← België

O. contra Landsbond der Christelijke Mutualiteiten

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251020.3N.7 Rolnummer: S.25.0004.N Zaak: O. contra Landsbond der Christelijke Mutualiteiten Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-11-27 Raadplegingen: 351 - laatst gezien 2026-06-15 10:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Uit artikel 100, §1, eerste lid, ZIV-wet volgt dat bij de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid moet nagegaan worden wat de persoon van dezelfde stand en met dezelfde beroepsopleiding, de referentiepersoon, eventueel mits aanpassing voor de betrokkene, kan verdienen op de algemene arbeidsmarkt, te weten in de beroepscategorie waartoe de beroepsarbeid van de betrokkene behoort of in de verschillende beroepen die deze laatste heeft uitgeoefend of zou kunnen uitgeoefend hebben gelet op zijn beroepsopleiding en/of -ervaring; de rechter oordeelt in feite, en bijgevolg onaantastbaar, over de voormelde arbeidsongeschiktheid en dus arbeidsgeschiktheid van de betrokkene op de algemene arbeidsmarkt in vergelijking met de referentiepersoon; het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wet 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - 14-07-1994 - Art. 100, § 1, eerste lid - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Tekst van de beslissing Nr. S.25.0004.N P.O., eiser, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beschikking van 16 januari 2025 (nr. …). vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiser woonplaats kiest, tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579 bus 40, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0411.702.543, verweerster, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 17 oktober

  1. Raadsheer Ann De Wolf heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser nog enkele bijkomende stukken bijbrengt om aan te tonen dat zijn medische situatie in het algemeen nog verergert; - de beweerde verergering niet van die aard is dat zij een andere licht werpt op de arbeidsongeschiktheid van de eiser vanaf 18 maart 2019 waarbij de eiser zelf stelde dat de psychische problemen doorslaggevend zijn.
  3. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, weigeren de appelrechters met deze redenen niet de volledige medische toestand vanaf 18 maart 2019 tot aan de uitspraak te onderzoeken, maar geven zij te kennen dat de aangevoerde verergering, voor zover zij zou vaststaan, hun oordeel over de arbeidsongeschiktheid sinds 18 maart 2019 niet kan veranderen. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. In zijn verslag van 2 januari 2024 geeft het college van deskundigen aan dat het zich wat betreft de analyse van de psychiatrische problematiek kan aansluiten bij de stellingen geformuleerd door dr. J. De appelrechters die oordelen dat uit dit verslag niet blijkt dat het college ervan uitgaat dat de borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) een uitdovend karakter zou hebben, geven hiermee te kennen dat het college in zijn verslag van 2 januari 2024 niet zelf het uitdovend karakter van de BPS vaststelt, ook al verwijst het in dit verslag naar de bevindingen van een deskundige die dit wel vaststelt. De appelrechters geven aldus van het verslag een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskennen de bewijskracht ervan niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  5. Krachtens artikel 100, § 1, eerste lid, ZIV-wet, wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding. Hieruit volgt dat bij de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid moet nagegaan worden wat de persoon van dezelfde stand en met dezelfde beroepsopleiding, de referentiepersoon, eventueel mits aanpassing voor de betrokkene, kan verdienen op de algemene arbeidsmarkt, te weten in de beroepscategorie waartoe de beroepsarbeid van de betrokkene behoort of in de verschillende beroepen die deze laatste heeft uitgeoefend of zou kunnen uitgeoefend hebben gelet op zijn beroepsopleiding en/of -ervaring. De rechter oordeelt in feite, en bijgevolg onaantastbaar, over de voormelde arbeidsongeschiktheid en dus arbeidsgeschiktheid van de betrokkene op de algemene arbeidsmarkt in vergelijking met de referentiepersoon. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  6. De appelrechter stellen vast en oordelen dat: - De impulscontrolestoornis interfereert met een inschakeling op de reguliere arbeidsmarkt; - dr. D. stelt dat de door het college van deskundigen voorgestelde tewerkstelling onder het stelsel van kwetsbare werknemers eerder tot niets heeft geleid; - het college evenwel oordeelde dat de eerdere herscholing tot receptionist geen geschikte keuze was, maar dat er wel nog mogelijkheden zijn; - de vraag of het haalbaar is een job met weinig interactie met derden te vinden geen invloed heeft op zijn geschiktheid om arbeid te verrichten en bepaalde functies uit te oefenen.
  7. Met deze redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, geven de appelrechters te kennen dat de mogelijkheden waarover de eiser beschikt zich alsnog situeren in de tewerkstelling onder het stelsel van kwetsbare werknemers in een functie met weinig of geen interactie met derden, en verantwoorden zij hun beslissing tot afwijzing van de arbeidsongeschiktheid van de eiser en bijgevolg tot vaststelling van zijn arbeidsgeschiktheid, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Kosten Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerster tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 312,45 euro in debet. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert, Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 20 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251020.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.