Staat waarin het bewijsmateriaal is verzameld volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste; - de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast; 2° waarvan de aanwending een miskenning inhoudt van het recht op een eerlijk proces.
- De Belgische rechter voor wie met toepassing van artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp de miskenning wordt aangevoerd van vereisten voor het onderscheppen van communicatie van en naar advocaten, die in het toepasselijke buitenlandse recht zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid, is niet verplicht om de nietigverklaring en de wering uit het bewijs van die communicatie te bevelen wanneer hij vaststelt dat de buitenlandse rechter die de onderscheppingsmaatregel heeft bevolen, op het moment van zijn beslissing en in de loop van de uitvoering ervan niet wist en redelijkerwijze niet kon weten dat er een advocaat was betrokken bij de communicatie die het voorwerp van de maatregel uitmaakte. Dit kan het geval zijn wanneer de onderschepte communicatie is versleuteld en enkel de Belgische rechter, aan wie de communicatiegegevens in het kader van een toepasselijk rechtshulpinstrument zijn overgemaakt, beschikt over de technische mogelijkheid om ze te ontsleutelen. In dat geval kan de Belgische rechter zonder schending van artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp oordelen dat het bewijs regelmatig is en in het debat blijft wanneer hij vaststelt dat inmiddels op een afdoende wijze is voldaan aan de ratio legis van de toepasselijke buitenlandse bepaling. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 5) stelt het arrest vast dat er ernstige aanwijzingen waren verkregen dat de SKY ECC-applicatie door criminele samenwerkingsverbanden werd aangewend.
- Het arrest (p. 9-11) oordeelt verder met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen onder meer als volgt: - uit geen enkel dossierelement blijkt dat de onderschepte berichten van de PIN (…), die aan de eiser wordt toegeschreven, reeds in Frankrijk zouden zijn ontsleuteld. Dit wordt overigens ook niet voorgehouden door de eiser; - de onleesbare (want nog versleutelde) in Frankrijk onderschepte SKY ECC-berichten werden immers ‘in bulk’ aan de Belgische speurders overgemaakt in het kader van de overeenkomst ter instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (hierna GOT), getekend tussen België, Nederland en Frankrijk op 13 december 2019; - het is slechts na ontsleuteling in België met inzet van speciale software dat de naam van de eiser, zijnde een Belgische advocaat, naar voor is gekomen. De politie heeft deze gesprekken dan onmiddellijk afzonderlijk gezet en niet gelezen. De Antwerpse stafhouder heeft vervolgens een selectie van de gesprekken, gevoerd met de betrokken PIN, bekeken en haar akkoord gegeven om deze gesprekken te lezen en te onderzoeken; - de eiser erkent overigens dat de geijkte procedure in België met betrekking tot onderschepte communicatie van een advocaat correct werd nageleefd; - door het feit dat de SKY ECC-berichten op het tijdstip van hun onderschepping in Frankrijk onleesbaar waren ingevolge versleuteling, was het per definitie onmogelijk om alsdan te achterhalen dat er tussen deze versleutelde communicatie berichten zaten die verstuurd werden aan of door een (Belgische) advocaat. Dit gegeven werd immers slechts ontdekt na ontsleuteling van de ‘in bulk’ aan de Belgische speurders overgemaakte onderschepte SKY ECC-berichten; - bijgevolg was het onmogelijk om voorafgaand de (Franse) stafhouder te verwittigen; - er is geen enkele inbreuk vast te stellen op de toepasselijke Franse wetgeving (artikel 100 van het Franse Wetboek van Strafvordering) zoals deze bestond op het ogenblik van de interceptie van de SKY ECC-communicatie; - de bewijzen lastens de eiser, in het bijzonder de versleutelde SKY ECC-communicatie gevoerd met of door de eiser, werden in Frankrijk op volstrekt rechtmatige wijze verkregen; - er bestaat dan ook geen rechtsgrond om de data die in het kader van de GOT-overeenkomst werden gedeeld met België en die betrekking hebben op communicatie gevoerd met of door de eiser, uit het debat te weren.
- Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 100, 100-1 en 100-3 tot en met 100-8 van het Franse Wetboek van Strafvordering, artikel 13 Wet Internationale Rechtshulp en artikel 8 EVRM: het arrest houdt bij het in het eerste onderdeel vermelde oordeel ten onrechte rekening met het gegeven dat de Franse autoriteiten niet konden weten dat er communicatie van geheimhouders werd onderschept; dit heeft hoogstens tot gevolg dat de toepasselijke wetgeving, minstens de wijze van onderschepping, inadequaat is; het gegeven dat de wettelijke grondslag ontoereikend is, kan niet in het nadeel van de verdachte spelen.
- Artikel 8 EVRM houdt voor de rechter niet de verplichting in om communicatie waarvan slechts na het bevelen en het uitvoeren van de onderscheppingsmaatregel blijkt dat een advocaat erbij was betrokken, steeds nietig te verklaren en uit het bewijs te weren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde draagwijdte als het eerste onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 66 Strafwetboek: enerzijds oordeelt het arrest (p. 19-20) dat de eiser dader is van de telastleggingen B.3 en B.4 op grond van zijn nauwe samenwerking met advocaat M. en het feit dat de desbetreffende informatie onder het gedeelde beroepsgeheim viel; anderzijds onderschrijft het arrest het oordeel van de eerste rechter, die het doorgeven van de informatie kwalificeert als een schending van het beroepsgeheim door advocaat M. en die eisers tussenkomst vervolgens aanziet als een daad van mededaderschap aan die schending van het beroepsgeheim; die redenen zijn tegenstrijdig; de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als deelnemer aan een misdrijf, heeft de verplichting om in de bewoordingen van de artikelen 66 of 67 Strafwetboek of in gelijkaardige bewoordingen de deelnemingsvorm vast te stellen die hij bewezen acht, terwijl het voor een veroordeling als dader volstaat dat de rechter vaststelt dat de beklaagde de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zijn persoon verenigt.
- In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, dat vreemd is aan de aangevoerde grief, faalt het naar recht.
- Het is niet tegenstrijdig te oordelen dat de eiser door het plegen van de lastens hem bewezen verklaarde feiten in zijn hoedanigheid van advocaat, zijn eigen beroepsgeheim dat hij deelde met advocaat M. heeft geschonden en daarmee eveneens aan de schending door advocaat M. van diens beroepsgeheim heeft deelgenomen in de zin van artikel 66 Strafwetboek. Die redenen sluiten elkaar immers niet uit, noch heffen zij elkaar op. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De redenen op grond waarvan het arrest oordeelt dat de eiser zijn eigen beroepsgeheim heeft geschonden, volstaan voor zijn schuldigverklaring aan de feiten van de telastleggingen B.3 en B.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest niet de deelnemingsvorm vermeldt waaronder de eiser dezelfde feiten heeft gepleegd als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div