id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 68
- 54 ELI link Pub nr 2024006400 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024
Art. 68- 54 ELI link Pub nr 2024006400 Thesaurus CAS: WETTEN.
DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024
Art. 68
- 54 ELI link Pub nr 2024006400 Fiches 4 - 5 De rechter kan het verbod om dieren te houden van een bepaalde soort en het verbod om meer dan een aantal dieren te houden als veiligheidsmaatregelen ambtshalve opleggen, ook zonder daartoe te zijn gevorderd door het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: DIEREN Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024
Art. 68- 54 ELI link Pub nr 2024006400 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN.
STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 16 mei 2024
Art. 68- 54 ELI link Pub nr 2024006400 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1014.N
- D. S., beklaagde, eiser,
- V. S., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Siegfried De Mulder, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 12 juni
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel verzoekt het arrest met betrekking tot de gerechtskosten, waaronder de vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken, te vernietigen, “alwaar het deze kost van € 58,90 op het vonnis op verzet van 5/6/2024 t.a.v. [de eiseres] heeft bevestigd”.
- Het arrest veroordeelt de eiseres niet tot betaling van een vaste vergoeding voor de beheerskosten in strafzaken van 58,90 euro, wel van 58,24 euro. Het middel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 2 Strafwetboek, artikel 40 Dierenwelzijnswet en artikel 68, 2° en 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn, alsook miskenning van het verbod ultra petita te oordelen: de appelrechters oordelen ultra petita want het openbaar ministerie vorderde geen veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68, 2° en 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn; het arrest is ook tegenstrijdig gemotiveerd omdat het, enerzijds, stelt dat artikel 40 Dierenwelzijnswet werd opgeheven en, anderzijds, toch aan de eisers het recht ontzegt dieren te houden maar op grond van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn die op het ogenblik van de feiten nog niet bestond; bovendien was de minste strafmaat deze van artikel 40 Dierenwelzijnswet en niet deze van artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn; de appelrechters motiveren ten slotte onvoldoende hoe zij het verschil zien tussen het gewicht van een sanctie als bedoeld in artikel 40 Dierenwelzijnswet, die aan iemand een recht tot het houden van dieren kan ontzeggen, en een veiligheidsmaatregel als bedoeld in artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn.
- De rechter kan, naast de straffen, vermeld in de artikelen 66 en 67 Vlaamse Codex Dierenwelzijn, verbieden om dieren van een of meer soorten te houden, definitief of voor één maand tot vijf jaar, ook indien de dieren niet op naam van de overtreder zijn geregistreerd of naderhand geregistreerd zouden worden (artikel 68, 2°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn) en het aantal dieren van een of meer soorten dat men mag houden beperken, definitief of voor één maand tot vijf jaar (artikel 68, 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn).
- Uit de wetsgeschiedenis van artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn blijkt dat deze verboden en beperkingen veiligheidsmaatregelen zijn en geen bijkomende straffen. Deze kwalificatie heeft als gevolg dat artikel 2 Strafwetboek niet van toepassing is op deze maatregelen en dat de rechter ze kan opleggen, ook voor bewezen verklaarde feiten die werden gepleegd vóór de inwerkingtreding van artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn op 1 januari
- De rechter kan deze veiligheidsmaatregelen ambtshalve opleggen, ook zonder daartoe te zijn gevorderd door het openbaar ministerie.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 8) dat oordeelt, eensdeels, verwijzend naar artikel 40 Dierenwelzijnswet, dat een straf die niet langer bestaat niet meer kan worden opgelegd en, anderdeels, verwijzend naar artikel 68 Vlaamse Codex Dierenwelzijn, dat niets belet de nieuwe veiligheidsmaatregel op te leggen, is niet tegenstrijdig gemotiveerd. Deze redenen doen elkaar immers niet teniet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en artikel 149 Grondwet: het gezin van de eisers houdt een nieuwe rottweiler-reu “Raffi” in een aan de appelrechters toegelichte beveiligde omgeving en sinds 2022-2023 hebben zich geen incidenten voorgedaan; ondanks deze toelichtingen legt het arrest aan de eisers het verbod op om andere honden te houden dan de rotweiller-teef “Bella” maar geeft het daarvoor geen afdoende motivering; ook schendt het arrest het vermoeden van onschuld aangezien bij extrapolatie iedere andere hond in de aangepaste beveiligde omgeving die werd gecreëerd geen enkel gevaar vormt voor de maatschappij; bovendien raken de opgelegde verboden ook andere personen dan de eisers, namelijk hun kinderen; minstens is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd omdat strikt genomen het inwonende, meerderjarige kind van de eisers “Raffi”, net zoals iedere andere hond, op haar naam zou kunnen nemen.
- De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een vormvoorschrift waaruit volgt dat aan de verplichting is voldaan indien een verweer wordt beantwoord, ongeacht de kwaliteit van dit antwoord.
- Het loutere feit dat de rechter, met toepassing van artikel 68, 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn, het aantal dieren van een of meer soorten dat men mag houden, beperkt tot een aantal dat kleiner is dan het aantal dieren dat de veroordeelde op het moment van de uitspraak houdt, miskent niet het vermoeden van onschuld, noch schendt het artikel 8 EVRM.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel, onder het mom van een miskenning van het vermoeden van onschuld of van tegenstrijdige motivering, zinspeelt op een mogelijke, toekomstige registratie op naam van één van de inwonende kinderen van de eisers van de rotweiller-reu “Raffi” of nog één of meer andere honden, berust het op een loutere hypothese en is het niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 10) oordeelt dat gelet op wat zich heeft voorgedaan, in het belang van de openbare veiligheid, absoluut moet worden vermeden dat de eisers meerdere honden houden, dat de feiten afdoende aantonen dat zij die situatie niet meester zijn en dat keer op keer de honden erin slaagden te ontsnappen en schade aan te richten en dat het verbod in de tijd wordt beperkt, nu mag worden gehoopt dat een termijn van drie jaar zal volstaan om de eisers toe te laten alle nodige maatregelen te nemen om een herhaling van dergelijke feiten uit te sluiten. Het oordeelt verder dat de door de eisers overgelegde positieve verklaringen van hun dierenarts over het gedrag van de nieuwe rotweiller-reu “Raffi”, net zoals de positieve verklaringen van deze dierenarts over het gedrag van hun geëuthanaseerde rottweiler-reu “Fenix”, hier niets aan af doen, dat de eisers op de rechtszitting hebben erkend dat zij voor de nieuwe rotweiller-reu “Raffi” in geen enkele gedragstraining hebben voorzien en dat het betoog van de eisers dat zij “Fenix” reeds hebben moeten euthanaseren en dat zij en hun kinderen zeer gehecht zijn aan de honden in hun gezin, van geen belang is bij de beoordeling van artikel 68, 2° en 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Met deze redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het in het middel vermelde verweer van de eisers en verantwoorden zij hun beslissing om aan de eisers het verbod bedoeld in artikel 68, 2° en 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn op te leggen, naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt bij de beoordeling van de redelijke termijn in strijd met de feitelijke en procedurele elementen van het dossier dat de eisers zelf in eerste instantie hebben nagelaten te verschijnen voor de eerste rechter; het verzet van de eiseres werd immers gedaan verklaard; zij kon er dus niet aan doen dat zij niet is verschenen op de eerste rechtszitting op 5 oktober 2023; het arrest miskent hierdoor ook de bewijskracht van de akte van verzet en het vonnis op verzet.
- Het arrest (p. 6) verwijst bij de beoordeling van de redelijke termijn niet naar de akte van verzet of het vonnis op verzet en kan van die geschriften dus ook niet de bewijskracht miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat, in hoeverre of op grond van welke argumenten de eisers de miskenning van de redelijke termijn voor de appelrechters hebben aangevoerd of welke rechtsgevolgen de eisers daaruit hebben afgeleid. Bij afwezigheid van een dergelijk verweer volstaat het in het middel bekritiseerde oordeel van het arrest, waaruit voor het overige niet blijkt dat de appelrechters hun oordeel dat de redelijke termijn hier niet is overschreden, op enige doorslaggevende wijze steunen op de vaststelling dat de eisers in eerste aanleg aanvankelijk verstek hebben gelaten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest motiveert niet waarom een dwangsom nuttig of noodzakelijk is, noch de hoogte van deze dwangsom; het arrest stelt zelf vast dat er zich sinds 2022-2023 geen nieuwe incidenten meer hebben voorgedaan en dat er tal van maatregelen werden genomen om de veiligheid van de maatschappij te garanderen; het arrest is hierdoor onvoldoende en tegenstrijdig gemotiveerd en hierdoor miskent het ook de bewijskracht van akten.
- Het arrest stelt niet vast, zoals het middel voorhoudt, dat er zich sinds 2022-2023 geen nieuwe incidenten meer hebben voorgedaan en dat er tal van maatregelen werden genomen om de veiligheid van de maatschappij te garanderen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Voor het overige geeft het arrest met zijn redenen op de pagina’s 10 en 11 wel degelijk de noodzaak te kennen van de aan de eisers opgelegde veiligheidsmaatregelen gekoppelde dwangsommen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest ontzegt de eisers ten onrechte het recht op (probatie-)opschorting; er was ook geen reden om hen een dusdanig zware straf op te leggen; de eisers hebben wel degelijk op een toereikende wijze ingegrepen, zo getuige de afwezigheid van nieuwe incidenten sinds 2022-2023; daarnaast veralgemeent het arrest alle rottweiler-reuen en stelt het de eisers als het ware voor als personen die zich niet voegen aan de regel van de maatschappij door de rottweiler-reu “Raffi” te houden; de appelrechters meten zich op die manier een macht en een kennis van honden toe, waarover zij niet beschikken.
- Het middel dat in zijn geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de op te leggen straf door de appelrechters, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 55,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div