← België

TRAMAZ bv contra BELGISCHE STAAT FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: TERUGGAVE Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Fiches 9 - 17 Uit het arrest nr. 11/2025 van het Grondwettelijk Hof van 30 januari 2025 over de verbeurdverklaring bepaald in art. 30, vierde lid, wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie, dat overeenstemmend van toepassing is op de in artikel 436, derde lid, Programmawet 27 december 2004 bedoelde verbeurdverklaring van aan accijnzen onderworpen energieproducten, volgt dat de rechter in beginsel verplicht is de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen moet uitspreken, maar moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van die goederen wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd; bijgevolg is de rechter, alvorens over die verbeurdverklaring uitspraak te doen en ongeacht of de goederen in beslag werden genomen, ertoe gehouden na te gaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar en kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, diens persoonlijkheid en rol bij de feiten, de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken; uit het voorgaande volgt dat wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen op te leggen, op die beklaagde evenmin de verplichting kan rusten om die goederen voor te brengen; bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan; die veroordeling is enkel een burgerrechtelijk gevolg van de onmogelijkheid tot uitvoering van de verbeurdverklaring

(1).
(1)Cass. 7 oktober 2025, AR P.25.0842.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS; Cass. 7 oktober 2025, AR P.25.0081.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23; Cass. 25 juni 2025, AR P.25.0469.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250625.2F.4, met concl. van eerste advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE; GwH 30 januari 2025, nr. 11/2025, www.const-court.be. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: TERUGGAVE Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 436, derde lid - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Tekst van de beslissing Nr. P.23.0785.N I

  1. TRAMAZ bv, met zetel te 2650 Edegem, Adrien de Gerlachestraat 23, ON 0417.359.623, beklaagde,
  2. F. V. S., beklaagde, eisers, beiden vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, II
  3. DEFORCHE nv, met zetel te 8980 Zonnebeke, 4e Regiment Karabiniersstraat 47, ON 0424.482.787, beklaagde,
  4. J. D., beklaagde, eisers, beiden vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, III
  5. DESIMPEL ENERGY GROUP nv, met zetel te 8610 Kortemark, Staatsbaan 28, ON 0405.232.445, beklaagde,
  6. E. D., beklaagde, eisers, beiden vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, IV S. D., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, alle cassatieberoepen tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, ON 0308.357.159, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 april
  7. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers III voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eisers I Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek, artikel 227, § 1, AWDA, de artikelen 39 en 45 Accijnswet 2009 en artikel 436 van de Programmawet van 27 december 2004 (hierna Programmawet 27 december 2004), alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: door twijfel te laten over de vereiste kennis van de misdrijven waaraan de eisers I zouden hebben meegewerkt, verantwoordt het arrest hun veroordeling als mededader aan die misdrijven niet naar recht; het arrest neemt wat hen betreft weliswaar effectieve kennis van die misdrijven aan, maar daarnaast gebruikt het ook omschrijvingen die wijzen op handelingen uit onachtzaamheid; uit onachtzaamheid kan evenwel geen strafbare deelneming worden afgeleid; daardoor is het arrest ook dubbelzinnig gemotiveerd en wordt het Hof belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
  9. Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser I.2, die minstens één keer smeerolie heeft vervoerd en gelost en die zijn werknemer, de eiser IV, als chauffeur aan S. bv heeft verhuurd, was wel degelijk op de hoogte van het werkelijke product en hielp eveneens om de fraude te verbergen waardoor hij minstens mededader is en door die bijdrage heeft deelgenomen aan het geheel, terwijl die afzonderlijke bijdrage in de fraudeconstellatie als één complex wordt beschouwd en alle daders worden geacht deel te hebben genomen aan het hele opzet. Minstens heeft de eiser I.2 de fraude vergemakkelijkt of heeft hij toegelaten dat zij is blijven voortbestaan (p. 91-92); - de eiser I.2 wist dat de firma ‘E.S. Beffa Ponta’ niet de werkelijke bestemming was, vermits alles bestemd was voor de eiseressen II.1 en III.1 (p. 93); - de eisers I en de eiser IV werden niet misleid en waren op de hoogte van de fraude, wat volgt uit de vaststellingen vervat in de processen-verbaal, waaruit blijkt dat zij door hun tussenkomst een effectieve rol hebben gespeeld in de fraudeconstellatie door het vervoer, het lossen en de omzetting op de facturen en losbons van smeerolie naar diesel. Zij zijn in deze mededaders, waarbij zij door hun onderscheiden bijdragen hebben deelgenomen aan het geheel, terwijl deze afzonderlijke bijdragen in de fraudeconstellatie als één complex worden beschouwd en alle daders geacht worden deel te hebben genomen aan het hele opzet en minstens de fraude hebben vergemakkelijkt of hebben toegelaten dat zij is blijven voortbestaan (p. 93-94); - het staat buiten elke redelijke twijfel vast dat de eisers I en de eiser IV wisten, minstens redelijkerwijze hadden moeten weten, dat hun handelen kaderde in het systeem van de schorsingsregeling inzake accijnzen, waarbij de voormelde energieproducten werden geladen (waardoor bezit), vervoerd en gelost. Die producten waren bestemd voor gebruik en werden aangeboden voor verkoop of werden gebruikt als motorbrandstof gelijkwaardig met gasolie, buiten de schorsingsregeling inzake accijnzen en zonder dat accijnzen werden geheven (p. 104).
  10. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eisers I wel degelijk kennis hadden van de hen ten laste gelegde accijnsmisdrijven en dat zij daarbij niet louter uit onachtzaamheid hebben gehandeld. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  11. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen of is het afgeleid uit de onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 39, 45 en 48 Accijnswet 2009 en de artikelen 416, 419, 436 en 439 Programmawet 27 december 2004: met het oordeel dat de accijnsschuld pas op het einde van de verkoopketen ontstaat bij de aanwending van de niet-belaste smeerolie als belastbare motorbrandstof en niet reeds op het ogenblik van de verkoop van de smeerolie door de eisers I aan de eisers II.1 en III.1 waardoor er op dat ogenblik nog geen accijnzen werden geheven, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eisers I niet naar recht; het arrest stelt immers ook vast dat de eisers I de goederen als gasolie leverden en die leveringen ook als dusdanig factureerden met inbegrip van accijnzen, alsook dat die leveringen werden betaald; aldus was er op het ogenblik van die verkoop en die levering geen afwezigheid van accijnsheffing, zodat dit constitutief bestanddeel van het accijnsmisdrijf niet vervuld is.
  13. Het arrest (p. 102) oordeelt niet dat met betrekking tot de in het onderdeel bedoelde leveringen door de eisers I accijnzen werden gefactureerd en betaald, maar wel dat de gefactureerde accijnzen, die nog niet verschuldigd waren, niet als accijnzen werden betaald, zodat de gefactureerde prijs lager kon zijn dan bij andere grote leveranciers. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  14. Artikel 419 Programmawet 27 december 2004 bepaalt dat de energiegoederen waarvoor in artikel 419 van die wet geen tarief inzake accijnzen is vastgesteld en die bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof, belast worden tegen het tarief van de gelijkwaardige motor- of verwarmingsbrandstof, naargelang van het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
  15. Het arrest stelt vast dat de door de eisers I geleverde onbelaste smeerolie op het einde van de verkoopketen werd verkocht en werd aangewend als motorbrandstof, maar dat de daardoor ontstane accijnsschuld nooit werd betaald. Het oordeelt vervolgens dat er sprake was van een fraudemechanisme om accijnzen, bijzondere accijnzen en energiebijdragen te ontduiken en dat de eisers I als leveranciers van de smeerolie aan die misdrijven hebben deelgenomen. Aldus verantwoordt het arrest zonder schending van de in het onderdeel aangevoerde bepalingen de schuldigverklaring van de eisers I aan de hen ten laste gelegde accijnsmisdrijven. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt enerzijds dat de accijnsschuld is ontstaan op het ogenblik dat de goederen op het einde van de verkoopketen aan de consument werden verkocht, terwijl het anderzijds ook oordeelt dat de eisers I de goederen factureerden met inbegrip van accijnzen, wat impliceert dat de accijnsschuld reeds op dat ogenblik is ontstaan; die redenen zijn tegenstrijdig.
  17. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek is van toepassing ingeval van tegenstrijdige beschikkingen in het dictum van een rechterlijke beslissing en niet ingeval van tegenstrijdigheid tussen de redenen van die beslissing onderling of tussen die redenen en het dictum. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Het onderdeel dat formeel een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest aanvoert, is in werkelijkheid afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de appelconclusie van de eisers I waarin zij hebben aangevoerd dat de in hun facturen inbegrepen accijnzen wel door de eisers II.1 en III.1 waren betaald, maar dat zij die niet aan de verweerder heeft doorgestort en dat zij daardoor dan ook geen inbreuk begingen omdat zij niets te zien hadden met de doorstorting van de later ontstane accijnsschuld.
  20. Met het geheel van redenen die het arrest (p. 60, 61, 63, 98 en 102) bevat, oordeelt het dat er door de eisers I noch door de eisers II.1 en III.1 accijnzen werden betaald op de door hen verkochte en aangekochte smeerolie en dat die niet-betaling hen allen moet worden toegerekend. Daarmee beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat het dient te antwoorden op argumenten die louter tot staving van dat verweer worden aangevoerd, maar die geen afzonderlijk verweer vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Middelen van de eisers II Eerste middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek, artikel 227, § 1, AWDA, de artikelen 39 en 45 Accijnswet 2009 en artikel 436 Programmawet 27 december 2004, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: door twijfel te laten over de vereiste kennis van de misdrijven waaraan de eisers II zouden hebben meegewerkt, verantwoordt het arrest hun veroordeling als mededader aan die misdrijven niet naar recht; het arrest neemt wat hen betreft weliswaar effectieve kennis van die misdrijven aan, maar daarnaast gebruikt het ook omschrijvingen die wijzen op handelingen uit onachtzaamheid; uit onachtzaamheid kan evenwel geen strafbare deelneming worden afgeleid; daardoor is het arrest ook dubbelzinnig gemotiveerd en wordt het Hof belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
  22. Het arrest oordeelt als volgt: - de stelling van de eisers II dat zij niet ervan op de hoogte waren dat zij smeerolie kochten en verkochten, noch dat zij deel uitmaakten van een fraudeconstructie om smeerolie als motorbrandstof te verkopen en alzo accijnzen op het gebruik als motorbrandstof te ontduiken, kan niet worden bijgetreden (p. 99); - uit de telefoniegegevens in het dossier blijkt dat de eisers II wisten en minstens behoorden te weten dat zij smeerolie verkochten als motorbrandstof en dit binnen de fraudeconstellatie met de overige beklaagden (p. 100); - het bewijs van de kennis van de fraude kan tevens worden afgeleid uit de aanwezige handels- en boekhoudkundige stukken. De illegale switch van smeerolie naar gasolie diesel komt vast te staan door de gehanteerde vrachtbrieven, losbons en facturen, waarbij het niet anders kan dat de eisers II daarvan op de hoogte waren, minstens behoorden daarvan op de hoogte te zijn (p. 101-102); - de stelling van de eisers II dat zij van niets wisten, kan niet worden aangenomen (p. 102); - uit alle bovenstaande elementen, de werkwijze en het gegeven dat B.V. zijn aandeel in de feiten heeft bekend, komt vast te staan dat de eisers II wisten, minstens behoorden te weten, dat zij smeerolie aankochten en vervolgens verkochten om te worden gebruikt als motorbrandstof (p. 102); - in die omstandigheden is komen vast te staan dat de eisers II kennis hadden van het feit dat er geen reguliere diesel werd geleverd, maar wel onbelaste smeerolie die dan – louter op papier – van naam werd veranderd naar gasolie diesel en zij wisten, minstens behoorden zij te weten dat smeerolie werd verkocht als motorbrandstof (p. 102); - het staat buiten elke redelijke twijfel vast dat de eisers II wisten, minstens redelijkerwijze hadden moeten weten, dat hun handelen in het systeem van de schorsingsregeling inzake accijnzen kaderde, waarbij de energieproducten werden gelost (waardoor bezit). Die producten waren bestemd voor gebruik, werden aangeboden voor verkoop of werden gebruikt als motorbrandstof gelijkwaardig met gasolie, buiten de schorsingsregeling inzake accijnzen en zonder dat accijnzen werden geheven (p. 106).
  23. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eisers II wel degelijk kennis hadden van de hen ten laste gelegde accijnsmisdrijven en dat zij daarbij niet louter uit onachtzaamheid hebben gehandeld. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  24. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen of is het afgeleid uit de onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel in zijn geheel
  25. Het middel dat in al zijn onderdelen dezelfde strekking heeft als de onderdelen van het tweede middel van de eisers I, is om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen te verwerpen. Middelen van de eisers III Eerste middel
  26. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek, artikel 227, § 1, AWDA, de artikelen 39 en 45 Accijnswet 2009 en artikel 436 Programmawet 27 december 2004: door twijfel te laten over de vereiste kennis van de misdrijven waaraan de eisers III zouden hebben meegewerkt, verantwoordt het arrest hun veroordeling als mededader aan die misdrijven niet naar recht; het arrest neemt wat hen betreft weliswaar effectieve kennis van die misdrijven aan, maar daarnaast gebruikt het ook omschrijvingen die wijzen op handelingen uit onachtzaamheid; uit onachtzaamheid kan evenwel geen strafbare deelneming worden afgeleid (eerste onderdeel); daardoor is het arrest ook dubbelzinnig gemotiveerd en wordt het Hof belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (tweede onderdeel).
  27. Het arrest oordeelt als volgt: - B.V. heeft zijn aandeel in de feiten bekend en heeft verklaard dat de eiser III.2 op de hoogte was van de fraude (p. 95); - de eisers III wisten, minstens dienden zij te weten, dat zij bewust aan het fraudemechanisme meewerkten (p. 95); - het bewijs van de kennis van de fraude kan tevens worden afgeleid uit de aanwezige handels- en boekhoudkundige stukken (p. 96); - de eisers III wisten, minstens behoorden te weten, dat niet-belaste smeerolie werd geleverd (p. 96); - de illegale switch van smeerolie naar gasolie diesel is komen vast te staan door de gehanteerde vrachtbrieven, losbons en facturen, waarbij het niet anders kan dat de eisers III daarvan op de hoogte waren, minstens behoorden daarvan op de hoogte te zijn (p. 97); - de stelling van de eisers III dat zij van niets wisten, kan niet worden aangenomen (p. 97); - B.V. verklaarde dat de eiser III.2 ervan op de hoogte was dat het geleverde product niet voldeed aan de EN590-norm omdat het product iets goedkoper werd geleverd en inclusief transportkosten (p. 98); - in die omstandigheden is komen vast te staan dat de eisers III kennis hadden van het feit dat er geen reguliere diesel werd geleverd, maar wel onbelaste smeerolie die dan, louter op papier, van naam werd veranderd naar gasolie diesel (p. 98); - de eisers III wisten, minstens behoorden te weten, dat de smeerolie uiteindelijk als brandstof werd verkocht (p. 98); - uit het onderzoek van de stukken van het dossier en het debat ter rechtszitting is komen vast te staan dat het moreel element van de ten laste gelegde feiten in hoofde van de eisers III bewezen is gebleven (p. 104-105); - uit het geheel van de gegevens en de vaststellingen staat buiten elke redelijke twijfel vast dat de eiser III.2 als vaste vertegenwoordiger van DK-Invest bv (gedelegeerd bestuurder van de eiseres III.1) ten behoeve en voor rekening van de eiseres III.1 en die eiseres III.1 zelf onontbeerlijke medewerking hebben verleend aan het scheppen of bevorderen van de voorliggende misdrijven en dat zij hierbij wisten, minstens redelijkerwijze hadden moeten weten, dat hun handelen kaderde in het systeem van de schorsingsregeling inzake accijnzen, waarbij de voormelde energieproducten werden gelost (waardoor bezit). Die producten waren bestemd voor gebruik en werden aangeboden voor verkoop of werden gebruikt als motorbrandstof gelijkwaardig met gasolie, buiten de schorsingsregeling inzake accijnzen en waarover geen accijnzen werden geheven (p. 105).
  28. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eisers III wel degelijk kennis hadden van de hen ten laste gelegde accijnsmisdrijven en dat zij daarbij niet louter uit onachtzaamheid hebben gehandeld. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  29. Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen of is het afgeleid uit de onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 39, 45 en 48 Accijnswet 2009 en de artikelen 416, 419, 436 en 439 Programmawet 27 december 2004: met het oordeel dat de accijnsschuld pas op het einde van de verkoopketen ontstaat bij de aanwending van de niet-belaste smeerolie als belastbare motorbrandstof en niet reeds op het ogenblik van de verkoop van de smeerolie aan de eiseres III.1 waardoor er op dat ogenblik nog geen accijnzen werden geheven, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eisers III niet naar recht; het arrest stelt immers ook vast dat de eisers I de goederen als gasolie leverden en die leveringen ook als dusdanig factureerden met inbegrip van accijnzen, alsook dat die leveringen werden betaald; aldus was er op het ogenblik van die verkoop en die levering geen afwezigheid van accijnsheffing, zodat dit constitutief bestanddeel van het accijnsmisdrijf niet vervuld is.
  31. Het arrest (p. 102) oordeelt niet dat met betrekking tot de in het onderdeel bedoelde leveringen door de eiseres I.1 accijnzen werden gefactureerd en betaald, maar wel dat de gefactureerde accijnzen, die nog niet verschuldigd waren, niet als accijnzen werden betaald, zodat de gefactureerde prijs lager kon zijn dan bij andere grote leveranciers. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  32. Artikel 419 Programmawet 27 december 2004 bepaalt dat de energiegoederen waarvoor in artikel 416 van die wet geen tarief inzake accijnzen is vastgesteld en die bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof, belast worden tegen het tarief van de gelijkwaardige motor- of verwarmingsbrandstof, naargelang van het gebruik dat ervan wordt gemaakt.
  33. Het arrest stelt vast dat de door de eisers I geleverde onbelaste smeerolie op het einde van de verkoopketen werd verkocht en werd aangewend als motorbrandstof, maar dat de daardoor ontstane accijnsschuld nooit werd betaald. Het oordeelt vervolgens dat er sprake was van een fraudemechanisme om accijnzen, bijzondere accijnzen en energiebijdragen te ontduiken en dat de eisers III als afnemers van de smeerolie aan die misdrijven hebben deelgenomen. Aldus verantwoordt het arrest zonder schending van de in het onderdeel aangevoerde bepalingen de schuldigverklaring van de eisers III aan de hen ten laste gelegde accijnsmisdrijven. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt enerzijds dat de accijnsschuld is ontstaan op het ogenblik dat de goederen op het einde van de verkoopketen aan de consument werden verkocht, terwijl het anderzijds ook oordeelt dat de eiseres I.1 de goederen aan de eiseres III factureerde met inbegrip van accijnzen, wat impliceert dat de accijnsschuld reeds op dat ogenblik is ontstaan; die redenen zijn tegenstrijdig.
  35. Het onderdeel dat formeel een tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest aanvoert, is in werkelijkheid afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de appelconclusie van de eisers III waarin zij hebben aangevoerd dat de in de facturen van de eiseres I.1 inbegrepen accijnzen wel door de eiseres III.1 waren betaald, maar dat de eiseres I.1 die niet aan de verweerder heeft doorgestort en dat de eisers III daardoor dan ook geen inbreuk begingen omdat zij niets te zien hadden met de doorstorting van de later ontstane accijnsschuld.
  37. Met het geheel van redenen die het arrest (p. 60, 61, 63 en 94-99) bevat, oordeelt het dat er door de eisers I noch door de eisers III accijnzen werden betaald op de door hen verkochte en aangekochte smeerolie en dat die niet-betaling hen allen moet worden toegerekend. Daarmee beantwoordt en verwerpt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat het dient te antwoorden op argumenten die louter tot staving van dat verweer worden aangevoerd, maar die geen afzonderlijk verweer vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Middelen van de eiser IV Eerste middel Eerste en tweede onderdeel
  38. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek, artikel 227, § 1, AWDA, de artikelen 39 en 45 Accijnswet 2009 en artikel 436 Programmawet 27 december 2004: door twijfel te laten over de vereiste kennis van de misdrijven waaraan de eiser IV zou hebben meegewerkt, verantwoordt het arrest zijn veroordeling als mededader aan die misdrijven niet naar recht; het arrest neemt wat hem betreft weliswaar effectieve kennis van die misdrijven aan, maar daarnaast gebruikt het ook omschrijvingen die wijzen op handelingen uit onachtzaamheid; uit onachtzaamheid kan evenwel geen strafbare deelneming worden afgeleid (eerste onderdeel); daardoor is het arrest ook dubbelzinnig gemotiveerd en wordt het Hof belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (tweede onderdeel).
  39. Het arrest oordeelt als volgt: - de eiser IV is als chauffeur minstens mededader en kan zich niet wegsteken achter zijn werkgever, waardoor hij een eigen verantwoordelijkheid draagt. Door zijn bijdragen heeft hij deelgenomen aan het geheel terwijl die afzonderlijke bijdragen in de fraudeconstellatie als één complex worden beschouwd en alle daders worden geacht deel te hebben genomen aan het hele opzet (p. 92); - de eiser IV heeft de fraude minstens vergemakkelijkt of toegelaten dat zij is blijven voortbestaan (p. 92); - de eiser IV en de eisers I werden niet misleid en waren op de hoogte van de fraude, wat volgt uit de vaststellingen vervat in de processen-verbaal, waaruit blijkt dat zij door hun tussenkomst een effectieve rol hebben gespeeld in de fraudeconstellatie door het vervoer, het lossen en de omzetting op de facturen en losbons van smeerolie naar diesel. Zij zijn in deze mededaders, waarbij zij door hun onderscheiden bijdragen hebben deelgenomen aan het geheel, terwijl deze afzonderlijke bijdragen in de fraudeconstellatie als één complex worden beschouwd en alle daders geacht worden deel te hebben genomen aan het hele opzet en minstens de fraude hebben vergemakkelijkt of hebben toegelaten dat zij is blijven voortbestaan (p. 93-94); - het staat buiten elke redelijke twijfel vast dat de eiser IV en de eisers I wisten, minstens redelijkerwijze hadden moeten weten, dat hun handelen kaderde in het systeem van de schorsingsregeling inzake accijnzen, waarbij de voormelde energieproducten werden geladen (waardoor bezit), vervoerd en gelost. Die producten waren bestemd voor gebruik en werden aangeboden voor verkoop of werden gebruikt als motorbrandstof gelijkwaardig met gasolie, buiten de schorsingsregeling inzake accijnzen en zonder dat accijnzen werden geheven (p. 104).
  40. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat de eiser IV wel degelijk kennis had van de hem ten laste gelegde accijnsmisdrijven en dat hij daarbij niet louter uit onachtzaamheid heeft gehandeld. In zoverre berusten de onderdelen op een onjuiste lezing van het arrest en missen ze feitelijke grondslag.
  41. Voor het overige komen de onderdelen op tegen overtollige redenen of zijn ze afgeleid uit de onjuiste lezing van het arrest. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  42. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66, 67 en 69 Strafwetboek, artikel 227, § 1, AWDA, de artikelen 39 en 45 Accijnswet 2009 en artikel 436 Programmawet 27 december 2004: het arrest verklaart de eiser IV schuldig aan feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van 1 januari 2015 tot 21 januari 2017, terwijl uit de feitelijke vaststellingen van de appelrechters blijkt dat hij pas op 1 juni 2016 als chauffeur van de eiseres I.1 in dienst is getreden; die schuldigverklaring en de op grond daarvan aan de eiser IV opgelegde geldboete zijn bijgevolg niet naar recht verantwoord in zoverre zij betrekking hebben op feiten voorafgaand aan 1 juni
  43. Het arrest stelt niet vast dat de eiser IV pas op 1 juni 2016 als chauffeur van de eiseres I.1 in dienst is getreden. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  44. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  45. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser IV schuldig aan feiten in de periode van 1 januari 2015 tot 21 januari 2017, maar antwoordt niet op het verweer in zijn appelconclusie dat hij pas op 1 juni 2016 als chauffeur van de eiseres I.1 in dienst is getreden en bijgevolg niet schuldig kan zijn aan de daaraan voorafgaande feiten.
  46. Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter niet te antwoorden op een aanvoering waaruit geen rechtsgevolg wordt getrokken met betrekking tot de aan het geschil te geven oplossing.
  47. In zijn appelconclusie heeft de eiser weliswaar aangehaald dat hij op 1 juni 2016 als vrachtwagenchauffeur in dienst is getreden bij de eiseres I.1, waarvan de eiser I.2 zaakvoerder was, en er vanaf 1 juni 2016 transporten heeft uitgevoerd, maar hij heeft daaruit geen rechtsgevolgen getrokken voor de door de appelrechters te nemen beslissing over zijn schuldigverklaring. Zij zijn bijgevolg niet gehouden daarop te antwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel in zijn geheel
  48. Het middel dat in al zijn onderdelen dezelfde strekking heeft als de onderdelen van het tweede middel van de eisers III, is om de in het antwoord op die onderdelen vermelde redenen te verwerpen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen: - artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM; - artikel 17, eerste lid, Handvest Grondrechten EU; - artikel 436, derde lid, Programmawet 27 december
  49. Artikel 436, derde lid, Programmawet 27 december 2004 bepaalt: “Ongeacht voormelde strafbepalingen worden de producten waarop accijnzen zijn verschuldigd (…) in beslag genomen en verbeurdverklaard.”
  50. Die verbeurdverklaring heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de betrokken goederen noch dat de overtreder bekend moet zijn. Zij vereist evenmin een voorafgaande inbeslagneming van de goederen. Door de verbeurdverklaring wordt de Belgische Staat van rechtswege eigenaar van de goederen.
  51. Indien de verbeurdverklaring betrekking heeft op niet in beslag genomen goederen, rust op de veroordeelde de verplichting om de verbeurdverklaarde goederen voor te brengen. Bij niet-naleving van die verplichting heeft de Belgische Staat recht op schadevergoeding door middel van diens veroordeling door de strafrechter tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen. Die veroordeling is een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekortkomt aan de verplichting om de zaak te leveren. Artikel 44 Strafwetboek dat bepaalt dat de veroordeling tot de bij de wet gestelde straffen altijd wordt uitgesproken onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan de partijen mochten zijn verschuldigd, vormt daarvan een toepassing.
  52. De rechter is in beginsel verplicht de voormelde verbeurdverklaring uit te spreken. Met betrekking tot de verbeurdverklaring bepaald in artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 11/2025 van 30 januari 2025 meer in het bijzonder dat: - een verbeurdverklaring het recht op ongestoord genot van eigendom schendt indien zij op de persoon aan wie ze is opgelegd een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie, in het licht van de gepleegde inbreuk; - de bedoelde verbeurdverklaring betrekking heeft op het voorwerp van het accijnsmisdrijf en een bijkomende vermogensstraf vormt met een verplicht karakter; - die verbeurdverklaring op zich niet onbestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom; - in bepaalde gevallen echter de door de rechter op te leggen verbeurdverklaring dermate afbreuk kan doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, waardoor die verbeurdverklaring wel een schending van het eigendomsrecht met zich meebrengt; - het eigendomsrecht aldus geschonden is wanneer er een manifest onevenwicht bestaat tussen, enerzijds, de omvang en de gevolgen van de verbeurdverklaring voor de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd, en, anderzijds, de gepleegde inbreuk en de doelstellingen die met de verbeurdverklaring worden beoogd, tevens rekening houdend met het bijzondere en ontradende karakter en het collectieve herstelkarakter van het douane- en accijnsstrafrecht; - in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, de getoetste wetsbepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 17, eerste lid, Handvest Grondrechten EU.
  53. Uit die rechtspraak, die overeenstemmend van toepassing is op de in artikel 436, derde lid, Programmawet 27 december 2004 bedoelde verbeurdverklaring van aan accijnzen onderworpen energieproducten, volgt dat de rechter moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd. Bijgevolg is de rechter, alvorens over die verbeurdverklaring uitspraak te doen en ongeacht of de goederen in beslag werden genomen, ertoe gehouden na te gaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar en kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, diens persoonlijkheid en rol bij de feiten, de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken.
  54. Uit het voorgaande volgt dat wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de accijnsgoederen op te leggen, op die beklaagde evenmin de verplichting kan rusten om die goederen voor te brengen. Bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan. Die veroordeling is enkel een burgerrechtelijk gevolg van de onmogelijkheid tot uitvoering van de verbeurdverklaring.
  55. Het arrest dat de eisers I, III en IV solidair veroordeelt tot de betaling van 9.876.080,03 euro als tegenwaarde van de 19.129.847 liter verbeurdverklaarde energieproducten die niet in beslag werden genomen en dat de eisers I, II en IV solidair veroordeelt tot de betaling van 1.187.446,92 euro als tegenwaarde van de 2.388.881 liter verbeurdverklaarde energieproducten die evenmin in beslag werden genomen, zonder telkenmale na te gaan of met die verbeurdverklaringen aan de respectieve eisers geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd, verantwoordt die beslissingen niet naar recht. Derde middel van de eisers I en II en derde en vierde middel van de eisers III en IV
  56. De middelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Er is evenmin grond om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  57. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - de verbeurdverklaring beveelt van 19.129.847 en 2.388.881 liter energieproducten; - de eisers I, III en IV solidair veroordeelt tot de betaling van 9.876.080,03 euro als tegenwaarde van 19.129.847 liter verbeurdverklaarde energieproducten; - de eisers I, II en IV solidair veroordeelt tot de betaling van 1.187.446,92 euro als tegenwaarde van 2.388.881 liter verbeurdverklaarde energieproducten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot vier vijfde van de kosten van hun cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 4051,92 euro, waarvan de eisers I 417,21 euro zijn verschuldigd, de eisers II 417,22 euro zijn verschuldigd, de eisers III 417,22 euro zijn verschuldigd en de eiser IV 332,24 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160628.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200623.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250625.2F.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.