- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 Het bedrieglijk bewerken van zijn onvermogen betreft een aflopend misdrijf, dat is voltooid zodra de dader met het vereiste bedrieglijk opzet de gedragingen heeft gesteld die samen het materiële bestanddeel van het misdrijf uitmaken, namelijk het bewerken van zijn onvermogen en het niet-voldoen aan zijn verplichting tot het betalen van een voldoende zekere, vervallen en opeisbare schuld; de volgorde waarin deze gedragingen worden gesteld, heeft geen belang; bijgevolg kan het misdrijf ook worden gepleegd door degene die bedrieglijk zijn onvermogen organiseert in afwachting van het opeisbaar worden van een door hem verwachte schuld, in welk geval het misdrijf zal zijn voltrokken op het moment waarop de schuld opeisbaar wordt; het bestaan van het misdrijf vereist aldus niet dat de schuldeiser beschikt over een uitvoerbare titel, overgaat tot de gedwongen tenuitvoerlegging of alle beschikbare mogelijkheden tot tenuitvoerlegging heeft uitgeput; het staat daarentegen aan de rechter om het onvermogen van de schuldenaar te bepalen op grond van een beoordeling van de werkelijke mogelijkheid tot inning van de schuldvordering door de schuldeiser
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 3 Wanneer de bedrieglijke organisatie van het onvermogen bestaat uit een geheel van periodiek voortgezette gedragingen, sluit het enkele feit dat sommige van die gedragingen voorafgaan aan de bewezen verklaarde incriminatieperiode, het bestaan van het misdrijf niet uit. Thesaurus CAS: BANKBREUK EN BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 De rechter kan oordelen dat zich schuldig maakt aan het misdrijf van de bedrieglijke organisatie van het onvermogen, degene die niet beschikt over voldoende activa waarop de schuldvordering van zijn schuldeiser kan worden uitgewonnen en die zijn onvermogen veinst door zichzelf, in vennootschapsrechtelijke constructies die hij heeft opgezet, enkel een beperkte verloning uit te keren die niet in redelijke verhouding staat tot zijn verantwoordelijkheden binnen die vennootschappen, het vermogen of de resultaten van die vennootschappen en zijn minimale financiële behoeften; daarbij dient de rechter geen rekening te houden met de activa waarover de dader slechts in theorie beschikte omdat zij zodanig werden verborgen dat normaal handelende schuldeisers in werkelijkheid geen kennis ervan konden hebben. Thesaurus CAS: BANKBREUK EN BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen:
P.25.0971.N H. D. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Justine Kochuyt, advocaat bij de balie Gent, tegen BRUOCSELLA nv, met zetel te 9051 Gent, Kortrijksesteenweg 1052 bus D, ON 0443.039.877, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 mei 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 490bis en 496, § 2 (lees tweede lid), Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de herhaalde weigering van de eiser om zich een hogere bezoldiging toe te kennen als bestuurder van winstgevende vennootschappen, bij elk boekjaar te beslissen geen dividend of tantièmes uit te keren, alsook door tegoeden in rekening-courant bij de vermelde vennootschappen op te bouwen en bij afbouw deze niet te laten terugvloeien naar zijn privévermogen, in de gegeven omstandigheden waarbij de eiser geen andere bezittingen had die voor eenvoudige uitwinning in aanmerking kwamen, elk afzonderlijk daden uitmaken waarbij de eiser zijn onvermogen heeft georganiseerd; bijgevolg verklaart het dat de eiser schuldig is aan de enige telastlegging en veroordeelt het hem onder meer tot straf en tot betaling van schadevergoeding aan de verweerster; de eiser heeft zijn vermogen reeds decennia voordat de schuld ten aanzien van de verweerster ontstond, dit is op een moment waarop er geen schuldeisersrisico bestond, consequent gestructureerd en georganiseerd; bovendien maakte die wijze van organisatie van het vermogen van de eiser de gedwongen tenuitvoerlegging van de schuldvordering van de verweerster niet onmogelijk, aangezien de verweerster beslag kon leggen op bestuursbezoldigingen, op aandelen in meerdere vennootschappen en op tegoeden van de eiser in rekening-courant op meerdere vennootschappen; de verweerster heeft echter geen enkele daad van tenuitvoerlegging gesteld; de verweerster kon haar mogelijkheden tot tenuitvoerlegging eenvoudig achterhalen, onder meer via het UBO-register, maar heeft die mogelijkheden niet uitgeput; bovendien bepaalt de wet niet dat een uitwinning eenvoudig moet zijn en voegt het arrest aan artikel 490bis Strafwetboek een vereiste toe dat dit artikel niet bevat. 2. Artikel 496, tweede lid, Strafwetboek, dat betrekking heeft op de kwetsbare toestand van het slachtoffer van oplichting, is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht. 3. Het bedrieglijk bewerken van zijn onvermogen, zoals strafbaar gesteld door artikel 490bis Strafwetboek, is het misdrijf waarbij de schuldenaar, om te ontsnappen aan de aanspraken van zijn schuldeiser, zijn vermogen geheel of gedeeltelijk bewust en bedrieglijk wegmaakt, verbergt of onbeschikbaar maakt, dit wil zeggen zijn vermogen feitelijk of juridisch onttrekt aan de aanspraken en uitvoeringsmogelijkheden van zijn schuldeiser. Daartoe kan ook het bedrieglijk tegengaan van de aangroei van het vermogen vallen. De rechter kan het feit dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkt, afleiden uit elke omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken. 4. Het betreft een aflopend misdrijf, dat is voltooid zodra de dader met het vereiste bedrieglijk opzet de gedragingen heeft gesteld die samen het materiële bestanddeel van het misdrijf uitmaken, namelijk het bewerken van zijn onvermogen en het niet-voldoen aan zijn verplichting tot het betalen van een voldoende zekere, vervallen en opeisbare schuld. De volgorde waarin deze gedragingen worden gesteld, heeft geen belang. Bijgevolg kan het misdrijf ook worden gepleegd door degene die bedrieglijk zijn onvermogen organiseert in afwachting van het opeisbaar worden van een door hem verwachte schuld, in welk geval het misdrijf zal zijn voltrokken op het moment waarop de schuld opeisbaar wordt. 5. Het bestaan van het misdrijf vereist aldus niet dat de schuldeiser beschikt over een uitvoerbare titel, overgaat tot de gedwongen tenuitvoerlegging of alle beschikbare mogelijkheden tot tenuitvoerlegging heeft uitgeput. Het staat daarentegen aan de rechter om het onvermogen van de schuldenaar te bepalen op grond van een beoordeling van de werkelijke mogelijkheid tot inning van de schuldvordering door de schuldeiser. 6. Wanneer de bedrieglijke organisatie van het onvermogen bestaat uit een geheel van periodiek voortgezette gedragingen, sluit het enkele feit dat sommige van die gedragingen voorafgaan aan de bewezen verklaarde incriminatieperiode, het bestaan van het misdrijf niet uit. 7. De rechter kan oordelen dat zich schuldig maakt aan het misdrijf van de bedrieglijke organisatie van het onvermogen, degene die niet beschikt over voldoende activa waarop de schuldvordering van zijn schuldeiser kan worden uitgewonnen en die zijn onvermogen veinst door zichzelf, in vennootschapsrechtelijke constructies die hij heeft opgezet, enkel een beperkte verloning uit te keren die niet in redelijke verhouding staat tot zijn verantwoordelijkheden binnen die vennootschappen, het vermogen of de resultaten van die vennootschappen en zijn minimale financiële behoeften. Daarbij dient de rechter geen rekening te houden met de activa waarover de dader slechts in theorie beschikte omdat zij zodanig werden verborgen dat normaal handelende schuldeisers in werkelijkheid geen kennis ervan konden hebben. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. Het arrest oordeelt niet dat de niet-inning door de eiser van zijn schuldvorderingen in rekening-courant op zijn vennootschappen een daad van het bedrieglijk bewerken van eisers onvermogen uitmaakt. 10. Het arrest oordeelt evenmin dat de verweerster beslag kon leggen op bestuursvergoedingen van de eiser, maar integendeel dat die vergoedingen zo beperkt waren dat zij het beslagbare minimum niet overstegen. 11. Het arrest (p. 14 en 17-18) stelt ook niet vast dat de aandelen van de Luxemburgse vennootschap Mirambeau nv eigendom waren van de eiser, maar wel dat die vennootschap was opgericht door een fiduciaire en dat de eiser vaag en tegenstrijdig blijft over de precieze toestand van de aandelen van die vennootschap. 12. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 13. Voor het overige oordeelt het arrest als volgt: - de eiser wordt vervolgd omdat hij ondanks zijn bestuursactiviteiten in (zeer) winstgevende vennootschappen, ervoor koos om in de periode van 14 september 2009 tot 1 juli 2021 zijn financiële situatie dusdanig te organiseren dat hij geen persoonlijk vermogen opbouwde en de uitvoering door zijn privé-schuldeiser de verweerster onmogelijk, minstens zeer moeilijk maakte; - de eiser is bij een definitieve rechterlijke beslissing veroordeeld tot betaling aan de verweerster van een som die volgens de afrekening gevoegd bij het bevel tot betalen van 14 september 2009 618.114,81 euro bedroeg; - de eiser was in de vervolgde periode bestuurder van Mirambeau nv, die participaties had in een aantal vennootschappen die het arrest opsomt en waarvan de eiser eveneens bestuurder was of de feitelijke leiding had; - de eiser oefende zijn bestuursmandaten grotendeels onbezoldigd uit en liet zich slechts een zeer beperkt loon uitbetalen, dat ruim onder het beslagbare minimum bleef. Het netto-gezinsinkomen volstond zelfs niet om de voordelen van alle aard te dekken die de eiser van de vennootschappen ontving. Het is onduidelijk hoe het gezin van de eiser voorzag in het levensonderhoud; - eisers beleidskeuzes ontslaan hem niet van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid wegens bedrieglijk onvermogen; - de eiser beschikte in België alleen over een rekening bij ING, zij het zonder beslagbare tegoeden. Hij bewoonde op 17 december 2019 met zijn gezin een luxevilla in Affligem, terwijl hij ingeschreven stond op het adres van een onverzorgd pand te Aalst, beiden eigendom van een van de vermelde vennootschappen, terwijl ook de aanwezige luxevoertuigen op naam van een van de vennootschappen stonden; - de eiser, die de zeggenschap had in bedoelde vennootschappen, weigerde om zichzelf een bestuurdersvergoeding uit te betalen in verhouding tot de winsten van zijn vennootschappen of zijn privé-behoeften, dit wil zeggen zijn financiële verplichtingen. Nochtans kon hij op elk moment een verhoging van de bezoldiging vragen, minstens jaarlijks ter gelegenheid van de algemene vergadering. Hij besliste eveneens jaarlijks om geen dividenden of tantièmes uit te betalen, maar alle winsten in zijn vennootschappen te laten; - het is ook opmerkelijk dat de eiser op 31 december 2016 een tegoed in rekening-courant had in Vastgoed Noord nv van 138.882,34 euro. Hoewel dit bedrag op 31 december 2017 werd teruggebracht tot 0,0 EUR, kon de eiser niet geloofwaardig uitleggen wat met het geld is gebeurd. Het zou in elk geval niet in zijn privévermogen zijn gekomen. Gelijkaardige bewegingen zijn vast te stellen in Club Sports Diffusion nv (hierna CSD
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.