← België

S. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.3 Rolnummer: P.25.0605.N Zaak: S. contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-10-29 Raadplegingen: 933 - laatst gezien 2026-06-18 23:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 Fiches 1 - 7 Het drukpersmisdrijf vereist een strafbare meningsuiting in een tekst die vermenigvuldigd is door een drukpers of een gelijkaardig procedé; digitale verspreiding van teksten, met inbegrip van de plaatsing van publiek toegankelijke berichten op sociale media, vormt een dergelijk gelijkaardig procedé; daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het gaat om een bericht met een individuele strekking, dat is geplaatst op een persoonlijk account van een abonnee van het betrokken sociale medium; wezenlijk voor een drukpersmisdrijf is dat, om uit te maken of er sprake is van een strafbaar gestelde gedraging, de inhoud van het geschrift moet worden beoordeeld; niet vereist is dat de in het geschrift uitgedrukte gedachte of mening een bepaalde maatschappelijke relevantie of gewichtigheid heeft, dan wel in een bepaalde mate is beargumenteerd of uitgewerkt; zodoende komt elke gedachte of mening in aanmerking en kan een eenvoudige lasterlijke aantijging, zoals het omschrijven van een persoon als oplichter, een drukpersmisdrijf uitmaken; het feit dat een geschrift in het verlengde ligt van een publieke berichtgeving die als dusdanig niet het voorwerp van een drukpersmisdrijf kan uitmaken, zoals mondelinge uitlatingen tijdens een audiovisuele uitzending, doet geen afbreuk aan het feit dat dit geschrift het voorwerp van een drukpersmisdrijf kan uitmaken, in zoverre aan het geschrift zelf een effectieve publiciteit is gegeven; het is evenmin van belang of de dader het opzet had om de in zijn geschrift geviseerde persoon te belasteren, dan wel of om informatie over de betrokkene aan het publiek kenbaar te maken

(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: DRUKPERS (POLITIE OVER DE) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 443 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 179 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 150 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 443 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 179 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 443 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 179 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 443 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 179 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 443 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 179 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 443 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 179 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: LASTER EN EERROOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 443 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 444 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 179 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 8 - 14 De beweerde benadeelde van een drukpersmisdrijf moet geen burgerlijke vordering instellen voor de strafrechter; hij kan dat doen voor de burgerlijke rechter; aldus is noch de toegang van de betrokkene tot de rechter, noch de behandeling van zijn burgerlijke vordering binnen een redelijke termijn, onevenredig belemmerd door de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 150 Grondwet drukpersmisdrijven in de regel behoren tot de bevoegdheid van het hof van assisen
(1).
(1)Zie concl. ‘in hoofdzaak' OM. Thesaurus CAS: DRUKPERS (POLITIE OVER DE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 150 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 150 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 63 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0605.N I-II M. S., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Omar Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen B. A., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Freddy Mols, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 11 maart
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser doet afstand zonder berusting van zijn cassatieberoep I. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser op strafgebied niet ontvankelijk, onder meer omdat de eiser een grief heeft geformuleerd over de strafmaat; de eiser heeft echter geen grief ontwikkeld over de strafmaat; bijgevolg miskent het arrest de bewijskracht van het grievenformulier van de eiser.
  3. Het arrest stelt vast dat het hoger beroep van de eiser, zoals gepreciseerd in zijn grievenschrift, behalve op de beslissing over de strafmaat ook betrekking heeft op de beslissingen over de procedure, de schuld en de burgerlijke vordering en zich uitstrekt tot de vrijspraak van de verweerder voor de telastleggingen B en C. Op grond daarvan gaan de appelrechters hun bevoegdheid na om te oordelen over eisers burgerlijke vordering. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 150 Grondwet en artikel 179 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de berichten die de verweerder via Twitter, thans X, heeft verspreid, een drukpersmisdrijf kunnen uitmaken in de zin van artikel 150 Grondwet en verklaart zich op die grond onbevoegd om kennis te nemen van de samenhangende telastleggingen A (valsheid in informatica en gebruik), B (belaging) en C (laster); er kan slechts sprake zijn van een drukpersmisdrijf wanneer wordt vastgesteld dat beelden en tekst die een strafbare meningsuiting kunnen inhouden, werden vermenigvuldigd of verspreid door een drukpers of gelijkaardige techniek zoals digitale verspreiding; vereist is derhalve dat er sprake is van een strafbaar gestelde meningsuiting die tot uiting wordt gebracht in een geschrift waaraan een effectieve publiciteit werd gegeven; de geviseerde uitlatingen in de reportage zitten niet vervat in een geschrift, maar in de audiovisuele uitzending van ‘Terzake’ en de reportage zelf; deze mondelinge uitlatingen geven in beginsel geen aanleiding tot een kwalificatie van de feiten als drukpersmisdrijf; om te kunnen besluiten tot een potentieel drukpersmisdrijf moet er sprake zijn van een strafbare meningsuiting, namelijk een gedachte die het resultaat is van een oordeel of waardering vanwege de auteur; loutere inlichtingen, informatie, tekeningen en foto's kunnen niet worden bestempeld als een drukpersmisdrijf, ook niet als ze het resultaat zijn van een, al dan niet digitale, “drukpers”; het begrip drukpers houdt verband met de geschreven pers die wordt vermenigvuldigd via de drukpers of een verwant procedé, namelijk het in principe gedrukte geschrift; de Twitterberichten bevatten geen meningsuiting, maar een weergave van uitspraken, zodat deze berichten geen aanleiding kunnen geven tot de kwalificatie van de feiten als een drukpersmisdrijf; een persoonlijk Twitter-account met berichten van individuele aard, zonder voorafgaande redactie of journalistiek kader, beantwoordt hieraan niet; bovendien ontbreekt het intentioneel karakter van publieke informatieverspreiding; de berichten van de verweerder waren erop gericht de eiser te intimideren en belagen.
  5. Het drukpersmisdrijf vereist een strafbare meningsuiting in een tekst die vermenigvuldigd is door een drukpers of een gelijkaardig procedé. Digitale verspreiding van teksten, met inbegrip van de plaatsing van publiek toegankelijke berichten op sociale media, vormt een dergelijk gelijkaardig procedé. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het gaat om een bericht met een individuele strekking, dat is geplaatst op een persoonlijk account van een abonnee van het betrokken sociale medium.
  6. Wezenlijk voor een drukpersmisdrijf is dat, om uit te maken of er sprake is van een strafbaar gestelde gedraging, de inhoud van het geschrift moet worden beoordeeld. Niet vereist is dat de in het geschrift uitgedrukte gedachte of mening een bepaalde maatschappelijke relevantie of gewichtigheid heeft, dan wel in een bepaalde mate is beargumenteerd of uitgewerkt. Zodoende komt elke gedachte of mening in aanmerking en kan een eenvoudige lasterlijke aantijging, zoals het omschrijven van een persoon als oplichter, een drukpersmisdrijf uitmaken.
  7. Het feit dat een geschrift in het verlengde ligt van een publieke berichtgeving die als dusdanig niet het voorwerp van een drukpersmisdrijf kan uitmaken, zoals mondelinge uitlatingen tijdens een audiovisuele uitzending, doet geen afbreuk aan het feit dat dit geschrift het voorwerp van een drukpersmisdrijf kan uitmaken, in zoverre aan het geschrift zelf een effectieve publiciteit is gegeven.
  8. Het is evenmin van belang of de dader het opzet had om de in zijn geschrift geviseerde persoon te belasteren, dan wel of om informatie over de betrokkene aan het publiek kenbaar te maken.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - in een mee door de verweerder gerealiseerde reportage in het VRT-actualiteitenprogramma ‘Terzake’ kwam aan bod dat de eiser, hoewel voorheen strafrechtelijk veroordeeld, door de minister van Financiën was ontvangen en machtiging kreeg om btw-vrije aankopen voor diplomaten te organiseren; - naar aanleiding van de daarover in de pers ontstane polemiek, plaatste de verweerder berichten op Twitter; - de verweerder heeft het online socialmediaplatform Twitter gebruikt voor journalistieke doeleinden en berichten verstuurd die instant door zijn volgers konden worden gelezen; - in de berichten wordt de eiser als “oplichter” omschreven en wordt de houding dan wel reactie van de toenmalige minister van Financiën, die ook bevoegd was voor fraudebestrijding, aan de kaak gesteld; - in tegenstelling tot de reportage gaat het om openbare geschreven berichten die een (strafbare) meningsuiting kunnen impliceren en die het oordeel of de waardering van de verweerder als auteur weergeven, zodat niet de correctionele rechtbank en het hof van beroep bevoegd zijn om van de feiten kennis te nemen, vervat onder de telastlegging A en een deel van de telastleggingen B en C, maar wel het hof van assisen; - de Twitterberichten zijn verstuurd naar aanleiding van de reportage van ‘Terzake' en de inhoud ervan heeft ook betrekking op de reportage. De telastleggingen B en C hebben betrekking op zowel de televisiereportage als de Twitterberichten. Deze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zodat op basis van de regels van de samenhang het hof van beroep niet bevoegd is om te oordelen over het geheel van de aan de verweerder ten laste gelegde feiten; - het hof van beroep is ook niet bevoegd om te oordelen over de burgerlijke vordering van de eiser.
  11. Uit die redenen blijkt, eensdeels, dat de Twitterberichten naar het oordeel van de appelrechters een eigen meningsuiting van de verweerder bevatten die door de daartoe bevoegde rechter als strafbaar kan worden beoordeeld en die de verweerder door gebruik van een aan de drukpers gelijkaardig procedé heeft vermenigvuldigd en waaraan hij een zekere openbaarheid heeft verleend, alsook, anderdeels, dat de telastleggingen A, B en C samenhangend zijn zodat zij gezamenlijk door dezelfde rechter, namelijk het hof van assisen, dienen te worden beoordeeld. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig en juridisch incoherent gemotiveerd; het schat de werkelijke draagwijdte van de Twitterberichten die het als drukpersmisdrijven kwalificeert niet in, geeft aan de feiten slechts een hypothetische kwalificatie en stelt niet ondubbelzinnig vast dat de voorwaarden voor een drukpersmisdrijf effectief zijn vervuld; hoewel het arrest samenhang tussen de telastleggingen aanneemt, motiveert het noch die samenhang, noch het oordeel dat het geheel van de telastleggingen naar het hof van assisen moet worden verwezen; bovendien onderbouwt het arrest de drukperskwalificatie niet naar behoren en motiveert het niet de juridische verhouding tussen de geschriften van de verweerder en de televisiereportage; aldus is het arrest onbegrijpelijk en kan de wettigheid ervan niet worden gecontroleerd.
  13. In zoverre het onderdeel redenen vermeldt die het arrest niet bevat, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  14. De verplichting de vonnissen en arresten met redenen te omkleden is een vormvereiste. Een onjuiste, onaangepaste, onvolledige of zelfs onjuiste of niet-toepasselijke motivering levert geen schending van artikel 149 Grondwet op.
  15. De uit artikel 149 Grondwet afgeleide motiveringsplicht houdt niet in dat de rechter de redenen van zijn redenen dient op te geven.
  16. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Het arrest bevat geen redenen die elkaar uitsluiten en bijgevolg opheffen. In zoverre het onderdeel tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest aanvoert, mist het eveneens feitelijke grondslag.
  18. Uit het geheel van de redenen van het arrest volgt dat de appelrechters de inhoud van de Twitterberichten van de verweerder niet op hypothetische wijze, maar wel met zekerheid aanzien als een meningsuiting, waarvan de eventuele strafbaarheid ter beoordeling van de bevoegde rechter staat. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  19. Voor het overige motiveert het arrest, met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, op een duidelijke, begrijpelijke en coherente wijze waarom er sprake is van een drukpersmisdrijf voor wat betreft een deel van de telastleggingen B en C en waarom de appelrechters wegens de vastgestelde samenhang tussen de telastleggingen A, B en C onbevoegd zijn om te oordelen over het geheel van die telastleggingen. Die beslissing vereist geen verdere motivering. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Derde onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM: het arrest oordeelt op grond van een mogelijke kwalificatie als drukpersmisdrijf dat het hof van assisen exclusief bevoegd is om kennis te nemen van de betwiste uitlatingen van de verweerder. Deze beslissing heeft tot gevolg dat de eiser, die een burgerlijke vordering instelde, in feite wordt geconfronteerd met een onevenredige belemmering van zijn toegang tot de rechter; aldus kan de burgerlijke vordering van de eiser niet binnen een redelijke termijn worden behandeld.
  21. De beweerde benadeelde van een drukpersmisdrijf moet geen burgerlijke vordering instellen voor de strafrechter. Hij kan dat doen voor de burgerlijke rechter. Aldus is noch de toegang van de betrokkene tot de rechter, noch de behandeling van zijn burgerlijke vordering binnen een redelijke termijn, onevenredig belemmerd door de omstandigheid dat overeenkomstig artikel 150 Grondwet drukpersmisdrijven in de regel behoren tot de bevoegdheid van het hof van assisen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I. Verwerpt het cassatieberoep II. Veroordeelt de eiser tot de kosten van de cassatieberoepen I en II. Bepaalt de kosten in het geheel op 115,71 euro, waarvan 45,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.