← België

K. contra ZIMMERMANN J. GMBH

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 16

, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0965.N B. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen ZIMMERMANN GmbH, met zetel te 26629 Grobefehn (Duitsland), Norderwieke Sud 13, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan de telastlegging misbruik van vertrouwen; het oordeelt: “[De eiser] tracht duidelijk verwarring te zaaien door thans voor het eerst in hoger beroep voor te houden dat bvba IDC Boringen bij [de verweerster] een betoniet-afzuigmachine van 2,8m³ kocht, die een andere kleur had dan deze van 4 m³, en dat deze werd betaald. Waar in de verklaring voor de curator door [de eiser] gewag is gemaakt over twee machines, blijkt ook genoegzaam dat er niet slechts één machine afkomstig was van [de verweerster]”; aldus geeft het arrest toe dat er voorafgaand aan de strafrechtelijke procedure reeds sprake was van meerdere machines, maar legt het vervolgens de onduidelijkheid en derhalve de twijfel daarover uit in het nadeel van de eiser; het arrest oordeelt eveneens: “De betoniet-afzuigmachine kon niet meer worden aangetroffen op het ogenblik van het faillissement aangezien deze niet op de lijst van de curator voorkwam en kon dus niet worden teruggegeven. Dit is enkel mogelijk doordat het toestel voordien was verduisterd of verspild, wat gelet op de omstandigheden en tegenwerkende houding die [de eiser] aannam in het kader van de afgifte van het toestel na de veroordeling bij verstek, met bedrieglijk opzet gebeurde”; ook dit standpunt komt erop neer te stellen dat het de eiser toekomt te bewijzen dat hij geen goederen heeft verduisterd; het is immers geheel onwaar dat er geen enkele andere mogelijkheden zijn waarom het toestel niet kon worden teruggevonden; zo is het perfect mogelijk dat de zaakvoerder het toestel in bezit had of dat het toestel voordien al was verkocht aan een andere firma; door het uitsluiten van deze mogelijkheden draait het arrest de bewijslast om, wat ook indruist tegen het vermoeden van onschuld.
  3. De rechter in strafzaken miskent het vermoeden van onschuld niet door het enkele gegeven dat hij de door de beklaagde aangevoerde feiten, veronderstellingen of twijfel niet aanneemt. Integendeel beoordeelt die rechter, wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daarbij kan die rechter de schuld of onschuld van een beklaagde aan een hem ten laste gelegd feit afleiden uit een geheel van overeenstemmende feitelijke gegevens, zoals de inhoud van procedurestukken en correspondentie en de houding en verklaringen van de beklaagde en van derden. Niets belet de rechter om zijn desbetreffende beslissing enkel te steunen op bepaalde van die gegevens en andere gegevens als onjuist, ongeloofwaardig of irrelevant te verwerpen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Uit de redenen die het arrest vermeldt en die het middel slechts gedeeltelijk herneemt, onder meer dat de eiser de feitelijke zaakvoerder was van IDC, in wiens bezit de betoniet-afzuigmachine zich ter bede bevond ingevolge de aankoop ervan met eigendomsvoorbehoud voor de verweerster, dat de verduistering van die machine blijkt uit het feit dat zij niet voorkwam op de lijst van de curator, dat eisers kwade trouw wordt aangetoond door de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen en zijn tegenwerkende houding in het kader van de afgifte van het toestel na de veroordeling van IDC bij verstek en dat in de vastgestelde omstandigheden niemand anders dan de eiser in aanmerking komt om de machine te hebben verduisterd of verspild, kan het arrest wettig en zonder miskenning van het vermoeden van onschuld afleiden dat de eiser wel degelijk het hem ten laste gelegde feit van misbruik van vertrouwen heeft gepleegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 491, eerste lid, Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers bij appelconclusie gevoerd verweer dat niet is voldaan aan de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van misbruik van vertrouwen omdat niet bewezen is dat de eiser in het bezit was van de betoniet-afzuigmachine, dat het louter achterhouden van de machine niet kan volstaan voor een verduistering en dat er geen bedrieglijk opzet wordt aangetoond.
  6. Artikel 195 Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de grief die aanvoert dat de rechter niet voldoet aan zijn verplichting om te antwoorden op een voor hem genomen conclusie in verband met de schuldvraag. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  7. Het middel betrekt niet alle redenen van het arrest in de kritiek. Met de redenen die het arrest overneemt van het beroepen vonnis en die het (p. 8-11) zelf bevat, beantwoordt het wel degelijk eisers in het middel vermelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument tot staving van dat verweer, dat geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 491, eerste lid, Strafwetboek, is het afgeleid uit het hiervoor vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Derde middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 149 Grondwet, de artikelen 29 en 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 774 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het beschikkingsbeginsel: het arrest steunt de beslissing dat de eiser feitelijk zaakvoerder van IDC was op feiten die niet door partijen zijn aangevoerd en derhalve niet aan tegenspraak waren onderworpen, alsook op de ambtshalve aanname dat de eiser de machine bestelde en afhaalde omdat hij instond voor de contacten met de verweerster en dat de curator de eiser aanzag als feitelijk zaakvoerder van IDC omdat hij de zaakvoerder aanduidde als “hij” in plaats van “zij”; de appelrechters hadden bijgevolg het debat moeten heropenen, temeer daar zij door hun standpunten het vermoeden van onschuld miskennen; het arrest miskent ook het zwijgrecht door te oordelen dat eisers dochter inhoudelijk geen verklaring wilde afleggen bij de politie.
  10. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet en de artikelen 29 en 195 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  11. Het beschikkingsbeginsel, al dan niet samen genomen met artikel 774 Gerechtelijk Wetboek, is niet van toepassing op de rechter die uitspraak doet over de strafvordering. Die rechter moet integendeel aan de hand van alle aan tegenspraak onderworpen gegevens van het strafdossier nagaan of de constitutieve bestanddelen van het hem voorgelegde misdrijf bij de beklaagde verenigd zijn. Of die gegevens zijn aangevoerd door het openbaar ministerie of de burgerlijke partij, dan wel uitdrukkelijk ter sprake zijn gebracht in het debat op de rechtszitting, heeft geen belang. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Het arrest miskent het zwijgrecht van de dochter van de eiser, tevens formeel de zaakvoerder van IDC, niet door uit het feitelijk gegeven dat zij heeft geweigerd bij de politie een verklaring af te leggen, naast andere feitelijke gegevens, af te leiden dat de eiser wel degelijk de feitelijke zaakvoerder van IDC was en door dat feitelijk gegeven aan te wenden als schuldelement lastens de eiser.
  13. Zoals blijkt uit de redenen vermeld als antwoord op het eerste middel, miskent het arrest met de hier bekritiseerde redenen het vermoeden van onschuld van de eiser niet.
  14. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  15. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Vierde middel
  16. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382, 1383 en 1348bis oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het bewijs van de levering van de betoniet-afzuigmachine met alle middelen van recht kan worden geleverd omdat het een overeenkomst tussen ondernemingen betreft; de vervolging en de daaruit volgende bewijsvoering heeft hier evenwel betrekking op een natuurlijk persoon, zodat het arrest artikel 1341 oud Burgerlijk Wetboek had moeten toepassen; bijgevolg moest een onderhandse of authentieke akte voorhanden zijn, bij gebreke waaraan niet is bewezen dat de machine ooit werd geleverd aan de vennootschap of dat die transactie tegenstelbaar is aan de eiser; de onzekerheid of twijfel die blijft bestaan na de bewijsvoering, moet in aanmerking worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt; een eenzijdige verklaring van de partij die de bewijslast draagt, kan ook geen voldoende bewijs vormen van het te bewijzen feit; dergelijke verklaring aanvaarden als bewijs houdt een schending in van artikel 1316 oud Burgerlijk Wetboek, dat op limitatieve wijze de toegelaten bewijsmiddelen opsomt.
  17. Overeenkomstig artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering dient de strafrechter zich te gedragen naar de bewijsregeling in burgerlijke zaken wanneer het misdrijf verband houdt met een overeenkomst die tegen de beklaagde wordt ingebracht en waarvan deze het bestaan ontkent of de uitlegging betwist.
  18. De schuldigverklaring van de eiser berust niet op het feit dat hij een zaak bedrieglijk heeft verduisterd die de verweerster aan hem persoonlijk ter bede had overhandigd, maar wel op het feit dat de eiser, in zijn hoedanigheid van feitelijk zaakvoerder van IDC, een zaak bedrieglijk heeft verduisterd die de verweerster ter bede had overhandigd aan IDC en dit op grond van een met deze laatste gesloten overeenkomst van huurkoop of van koop op afbetaling met eigendomsvoorbehoud. Op het bewijs van het bestaan en de uitvoering van die overeenkomst is de bewijsstandaard in ondernemingszaken van toepassing. De omstandigheid dat de eiser, als feitelijk zaakvoerder van IDC, onrechtstreeks ook zelf het precair bezit van die machine had, doet daaraan geen afbreuk.
  19. De tegenstelbaarheid aan de eiser van de door IDC met de verweerster gesloten overeenkomst behoort tot het moreel constitutief bestanddeel van het misdrijf van misbruik van vertrouwen, dat onder meer vereist dat de dader weet dat de zaak die hij verduistert enkel het voorwerp uitmaakt van een bezit ter bede. Die tegenstelbaarheid houdt geen verband met de in het burgerlijk recht toegelaten bewijsmiddelen, maar behoort tot de vrije bewijswaardering in strafzaken. Binnen het kader van die bewijswaardering, die het arrest voor het overige toepast, kan het eenzijdige verklaringen van de verweerster, die het geloofwaardig acht, als bewijs aannemen.
  20. Hieruit volgt dat het arrest met de in het middel vermelde redenen de beslissing naar recht verantwoordt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  21. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 14 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van plaatsvervangend magistraat Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251014.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.