id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 43- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 44- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast.
Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 43- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 44
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 43- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 44
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 43- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 44
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 43- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art.
8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
Art. 44
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 7 Bij afwezigheid van specifiek aangevoerd verweer over de in artikel 5 Strafwetboek bepaalde vereisten voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon en over het voorhanden zijn van het opzet vereist voor de schuldigverklaring van de rechtspersoon aan het hem ten laste gelegde misdrijf, zoals omschreven in de bewoordingen van de wet, dient de strafrechter niet in het bijzonder te motiveren waarom hij die verantwoordelijkheid en dat opzet bij de rechtspersoon voorhanden acht
(1).
(1)Cass. 15 oktober 2019, AR P.19.0329.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1, AC 2019, nr. 517, JLMB 2021,
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0620.N I B. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen, II CHRISTY bv, met zetel te 3120 Tremelo, Kruisstraat 113, ON 0456.993.526, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen, de cassatieberoepen I en II tegen
- G. P., burgerlijke partij,
- Koen VLEUGELS, met kantoor te 3200 Aarschot, Begijnhof 3, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de persoon en de goederen van G. P., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 24 maart
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, met inbegrip van het recht op tegenspraak: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de telastlegging A (valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken) zonder hem de mogelijkheid te bieden om op een doeltreffende wijze tegenspraak te voeren over de niet-tegensprekelijke bevindingen van de schriftdeskundige die de onderzoeksrechter heeft aangesteld als gerechtsdeskundige; de appelrechters houden namelijk geen rekening met de tegengestelde bevindingen van de schriftdeskundige die de eiser I heeft aangesteld als zijn technisch raadsman, noch met eisers bij appelconclusie aangevoerde verweer in dat verband; evenmin verduidelijkt het arrest waarom het de bevindingen van eisers technisch raadsman niet in aanmerking neemt; aldus is aan de eiser I elk tegensprekelijk debat ter rechtszitting over de waarde van het deskundigenverslag ontnomen en is het arrest nietig (eerste onderdeel); de vrijheid van de rechter om de bewijswaarde van een deskundigenverslag te beoordelen, mag niet leiden tot willekeur of een intuïtief oordeel (tweede onderdeel).
- Artikel 14.3.e IVBPR is vreemd aan de aangevoerde grieven. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I in een voor de appelrechters aangevoerd middel de miskenning van zijn recht op een eerlijk proces of recht van verdediging heeft aangevoerd omdat de gerechtsdeskundige zijn onderzoek niet op tegenspraak zou hebben uitgevoerd. De eiser I kan dat niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. In zoverre is het middel nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig voorgelegde feitelijke gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daarbij kan de rechter vrij bepaalde hem voorgelegde technische bevindingen verwerpen en zijn overtuiging over de schuld van de beklaagde gronden op andere hem voorgelegde technische bevindingen. Uit die beoordeling vermag de beklaagde geen miskenning van zijn recht op een eerlijk proces of recht van verdediging, noch een onoordeelkundige besluitvorming van de rechter af te leiden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters (arrest, p. 15-18) motiveren bovendien waarom zij hun oordeel over de schuld van de eiser I aan de feiten van de telastlegging A onder meer steunen op het verslag van de gerechtsdeskundige, waarom zij de tegengestelde bevindingen van eisers technisch raadsman verwerpen en waarom de als juist beoordeelde bevindingen van de gerechtsdeskundige aansluiten bij hun overige feitelijke vaststellingen met betrekking tot de feiten van de telastlegging A. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 196 en 213 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de telastlegging A zonder vast te stellen dat de eiser I handelde met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
- Bij afwezigheid van daarover specifiek aangevoerd verweer dient de rechter voor de schuldigverklaring van een beklaagde aan de misdrijven valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, omschreven in de bewoordingen van de wet, bij de beklaagde niet uitdrukkelijk het bestaan vast te stellen van het constitutieve misdrijfbestanddeel van het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser I in zijn voor de appelrechters aangevoerde middelen weliswaar de materialiteit van de hem ten laste gelegde valsheden heeft betwist, maar niet dat hij specifiek verweer heeft gevoerd over het voor deze misdrijven vereiste moreel bestanddeel.
- Uit het geheel van de redenen van het arrest en in het bijzonder uit het verband dat het arrest legt tussen de feiten van de telastlegging A en de feiten van de telastleggingen B (oplichting met misbruik van de kwetsbare toestand van de benadeelde persoon) en C (misbruik van vertrouwen), waaraan het de eiser I eveneens schuldig verklaart, blijkt het oordeel van de appelrechters dat de eiser I de feiten van de telastlegging A heeft gepleegd met het bedrieglijk opzet om zich gelden van de verweerster 1, die hij beheerde, toe te eigenen en om deze toe-eigening te verhullen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de telastlegging B; het arrest stelt louter vast dat de eiser I zich zaken heeft doen afgeven of afleveren door het aanwenden van bedrieglijke middelen, zonder vast te stellen dat de eiser I het oogmerk had om zich bedrieglijk andermans zaken toe te eigenen.
- Het arrest dat het misdrijf oplichting met misbruik van de kwetsbare toestand van de benadeelde persoon, dit is de verweerster 1 als moeder van de eiser I, bewezen verklaart in de bewoordingen van de strafwet en dat bovendien oordeelt dat “[d]oor een vervalst aanvraagdocument aan te wenden ten aanzien van de Federale Pensioendienst (de bewezen telastlegging A3) [de eiser I] zich een onbepaald bedrag aan pensioen van [de verweerster 1] [heeft] laten uitbetalen”, oordeelt dat de eiser I het bedrieglijk opzet had zich gelden van zijn moeder toe te eigenen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de telastlegging C zonder vast te stellen dat de eiser I handelde met de bedoeling om zich de toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen.
- Het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de feiten van de telastlegging C, dat is omschreven in de bewoordingen van de strafwet en verder als volgt: “
- ten nadele van [de verweerster 1] een bedrag van minstens 1.122.353,61 [euro] te hebben verduisterd door de algemene volmachten op haar bankrekeningen, die zij hem m.o.o. het bekomen van een beter rendement verleend had, te misbruiken en zich de voornoemde gelden onrechtmatig toe te eigenen in plaats van de gelden te beheren als een goede huisvader”; “
- ten nadele van [de verweerster 1] een bedrag van 50.262,26 euro te hebben verduisterd door de authentieke lastgeving die zij hem verleend had af te wenden van het beoogde doel, nl. het beheren van het vermogen om een hoger financieel rendement te bekomen, terwijl in werkelijkheid dit bedrag onrechtmatig werd toegeëigend.”
- Met die redenen en met de in het middel aangehaalde redenen, waarmee het arrest onder meer het verweer van de eiser I weerlegt in verband met de materialiteit van de feiten en het opzet waarmee de feiten zouden zijn gepleegd, oordeelt het arrest dat de eiser I de hier bedoelde feiten met het vereiste bedrieglijk opzet heeft gepleegd. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan het derde witwasmisdrijf (D.1) en aan het tweede witwasmisdrijf (telastleggingen E.1, E.3, E.5, E.6 en E.7); het beperkt zich tot de vermelding van de aan de eiser I verweten materiële gedragingen, zonder vast te stellen dat de eiser I handelde met het algemeen of bijzonder opzet vereist voor de respectieve bewezen verklaarde witwasmisdrijven.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I in een voor de appelrechters aangevoerd middel specifiek verweer heeft gevoerd over het vereiste algemeen of bedrieglijk opzet als constitutief bestanddeel van het tweede en het derde witwasmisdrijf.
- Het arrest verklaart de eiser I onder de telastleggingen E.1, E.3, E.5, E.6 en E.7 schuldig aan het witwassen in de zin van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek van de onder de telastlegging D.1 vermelde som van 1.172.615,87 euro, die hij heeft ontvangen op zijn in die telastlegging vermelde bankrekeningen en die voortspruiten uit de bewezen verklaarde feiten van verduistering en oplichting.
- De vermelde telastleggingen E zijn omschreven in de bewoordingen van de strafwet en verder als volgt: - E.1: “een bankcheque voor een bedrag van 335.000 euro afkomstig van feiten van oplichting en verduistering ten nadele van [de verweerster 1] te hebben overgeschreven van zijn ING- bankrekening (…) naar de bankrekening (…) op naam van [de eiseres II] met de bedoeling de illegale herkomst van deze gelden te verdoezelen”; - E.3: “een bedrag van 151.899,77 euro afkomstig van feiten van oplichting en verduistering ten nadele van [de verweerster 1] te hebben overgeschreven naar de bankrekening (…) op naam van [E.] voor de aankoop van een Mercedes AMG 563 - 4 Matic met de bedoeling de illegale herkomst van deze gelden te verdoezelen”; - E.5: “een bedrag van 240.000 euro afkomstig van feiten van oplichting en verduistering ten nadele van [de verweerster 1] te hebben overgeschreven van zijn bankrekening (…) naar de bankrekening (…) op naam van [de eiseres II] met de bedoeling de illegale herkomst van deze gelden te verdoezelen”; - E.6: “een bedrag van 425.726,42 euro afkomstig van feiten van oplichting en verduistering te hebben overgeschreven van zijn bankrekening (…) naar de bankrekening (…) op naam van [de eiseres II] met de bedoeling de illegale herkomst van deze gelden te verdoezelen”; - E.7: “een bedrag van 20.000 euro afkomstig van feiten van oplichting en verduistering ten nadele van [de verweerster 1] te hebben overgeschreven naar de bankrekening (…) op naam van [de eiseres II] met de bedoeling de illegale herkomst van deze gelden te verdoezelen.”
- Met die redenen en met de in het middel aangehaalde redenen waarmee het arrest het verweer van de eiser I in verband met de feiten van de telastleggingen E.1, E.3, E.5, E.6 en E.7 verwerpt, oordelen de appelrechters dat die laatste feiten verdere witwasoperaties uitmaken die de eiser I met het door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek vereiste bedrieglijk opzet heeft gepleegd met betrekking tot de som, voorwerp van de telastlegging D.
- Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De beslissing over de aan de eiser I opgelegde straf is naar recht verantwoord door zijn schuldigverklaring aan de vermengde feiten van de telastleggingen E.1, E.3, E.5, E.6 en E.
- In zoverre gericht tegen eisers schuldigverklaring aan de telastlegging D.1, kan het middel niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Zesde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de technisch raadsman van de eiser I uitsluitend de handtekeningencorpora van de verweerster 1 vergelijkt met de van valsheid betichte signaturen, maar niet onderzoekt of de handtekeningen op de documenten van de hand van de eiser I zouden kunnen zijn, wat de gerechtsdeskundige wel heeft gedaan, miskent het arrest de bewijskracht van het verslag van eisers technisch raadsman; uit dat verslag blijkt immers dat die technisch raadsman, zoals de gerechtsdeskundige, onder meer tot opdracht had om op grond van dezelfde stukken als waarover de gerechtsdeskundige beschikte, na te gaan of de handtekeningen konden zijn geplaatst door de eiser I; de loutere vaststelling dat die raadsman in zijn besluitvorming niet heeft gesteld in welke mate de kwestieuze handtekeningcorpora van de hand van de eiser I konden zijn, betekent niet de facto dat zijn verslag niet onderzoekt of de handtekeningen op de documenten van de hand van de eiser I kunnen zijn geweest; daaruit kan wel worden afgeleid dat de gehanteerde graad van waarschijnlijkheid het impliciet uitsluit dat de documenten van de hand van de eiser I zouden kunnen zijn.
- De besluitvorming van de technisch raadsman van de eiser I formuleert geen conclusie over de vraag of de betwiste handtekeningen kunnen zijn geplaatst door de eiser I. Uit het enkele feit dat die vraag behoorde tot de opdracht van die raadsman volgt niet dat het arrest, met het oordeel dat het bevat, van diens verslag een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Zevende middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: met de redenen die het bevat, meer bepaald dat de gerechtsdeskundige meer waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt dan de technisch raadsman van de eiser I en dat die technisch raadsman uitsluitend de handtekeningencorpora van de verweerster 1 vergelijkt met de van valsheid betichte signaturen, maar niet onderzoekt of de handtekeningen op de documenten van de hand van de eiser I zouden kunnen zijn, wat de gerechtsdeskundige wel heeft gedaan, beantwoordt het arrest niet de inhoudelijke argumentatie van de eiser I over de bevindingen van zijn technische raadsman en vermeldt het niet de voornaamste redenen voor de schuldigverklaring van de eiser I.
- Artikel 14.3.c IVBPR is vreemd aan de aangevoerde grieven. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, maar niet preciseert hoe en waarom het arrest dat algemeen rechtsbeginsel miskent, is het wegens onduidelijkheid niet ontvankelijk.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangewend, maar dat zelf geen zelfstandig verweer vormt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt in verband met de tegenstelling tussen de bevindingen van de gerechtsdeskundige en van eisers technisch raadsman niet enkel zoals het middel vermeldt. Het motiveert eveneens waarom de appelrechters oordelen dat de bevindingen van de gerechtsdeskundige aansluiten bij hun overige feitelijke vaststellingen in verband met de feiten van de telastlegging A. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser I, zonder te moeten antwoorden op zijn argumenten tot staving van dat verweer, die geen zelfstandig verweer uitmaken. Met die redenen vermeldt het arrest eveneens de voornaamste redenen voor de schuldigverklaring van de eiser I aan de feiten van de telastlegging A. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiseres II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiseres II schuldig aan de telastleggingen D.2, D.3, D.4 en E.4 zonder het moreel bestanddeel van die witwasmisdrijven bij haar vast te stellen; de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon vereist het bestaan van een eigen opzet, namelijk minstens de kennis van de strafbare handeling en de wil om deze te plegen, naast het opzet bij de natuurlijke persoon door wiens tussenkomst het misdrijf werd gepleegd; de loutere vaststelling dat de natuurlijke persoon wetens en willens een fout heeft begaan, volstaat niet om de schuld van de rechtspersoon met zich mee te brengen; als het strafbaar feit door de vennootschap is gepleegd, is het opzet genoegzaam bewezen door de vaststelling dat de leidinggevende organen kennis hadden van het opzet om de schuldige handeling te stellen en daarmee hebben ingestemd; het arrest dient aldus vast te stellen dat het misdrijf moreel toerekenbaar is aan de rechtspersoon, wat onder meer het geval is wanneer het misdrijf volgt uit een wetens en willens genomen beslissing binnen de gezagsstructuur van die rechtspersoon; het arrest laat na enige motivering te vermelden op grond waarvan de morele toerekenbaarheid aan de eiseres II als rechtspersoon wordt vastgesteld; de loutere vermelding “de illegale herkomst was beiden onbetwistbaar gekend” is manifest ontoereikend.
- Bij afwezigheid van specifiek aangevoerd verweer over de in artikel 5 Strafwetboek bepaalde vereisten voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon en over het voorhanden zijn van het opzet vereist voor de schuldigverklaring van de rechtspersoon aan het hem ten laste gelegde misdrijf, zoals omschreven in de bewoordingen van de wet, dient de strafrechter niet in het bijzonder te motiveren waarom hij die verantwoordelijkheid en dat opzet bij de rechtspersoon voorhanden acht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres II in een voor de appelrechters aangevoerd middel verweer heeft gevoerd over haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 5 Strafwetboek of over het bestaan bij haar van het opzet vereist voor haar schuldigverklaring aan de telastleggingen D.2, D.3, D.4, E.2 en E.
- De rechter kan bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel bij de rechtspersoon rekening houden met het gedrag van de natuurlijke personen die handelen voor of namens de rechtspersoon.
- Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (nr. 2, p. 8) oordeelt het arrest onder meer: “Uit het financiële onderzoek ([…]) is gebleken dat er tussen 4 april 2016 en 10 maart 2017 een bedrag van 1.172.615,87 euro werd overgeschreven van rekeningen op naam van [de verweerster 1] naar rekeningen op naam van [de eiser I]. Het grootste gedeelte van dit bedrag (1.020.726,42 euro) werd vervolgens doorgestort naar rekeningen op naam van [de eiseres II], waar het werd aangewend in het kader van de bedrijfsvoering en voor de aankoop van een perceel grond.” Het arrest (p. 22) oordeelt met eigen redenen bovendien: “In plaats van de fondsen van [de verweerster 1] in haar belang te behartigen, werden ze door [de eiser I] louter aangewend voor persoonlijke doeleinden, namelijk voor de aankoop van een privévoertuig en voor de exploitatie van zijn handelsvennootschap, [de eiseres II]. Aldus werden de financiële middelen van [de verweerster 1] integraal vermengd met de vermogens van [de eiser I] en van [de eiseres II]. Op het ogenblik van de feiten baatte [de eiser I] via deze vennootschap een supermarkt (Delhaize Proxy) uit in (...). [De eiser I] maakt geenszins aannemelijk dat [de verweerster 1] enig voordeel uit de aanwending van haar gelden heeft genoten of zou genieten. Zij verwierf geen aandelen en/of ontving geen dividend van de handelsvennootschap, noch worden stukken overgelegd waaruit enige andere opbrengst uit het door haar ter beschikking gesteld vermogen blijkt. Integendeel, de investeringen door [de eiser I] bleken zeer risicovol nu hij aan de politie verklaarde dat hij met zijn nieuwe handelszaak in (…) (in 2020) een verlies van 600.000 euro heeft geleden en van het geld van zijn moeder niets meer overbleef.”
- Met die redenen, waaruit onder meer blijkt dat de eiser I de controle had over het vermogen en het gedrag van de eiseres II en dat de eiseres II de door haar met kennis van zaken ontvangen gelden heeft gebruikt voor bedrijfsdoeleinden, geeft het arrest te kennen dat voor wat betreft de eiseres II is voldaan aan de vereisten van artikel 5 Strafwetboek en artikel 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek. Aldus is de beslissing die de eiseres II schuldig verklaart aan de telastleggingen D.2, D.3, D.4, E.2 en E.4 regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 182,11 euro, waarvan op het cassatieberoep I 91,05 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep II 91,06 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191015.1 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250603.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div