← België

D. contra BRUOCSELLA NV

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 490bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Het bedrieglijk bewerken van zijn onvermogen betreft een aflopend misdrijf, dat is voltooid zodra de dader met het vereiste bedrieglijk opzet de gedragingen heeft gesteld die samen het materiële bestanddeel van het misdrijf uitmaken, namelijk het bewerken van zijn onvermogen en het niet-voldoen aan zijn verplichting tot het betalen van een voldoende zekere, vervallen en opeisbare schuld; de volgorde waarin deze gedragingen worden gesteld, heeft geen belang; bijgevolg kan het misdrijf ook worden gepleegd door degene die bedrieglijk zijn onvermogen organiseert in afwachting van het opeisbaar worden van een door hem verwachte schuld, in welk geval het misdrijf zal zijn voltrokken op het moment waarop de schuld opeisbaar wordt; het bestaan van het misdrijf vereist aldus niet dat de schuldeiser beschikt over een uitvoerbare titel, overgaat tot de gedwongen tenuitvoerlegging of alle beschikbare mogelijkheden tot tenuitvoerlegging heeft uitgeput; het staat daarentegen aan de rechter om het onvermogen van de schuldenaar te bepalen op grond van een beoordeling van de werkelijke mogelijkheid tot inning van de schuldvordering door de schuldeiser

(1).
(1)Zie Cass. 14 juni 2023, AR P.22.1347.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230614.2F.2, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE; Cass. 20 januari 2015, AR P.14.1276.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6, AC 2015, nr. 49; Cass. 9 februari 2011, AR P.10.1602.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110209.4, AC 2011, nr. 114. Thesaurus CAS: BANKBREUK EN BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:

Art. 490bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 3 Wanneer de bedrieglijke organisatie van het onvermogen bestaat uit een geheel van periodiek voortgezette gedragingen, sluit het enkele feit dat sommige van die gedragingen voorafgaan aan de bewezen verklaarde incriminatieperiode, het bestaan van het misdrijf niet uit. Thesaurus CAS: BANKBREUK EN BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:

Art. 490bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 De rechter kan oordelen dat zich schuldig maakt aan het misdrijf van de bedrieglijke organisatie van het onvermogen, degene die niet beschikt over voldoende activa waarop de schuldvordering van zijn schuldeiser kan worden uitgewonnen en die zijn onvermogen veinst door zichzelf, in vennootschapsrechtelijke constructies die hij heeft opgezet, enkel een beperkte verloning uit te keren die niet in redelijke verhouding staat tot zijn verantwoordelijkheden binnen die vennootschappen, het vermogen of de resultaten van die vennootschappen en zijn minimale financiële behoeften; daarbij dient de rechter geen rekening te houden met de activa waarover de dader slechts in theorie beschikte omdat zij zodanig werden verborgen dat normaal handelende schuldeisers in werkelijkheid geen kennis ervan konden hebben. Thesaurus CAS: BANKBREUK EN BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:

Art. 490bis- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0971.N H. D. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Justine Kochuyt, advocaat bij de balie Gent, tegen BRUOCSELLA nv, met zetel te 9051 Gent, Kortrijksesteenweg 1052 bus D, ON 0443.039.877, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 mei 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 490bis en 496, § 2 (lees tweede lid), Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de herhaalde weigering van de eiser om zich een hogere bezoldiging toe te kennen als bestuurder van winstgevende vennootschappen, bij elk boekjaar te beslissen geen dividend of tantièmes uit te keren, alsook door tegoeden in rekening-courant bij de vermelde vennootschappen op te bouwen en bij afbouw deze niet te laten terugvloeien naar zijn privévermogen, in de gegeven omstandigheden waarbij de eiser geen andere bezittingen had die voor eenvoudige uitwinning in aanmerking kwamen, elk afzonderlijk daden uitmaken waarbij de eiser zijn onvermogen heeft georganiseerd; bijgevolg verklaart het dat de eiser schuldig is aan de enige telastlegging en veroordeelt het hem onder meer tot straf en tot betaling van schadevergoeding aan de verweerster; de eiser heeft zijn vermogen reeds decennia voordat de schuld ten aanzien van de verweerster ontstond, dit is op een moment waarop er geen schuldeisersrisico bestond, consequent gestructureerd en georganiseerd; bovendien maakte die wijze van organisatie van het vermogen van de eiser de gedwongen tenuitvoerlegging van de schuldvordering van de verweerster niet onmogelijk, aangezien de verweerster beslag kon leggen op bestuursbezoldigingen, op aandelen in meerdere vennootschappen en op tegoeden van de eiser in rekening-courant op meerdere vennootschappen; de verweerster heeft echter geen enkele daad van tenuitvoerlegging gesteld; de verweerster kon haar mogelijkheden tot tenuitvoerlegging eenvoudig achterhalen, onder meer via het UBO-register, maar heeft die mogelijkheden niet uitgeput; bovendien bepaalt de wet niet dat een uitwinning eenvoudig moet zijn en voegt het arrest aan artikel 490bis Strafwetboek een vereiste toe dat dit artikel niet bevat. 2. Artikel 496, tweede lid, Strafwetboek, dat betrekking heeft op de kwetsbare toestand van het slachtoffer van oplichting, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht. 3. Het bedrieglijk bewerken van zijn onvermogen, zoals strafbaar gesteld door artikel 490bis Strafwetboek, is het misdrijf waarbij de schuldenaar, om te ontsnappen aan de aanspraken van zijn schuldeiser, zijn vermogen geheel of gedeeltelijk bewust en bedrieglijk wegmaakt, verbergt of onbeschikbaar maakt, dit wil zeggen zijn vermogen feitelijk of juridisch onttrekt aan de aanspraken en uitvoeringsmogelijkheden van zijn schuldeiser. Daartoe kan ook het bedrieglijk tegengaan van de aangroei van het vermogen vallen. De rechter kan het feit dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, afleiden uit elke omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken. 4. Het betreft een aflopend misdrijf, dat is voltooid zodra de dader met het vereiste bedrieglijk opzet de gedragingen heeft gesteld die samen het materiële bestanddeel van het misdrijf uitmaken, namelijk het bewerken van zijn onvermogen en het niet-voldoen aan zijn verplichting tot het betalen van een voldoende zekere, vervallen en opeisbare schuld. De volgorde waarin deze gedragingen worden gesteld, heeft geen belang. Bijgevolg kan het misdrijf ook worden gepleegd door degene die bedrieglijk zijn onvermogen organiseert in afwachting van het opeisbaar worden van een door hem verwachte schuld, in welk geval het misdrijf zal zijn voltrokken op het moment waarop de schuld opeisbaar wordt. 5. Het bestaan van het misdrijf vereist aldus niet dat de schuldeiser beschikt over een uitvoerbare titel, overgaat tot de gedwongen tenuitvoerlegging of alle beschikbare mogelijkheden tot tenuitvoerlegging heeft uitgeput. Het staat daarentegen aan de rechter om het onvermogen van de schuldenaar te bepalen op grond van een beoordeling van de werkelijke mogelijkheid tot inning van de schuldvordering door de schuldeiser. 6. Wanneer de bedrieglijke organisatie van het onvermogen bestaat uit een geheel van periodiek voortgezette gedragingen, sluit het enkele feit dat sommige van die gedragingen voorafgaan aan de bewezen verklaarde incriminatieperiode, het bestaan van het misdrijf niet uit. 7. De rechter kan oordelen dat zich schuldig maakt aan het misdrijf van de bedrieglijke organisatie van het onvermogen, degene die niet beschikt over voldoende activa waarop de schuldvordering van zijn schuldeiser kan worden uitgewonnen en die zijn onvermogen veinst door zichzelf, in vennootschapsrechtelijke constructies die hij heeft opgezet, enkel een beperkte verloning uit te keren die niet in redelijke verhouding staat tot zijn verantwoordelijkheden binnen die vennootschappen, het vermogen of de resultaten van die vennootschappen en zijn minimale financiële behoeften. Daarbij dient de rechter geen rekening te houden met de activa waarover de dader slechts in theorie beschikte omdat zij zodanig werden verborgen dat normaal handelende schuldeisers in werkelijkheid geen kennis ervan konden hebben. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. Het arrest oordeelt niet dat de niet-inning door de eiser van zijn schuldvorderingen in rekening-courant op zijn vennootschappen een daad van het bedrieglijk bewerken van eisers onvermogen uitmaakt. 10. Het arrest oordeelt evenmin dat de verweerster beslag kon leggen op bestuursvergoedingen van de eiser, maar integendeel dat die vergoedingen zo beperkt waren dat zij het beslagbare minimum niet overstegen. 11. Het arrest (p. 14 en 17-18) stelt ook niet vast dat de aandelen van de Luxemburgse vennootschap Mirambeau nv eigendom waren van de eiser, maar wel dat die vennootschap was opgericht door een fiduciaire en dat de eiser vaag en tegenstrijdig blijft over de precieze toestand van de aandelen van die vennootschap. 12. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 13. Voor het overige oordeelt het arrest als volgt: - de eiser wordt vervolgd omdat hij ondanks zijn bestuursactiviteiten in (zeer) winstgevende vennootschappen, ervoor koos om in de periode van 14 september 2009 tot 1 juli 2021 zijn financiële situatie dusdanig te organiseren dat hij geen persoonlijk vermogen opbouwde en de uitvoering door zijn privé-schuldeiser de verweerster onmogelijk, minstens zeer moeilijk maakte; - de eiser is bij een definitieve rechterlijke beslissing veroordeeld tot betaling aan de verweerster van een som die volgens de afrekening gevoegd bij het bevel tot betalen van 14 september 2009 618.114,81 euro bedroeg; - de eiser was in de vervolgde periode bestuurder van Mirambeau nv, die participaties had in een aantal vennootschappen die het arrest opsomt en waarvan de eiser eveneens bestuurder was of de feitelijke leiding had; - de eiser oefende zijn bestuursmandaten grotendeels onbezoldigd uit en liet zich slechts een zeer beperkt loon uitbetalen, dat ruim onder het beslagbare minimum bleef. Het netto-gezinsinkomen volstond zelfs niet om de voordelen van alle aard te dekken die de eiser van de vennootschappen ontving. Het is onduidelijk hoe het gezin van de eiser voorzag in het levensonderhoud; - eisers beleidskeuzes ontslaan hem niet van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wegens bedrieglijk onvermogen; - de eiser beschikte in België alleen over een rekening bij ING, zij het zonder beslagbare tegoeden. Hij bewoonde op 17 december 2019 met zijn gezin een luxevilla in Affligem, terwijl hij ingeschreven stond op het adres van een onverzorgd pand te Aalst, beiden eigendom van een van de vermelde vennootschappen, terwijl ook de aanwezige luxevoertuigen op naam van een van de vennootschappen stonden; - de eiser, die de zeggenschap had in bedoelde vennootschappen, weigerde om zichzelf een bestuurdersvergoeding uit te betalen in verhouding tot de winsten van zijn vennootschappen of zijn privé-behoeften, dit wil zeggen zijn financiële verplichtingen. Nochtans kon hij op elk moment een verhoging van de bezoldiging vragen, minstens jaarlijks ter gelegenheid van de algemene vergadering. Hij besliste eveneens jaarlijks om geen dividenden of tantièmes uit te betalen, maar alle winsten in zijn vennootschappen te laten; - het is ook opmerkelijk dat de eiser op 31 december 2016 een tegoed in rekening-courant had in Vastgoed Noord nv van 138.882,34 euro. Hoewel dit bedrag op 31 december 2017 werd teruggebracht tot 0,0 EUR, kon de eiser niet geloofwaardig uitleggen wat met het geld is gebeurd. Het zou in elk geval niet in zijn privévermogen zijn gekomen. Gelijkaardige bewegingen zijn vast te stellen in Club Sports Diffusion nv (hierna CSD

  1. nv)voor de boekjaren 2018-2020, terwijl daar op 30 juni 2021 dan weer een tegoed van de eiser te zien is van 41.370,00 euro. De eiser kan niet verklaren waar het geld vandaan kwam. Toch bevat zijn privévermogen geen financiële middelen of bezittingen die in aanmerking komen voor uitvoering van de schuldvordering. De eiser erkent trouwens zelf ter rechtszitting dat er geen beslagbare bezittingen waren op eigen naam, maar verklaart deze constructie vanuit fiscale motieven; - de eiser verwijst voor het feit dat hij niet onvermogend was naar het opgebouwde vermogen in zijn vennootschappen en niet naar het privévermogen. Het door de eiser voorgelegde document zegt ook niets over de uitwinningsmogelijkheden, maar wel over de grote discrepantie die bestond tussen enerzijds de financiële middelen waarover de eiser kon beschikken, wat hij in zijn appelconclusie als zijn vermogen beschouwt, en anderzijds de afwezigheid van uitwinningsmogelijkheden tegen de eiser in persoon, aangezien dit vermogen volledig in vennootschapsstructuren zat. Het verweer dat de verweerster mits grondiger onderzoek had kunnen achterhalen dat de eiser aandeelhouder was in CSD nv en mogelijks nog enkele kleinere belangen had in andere vennootschappen, houdt slechts een theoretische uitwinningsmogelijkheid in die in de praktijk niet te realiseren valt en dus impliceert dat het voor de verweerster de facto niet mogelijk was om haar opeisbare schuld gedwongen uit te voeren door de wijze waarop de eiser zijn vermogenstoestand had georganiseerd. De verweerster nam weldegelijk initiatieven om tot gedwongen uitvoering over te gaan, stuurde ingebrekestellingen, betekende bevelen tot betaling, informeerde zich bij de gerechtsdeurwaarder en contacteerde zelfs een Luxemburgs advocaat, maar zonder succes. De ingewonnen inlichtingen bevestigden enkel dat uitvoering niet mogelijk zou zijn; - het staat dan ook vast dat de herhaalde weigering om zich een hogere bezoldiging toe te kennen als bestuurder, dit wil zeggen in verhouding tot de winst van de vennootschap of de financiële verplichtingen van de eiser, bij elk boekjaar te beslissen geen dividend of tantièmes uit te keren, alsook door tegoeden op rekening-courant op te bouwen en bij afbouw deze niet te laten terugvloeien naar het privévermogen, in de gegeven omstandigheden waarbij de eiser geen (andere) bezittingen had die voor eenvoudige uitwinning in aanmerking kwamen, elk afzonderlijk daden uitmaken waarbij het onvermogen van de eiser werd georganiseerd; - het bedrieglijk opzet veronderstelt dat de eiser bewust zijn onvermogen organiseert, wetende dat hierdoor de uitwinningsmogelijkheden van zijn schuldeisers ernstig worden belemmerd. De beweerde fiscale motieven zijn enkel relevant voor de daden die de eiser stelt zonder schuldenaar te zijn van een zekere en opeisbare schuld. Zodra dit wel het geval is, zijn de bewuste handelingen waarbij de toestand van onvermogen wordt bestendigd, wetende dat de uitwinningsmogelijkheden hierdoor worden gefnuikt, niet langer (louter) ingegeven door fiscale belangen, maar gesteld met het vereiste bedrieglijk opzet om de gedwongen uitvoering te belemmeren; - uit de gegevens van het strafdossier en de behandeling ter rechtszitting blijkt dat de eiser op eigen naam geen beslagbare goederen had die toelieten de schuldvordering van de verweerster te verhalen. Bovendien wist hij zeer goed dat door zijn handelingen werd vermeden dat op zijn naam actief zou ontstaan dat voor uitwinning in aanmerking kwam. Aangezien de eiser op 14 september 2009 wist dat de verweerster betaling verlangde van haar zekere en opeisbare schuld, handelt hij in de incriminatieperiode niet langer uit louter fiscale overwegingen, maar strekte zijn handelen (tevens) wetens en willens tot het fnuiken van de uitwinningsmogelijkheden van de verweerster. De eiser bevestigde trouwens ter rechtszitting dat hij simpelweg niet wil betalen omdat hij de verweerster verantwoordelijk acht voor het mislukken van het project. 14. Op grond van die redenen kan het arrest wettig en zonder aan artikel 490bis Strafwetboek een niet-bestaand vereiste toe te voegen, oordelen dat de eiser bedrieglijk zijn onvermogen heeft georganiseerd teneinde de verweerster te beletten haar zekere en opeisbare schuld gedwongen in te vorderen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 15. In zoverre het middel voor het overige verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Tweede middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 490bis en 496, § 2 (lees tweede lid), Strafwetboek: het arrest verklaart dat de strafvordering niet verjaard is gezien de feiten van bedrieglijk onvermogen een voortgezet misdrijf uitmaken met opeenvolgende daden van bewerking van het onvermogen; volgens het arrest staat het vast dat de herhaalde weigering om zich een hogere bezoldiging toe te kennen als bestuurder, bij elk boekjaar te beslissen geen dividend of tantièmes uit te keren, alsook door tegoeden op rekening-courant op te bouwen en bij afbouw deze niet te laten terugvloeien naar het privévermogen, in de gegeven omstandigheden waarbij de eiser geen (andere) bezittingen had die voor (eenvoudige) uitwinning in aanmerking kwamen, elk afzonderlijk daden uitmaken waarbij het onvermogen van de eiser werd georganiseerd; de wijze van structurering en organisatie van het vermogen door de eiser werd evenwel reeds decennia voor het ontstaan van de schuld aan de verweerster doorgevoerd, aldus op een moment dat er geen schuldeisersrisico aan de orde was, zodat geen sprake kan zijn van strafbare handelingen van bewerking van onvermogen; het arrest neemt ten onrechte aan dat de feiten een voortgezet misdrijf uitmaken en miskent dienvolgens dat de verjaring reeds was ingetreden voor de eindvordering. 17. Artikel 496, tweede lid, Strafwetboek, dat betrekking heeft op de kwetsbare toestand van het slachtoffer van oplichting, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht. 18. In zoverre het middel dezelfde draagwijdte heeft als het eerste middel, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. 19. Voor het overige verantwoordt het arrest, met de redenen die het (p. 7-8) bevat, naar recht de beslissing dat de verjaring van de strafvordering voor de feiten waaraan het de eiser schuldig verklaart niet is ingetreden. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110209.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150120.6 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230614.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.