← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 65

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Wettelijke bepalingen:

Art. 65

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:

Art. 65

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 5 Volgens artikel 23quater, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken zijn de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van een aangevoerde schending van de in die bepaling vermelde artikelen van de Taalwet Gerechtszaken door de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel, zodat het appelgerecht niet bevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het beroepen vonnis in zoverre dit de gevraagde taalwijziging heeft geweigerd

(1).
(1)Cass. 23 juni 2023, AR P.23.0621.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.
  1. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23quater, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23quater, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0911.N M. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ibrahim El Ouahi, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 21 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 65 Strafwetboek: het beroepen vonnis bevestigt de toepassing door de eerste rechter van artikel 65 Strafwetboek en legt een enkele straf op voor de telastleggingen C, D en E; nochtans motiveert het bestreden vonnis niet welk feit als het zwaarste wordt beschouwd en hoe de eenheid van opzet concreet werd vastgesteld; artikel 65 Strafwetboek vereist een duidelijke beoordeling van het zwaarste misdrijf en van de juridische draagwijdte van de samenloop; door enkel te verwijzen naar de “voortgezette uiting van eenzelfde opzet”, zonder feitelijke onderbouwing, gaat het bestreden vonnis niet na of aan de wettelijke voorwaarden van de samenloop voldaan is en verhindert het de toetsing van de wettigheid van de opgelegde straf.
  4. Het appelgerecht dat de beslissing van de eerste rechter bevestigt dat de bewezen verklaarde feiten bij de beklaagde de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet in de zin van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, dient bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie niet uitdrukkelijk aan te duiden welk van de bewezen verklaarde feiten het zwaarste misdrijf oplevert, noch te motiveren hoe de eenheid van opzet concreet is vastgesteld en welke de juridische draagwijdte van de samenloop is. Die afwezigheid van motivering impliceert niet dat de rechter de wettelijke voorwaarden voor de samenloop niet heeft onderzocht of dat er geen controle van de wettigheid van de toegepaste straf mogelijk is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het bestreden vonnis oordeelt: “Terecht oordeelde de eerste rechter dat de tenlasteleggingen C, D en E de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van eenzelfde opzet zodat hiervoor slechts één enkele straf wordt opgelegd, met name de straf die op het zwaarste misdrijf is gesteld (artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek).” Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert een “procedurefout” aan, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de politierechtbank heeft eisers verzoek tot taalwijziging genegeerd en niet-gemotiveerd afgewezen; de arrondissementsrechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen omstandigheden eigen aan de zaak aanwezig waren, ondanks dat de eiser geen Nederlands begrijpt en dat hij reeds bij zijn eerste verhoor Engels heeft gesproken; een verzoek om taalwijziging moet gemotiveerd worden beoordeeld.
  7. Volgens artikel 23quater, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken zijn de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van een aangevoerde schending van de in die bepaling vermelde artikelen van de Taalwet Gerechtszaken door de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel. Bijgevolg waren de appelrechters niet bevoegd om kennis te nemen van eisers hoger beroep tegen het beroepen vonnis in zoverre dit de gevraagde taalwijziging heeft geweigerd.
  8. De Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, hebben bij vonnis van 14 oktober 2024 het beroep van de eiser tegen de beslissing van het beroepen vonnis waarbij zijn verzoek om taalwijziging werd geweigerd, ontvankelijk maar ongegrond verklaard. De eiser heeft tegen dat vonnis geen cassatieberoep ingesteld.
  9. Hieruit volgt dat de eiser voor het Hof geen middel kan aanvoeren dat is geput uit de beslissing tot weigering van de gevraagde taalwijziging. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet concreet de grieven van de eiser; zo wijst het eisers verzoek tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling af met de algemene overweging dat dit onvoldoende bewustwording zou teweegbrengen; het vonnis bespreekt evenmin de professionele gevolgen van het rijverbod voor de eiser, noch de verzachtende omstandigheden voor de feiten; een rechter moet alle middelen van de verdediging beantwoorden met specifieke redenen; de loutere verwijzing naar abstracte argumentatie voldoet niet aan dat vereiste.
  11. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 23 april 2025 blijkt dat de eiser aan de appelrechters in hoofdorde heeft gevraagd om probatie-opschorting en in ondergeschikte orde heeft gevraagd om een lager rijverbod.
  12. Het bestreden vonnis oordeelt onder meer als volgt: - op het verzoek tot het verlenen van de gunst van de opschorting wordt niet ingegaan, nu deze gunst bij de eiser zou leiden tot een onvoldoende bewustwording van de ernst van de feiten, ook wanneer hieraan probatievoorwaarden zoals het volgen van een cursus bij VIAS zouden worden gekoppeld; - bij het bepalen van de straffen houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, met het strafverleden van de eiser en zijn persoonlijke situatie. Daarnaast beoogt de rechtbank met haar bestraffing uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de begane overtredingen en het beschermen van de maatschappij, in het bijzonder andere weggebruikers; - de eiser reed tijdens de ochtendspits op de Brusselse binnenring de file rechts voorbij via de pechstrook, hetgeen asociaal en ronduit gevaarlijk is; - gezien de ernst van de inbreuken was, naast de deels met uitstel opgelegde minimumgeldboete, een rijverbod voor de duur zoals door de eerste rechter bepaald, passend en noodzakelijk teneinde de eiser aan te zetten een veiligere rijstijl in acht te nemen en om herhaling te voorkomen; - de eerste rechter hield voldoende rekening met de professionele situatie van de eiser door de helft van het rijverbod met uitstel op te leggen; - er is geen enkele aanwijzing dat de opgelegde bestraffing aan de eiser een overdreven sociaal of professioneel nadeel zal toebrengen in een mate die buiten verhouding zou staan met de ernst van de feiten. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis eisers verweer over de strafmaat niet op een abstracte en algemene wijze, maar specifiek en individueel naar de persoon van de eiser toe en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.