← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 29

, eerste lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992

Art. 29

, eerste lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992

Art. 29, eerste lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0986.N A. E. F., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Len Augustijns, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 29 Wet Politieambt, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: de processen-verbaal vermelden geen concrete en voor de eiser of de appelrechters controleerbare elementen op grond waarvan de verbalisanten hebben besloten om over te gaan tot een zoeking in het voertuig bestuurd door de eiser; zo wordt er geen effectief overzicht bezorgd van de zaken waarvoor de eiser ANG gekend is.
  3. Artikel 29, eerste lid, Wet Politieambt bepaalt: “De politieambtenaren kunnen overgaan tot het doorzoeken van een voertuig of enig ander vervoermiddel zowel in het verkeer als geparkeerd, op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen indien zij, op grond van de gedragingen van de bestuurder of de passagiers, van materiële aanwijzingen of van omstandigheden van tijd of plaats redelijke gronden hebben om te denken dat het voertuig of vervoermiddel werd gebruikt, wordt gebruikt of zou kunnen worden gebruikt: 1° om een misdrijf te plegen; 2° om opgespoorde personen of personen die aan een identiteitscontrole willen ontsnappen een schuilplaats te geven of te vervoeren; 3° om een voor de openbare orde gevaarlijk voorwerp, overtuigingsstukken of bewijsmateriaal in verband met een misdrijf op te slaan of te vervoeren.”
  4. Het staat aan de politieambtenaren om in hun processen-verbaal te vermelden op grond van welke gedragingen, aanwijzingen of gronden als bedoeld in de voormelde bepaling zij overgaan tot het doorzoeken van een voertuig. Die vermeldingen, die in voorkomend geval ook betrekking kunnen hebben op politionele informatie of op verkeersinbreuken die met het voertuig worden of lijken te worden begaan, moeten de rechter toelaten na te gaan of die doorzoeking is gebeurd overeenkomstig de voormelde bepaling.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar of de gegevens zoals ze hem ter kennis worden gebracht, een voldoende materiële aanwijzing opleveren om de doorzoeking van een voertuig te rechtvaardigen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn.
  6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - de patrouille, belast met bestrijding van drugoverlast op het grondgebied Antwerpen, stelde ter hoogte van de Singel (Borgerhout) richting autosnelweg (richting Gent) vast dat een mannelijke bestuurder druk met zijn gsm-toestel bezig was, een duidelijk gehaaste rijstijl had en een voertuig bestuurde waarvan na radiofonische opvraging bleek dat dit eigendom was van de eiser, die volgens zijn strafregister gekend was voor de verkoop van drugs; - daarop werd beslist dit voertuig te volgen, waarbij bijkomend werd vastgesteld dat een 'sportieve' rijstijl werd aangehouden en de aangegeven snelheden werden overschreden; - tijdens het volgen werd ook vastgesteld dat de bestuurder gebruik maakte van een gsm-toestel en dat de eiser op dat ogenblik een rijverbod van zes jaar had; - anders dan de eiser voorhoudt, zijn er aldus afdoende concrete elementen uiteengezet in het aanvankelijk proces-verbaal, die aanleiding vormden tot de achtervolging van en het overgaan tot een zoeking in het voertuig van de eiser, die het voertuig bestuurde en ook eigenaar ervan was; - het hof van beroep is van oordeel dat de vereiste redelijke concrete gronden daartoe op meer dan afdoende wijze aanwezig waren, nu dit alles in de hierboven beschreven context verdachte gedragingen uitmaken; - uit voormeld proces-verbaal blijkt duidelijk dat het voertuig tot stilstand werd gebracht en de bestuurder, dit is de eiser, zich mondeling kenbaar maakte. Hij gaf aan geen identiteitskaart bij zich te hebben, zodat deze identiteit later werd geverifieerd. De eiser bleek van ambtswege te zijn afgevoerd; - daaropvolgend werd overgegaan tot doorzoeking van het voertuig, waarbij onder meer het ontgrendelde gsm-toestel werd aangetroffen, waarop de druggerelateerde berichten zoals uiteengezet in het feitenrelaas werden teruggevonden.
  8. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de door de verbalisanten vermelde gegevens volstaan om vast te stellen dat de zoeking in eisers voertuig voldoet aan de vereisten van artikel 29 Wet Politieambt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  9. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet en miskenning van het vermoeden van onschuld, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 29 Wet Politieambt.
  10. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 29 Wet Politieambt, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt dat de zoeking in het voertuig van de eiser rechtsgeldig gebeurde, terwijl het de eiser en de appelrechters niet mogelijk was na te gaan of er voldoende elementen voorhanden waren om tot de zoeking te besluiten; uit het aanvankelijk proces-verbaal en de daarin vervatte chronologie blijkt dat de verbalisanten het voertuig hebben doorzocht zonder voorafgaande controle van de identiteit van de eiser en dus zonder te weten voor welke feiten hij gekend was; ook vermeldt het proces-verbaal geen uur waarop de zoeking is begonnen en geëindigd; aldus kan niet worden nagegaan of de zoeking meer dan een uur heeft geduurd, terwijl dat wel het geval lijkt te zijn; concrete informatie ontbreekt, onder meer over het tijdstip waarop de bestuurlijke zoeking is overgegaan in een gerechtelijke zoeking en de tijdstippen waarop de gsm van de eiser manueel werd uitgelezen en waarop er screenshots zijn genomen; bij gebrek aan die informatie kan de regelmatigheid van de zoeking niet worden gecontroleerd.
  12. Het arrest oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, alsook onder meer als volgt: - met betrekking tot de duur van de zoeking, waaromtrent de eiser in appelconclusie verweer uiteenzet, dient uiteraard een onderscheid te worden gemaakt tussen een bestuurlijke zoeking, waarvan de duur overeenkomstig artikel 29 Wet Politieambt maximaal één uur bedraagt, en de gerechtelijke zoeking; - uit de omschrijving van de feiten blijkt duidelijk dat de aanvankelijk proactieve bestuurlijke zoeking van aard veranderde bij de lezing van een aantal druggerelateerde berichten op de gsm van de eiser; - vanaf dat ogenblik – de eiser werd onmiddellijk gearresteerd, dit is om 17.l8 uur – was er immers sprake van een vaststelling op heterdaad van handel in verdovende middelen en veranderde de zoeking van aard. Alsdan kan geen sprake meer zijn van een maximale duur van één uur, zodat het verweer van eiser op dit punt geen relevantie heeft; - in die omstandigheden en volgens die tijdstippen is er dan ook geen sprake van een “uitlezing nadat reeds een uur de wagen doorzocht werd”, zoals de eiser in appelconclusie voorhoudt; - dat het gsm-toestel pas later in het onderzoek, dit is in de loop van dezelfde avond, verder op gedetailleerde wijze manueel werd uitgelezen en de screenshots van een aantal berichten (whatsapp en snapchat) niet allemaal op hetzelfde ogenblik zouden zijn genomen, zoals beweerdelijk aangehaald in de appelconclusie, doet geen afbreuk aan de duidelijke inhoud daarvan, die de handel in cannabis en cocaïne door de eiser aantoont.
  13. Het onderdeel dat opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201230.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220607.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.