Obsah (4)
Art. 19Art. 1022Art. 1050Art. 1068id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 19
, eerste lid en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022
- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1050
, eerste en tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1068
, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 De in artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde devolutieve werking van het hoger beroep doet geen afbreuk aan de partijautonomie die maakt dat de partijen door principaal en incidenteel hoger beroep de grenzen bepalen waarbinnen de appelrechter uitspraak moet doen over het door de eerste rechter beoordeelde geschil; de appelrechter kan een beroepen vonnis niet opnieuw beoordelen op vorderingen of punten van vorderingen van het door de eerste rechter beoordeelde geschil die niet zijn aangevochten; hij kan zich evenmin buigen over een niet-beroepen vonnis, ook al is dat in dezelfde zaak gewezen; het hoger beroep werkt derhalve relatief in die zin dat de appelrechter enkel uitspraak kan doen over een eindbeslissing of een beslissing alvorens recht te spreken van de eerste rechter indien deze is beroepen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1068, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0301.N 1. GEA FARM TECHNOLOGIES Gmb
H, met zetel te DE 59199 Bönen (Duitsland), Siemenstrasse 25-27,
- GEA FARM TECHNOLOGIES BELGIUM nv, met zetel te 2550 Kontich, Kartuizersweg 6A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0407.217.975, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen
- ’T FORTJENSHOF bv, met zetel te 9970 Kaprijke, Vrouwstraat 72, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0437.452.182, eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eerste verweerster woonplaats kiest,
- K.G., tweede verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de tweede verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 13 maart
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 26 september 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis een eindvonnis is voor zover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de bij wet bepaalde rechtsmiddelen. Artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, alvorens recht te spreken, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.
- Artikel 1050, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in alle zaken hoger beroep kan worden ingesteld, zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis. Het tweede lid vervolgt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te spreken slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.
- Krachtens artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek maakt hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een beslissing alvorens recht te spreken het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep.
- Met ‘eindvonnis’ in de zin van voormelde bepalingen doelt de wetgever op een eindbeslissing waarmee de rechter een geschilpunt definitief beslecht, zodat hij zijn rechtsmacht over dat punt uitput.
- De in voormeld artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde devolutieve werking van het hoger beroep doet geen afbreuk aan de partijautonomie die maakt dat de partijen door principaal en incidenteel hoger beroep de grenzen bepalen waarbinnen de appelrechter uitspraak moet doen over het door de eerste rechter beoordeelde geschil. De appelrechter kan een beroepen vonnis niet opnieuw beoordelen op vorderingen of punten van vorderingen van het door de eerste rechter beoordeelde geschil die niet zijn aangevochten. Hij kan zich evenmin buigen over een niet-beroepen vonnis, ook al is dat in dezelfde zaak gewezen. Het hoger beroep werkt derhalve relatief in die zin dat de appelrechter enkel uitspraak kan doen over een eindbeslissing of een beslissing alvorens recht te spreken van de eerste rechter indien deze is beroepen.
- De appelrechter stelt vast dat: - de partijen discussie voeren omtrent een machine, geproduceerd door de eerste eiseres en die via de tweede eiseres en vervolgens de tweede verweerder werd verkocht aan de eerste verweerder; - de eerste verweerder weigert openstaande facturatie van de tweede verweerder te betalen omdat de machine ernstige gebreken zou vertonen; - de eerste rechter in een eerste tussenvonnis van 14 december 2018 een deskundigenonderzoek heeft bevolen; - de eerste rechter in een tweede tussenvonnis van 16 september 2020 het verzoek van de eiseressen en de tweede verweerder tot vervanging van de gerechtsdeskundige dat onder meer was gesteund op een beweerd gebrek aan deskundigheid, heeft afgewezen; - de eerste rechter in een eindvonnis van 29 juni 2022 de koopovereenkomst heeft nietig verklaard en de tweede verweerder heeft veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs met een schadevergoeding; - principaal en incidenteel hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis van 29 juni 2022, terwijl geen hoger beroep is ingesteld tegen de tussenvonnissen van 14 december 2018 en 16 september
- Op grond van de in ro 5 vermelde en in de plaats gestelde reden is de beslissing van de appelrechter dat hij niet verder kan ingaan op het herhaalde verzoek tot vervanging van de gerechtsdeskundige dat onder meer was gesteund op een beweerd gebrek aan deskundigheid, naar recht verantwoord. Het middel dat aanvoert dat de appelrechter onwettig oordeelt dat hij gebonden is door het gezag van gewijsde van het niet-beroepen tussenvonnis van 16 september 2020, kan, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseressen opnieuw uitvoerig de opmerkingen van hun technisch raadsman weergeven en stellen dat de gerechtsdeskundige zijn opdracht niet zou hebben vervuld omdat de beweerde gebreken niet op hun oorzaak werden onderzocht en verder ook geen aandacht zou zijn besteed aan een onderzoek naar onderhoud en hygiëne in het bedrijf van de eerste verweerster; - daar waar de eiseressen hameren op een onderzoek naar data, zij zelf ook in gebreke blijven een en ander aan te leveren; - de gerechtsdeskundige de opmerkingen van de partijen wel degelijk omstandig heeft beantwoord; - daar waar de eiseressen blijven verwijzen naar mogelijke andere oorzaken in verband met de werking en het onderhoud binnen het bedrijf van de eerste verweerster zelf, zij op geen enkel ogenblik, bij het doen van hun talloze interventies, hieromtrent ook maar één opmerking hebben gemaakt; - noch de eiseressen noch de tweede verweerder elementen aanvoerden waaruit zou kunnen blijken dat de bedrijfsvoering een grote rol speelt in het probleem; - de gerechtsdeskundige een duidelijk overzicht geeft van alle problemen; - hij nogmaals verwijst naar tal van nader bepaalde, steeds wederkerende problemen met de machine; - daar waar de eiseressen stellen dat de oorzaken niet voldoende of te weinig deskundig zijn onderzocht, het tegendeel blijkt uit het deskundigenverslag, dat aangeeft dat het gaat om een algemeen falen van de machine dat pas waarneembaar is na een zekere tijd van ingebruikname; - het deskundigenverslag kan worden bijgevallen in die zin dat het onderzoek heeft aangetoond dat de machine wel degelijk met verborgen gebreken was behept; - de eiseressen en de tweede verweerder als professionele verkopers worden vermoed de gebreken ten tijde van de verkoop te kennen.
- Met deze redenen geeft de appelrechter te kennen dat, hoewel de tweede eiseres geen partij was bij het deskundigenonderzoek, het deskundigenverslag kan dienen tot weerlegging van haar opmerkingen, terwijl haar recht van verdediging niet in het gedrang is. Voorts preciseert hij de rechtsgrond voor de verplichting van de tweede eiseres als verkoper tot vrijwaring van de tweede verweerder als doorverkoper van de machine aan de eerste verweerster. Zodoende verwerpt en beantwoordt de appelrechter het in het middel bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- De appelrechter oordeelt tegenstrijdig enerzijds in het overwegende gedeelte dat de eiseressen en de tweede verweerder in hun onderlinge verhouding elk hun eigen gedingkosten moeten dragen en anderzijds in het beschikkende gedeelte dat de tweede eiseres moet worden verwezen in de nader bepaalde gedingkosten van de tweede verweerder, en schendt zodoende artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek. Het middel is gegrond. Vierde middel
- Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer de rechtsplegingsvergoeding in de zin van artikel
- Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. In uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.
- De artikelen 2 tot 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voorzien in indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen. Het gaat telkens om basis-, minimum- en maximumbedragen.
- Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen.
- Overeenkomstig artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding is het geïndexeerde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering tussen 100.000 en 250.000,01 euro op datum van het bestreden arrest vastgesteld op 7.500 euro.
- Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat de vordering tot vrijwaring van de tweede verweerder tegen de eerste eiseres betrekking heeft op de koopprijs van 135.500 euro meer interest en een schadevergoeding van 69.325,41 euro meer interest.
- De appelrechter die, na afwijzing van deze vordering, de tweede verweerder veroordeelt tot betaling aan de eerste eiseres van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 7.000 euro, schendt artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het oordeelt over de gedingkosten in de verhouding tussen de tweede eiseres en de tweede verweerder en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep in de verhouding tussen de eerste eiseres en de tweede verweerder. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseressen tot de helft van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Bepaalt de kosten voor de eiseressen op 580,84 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert, Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251020.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div