id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 79
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 80
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 344 - 30 ELI link Pub nr 1808120950
Art. 79
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 80
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 344 - 30 ELI link Pub nr 1808120950
Art. 79
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 80
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 7 Het beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet geldt slechts wanneer die laatste wet in werking is getreden; de rechter kan geen toepassing maken van en moet geen rekening houden met een mildere strafwet die na het plegen van het misdrijf werd aangenomen en in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, maar die op het ogenblik van zijn beslissing nog niet in werking is getreden; de omstandigheid dat de rechter bij de straftoemeting geen rekening houdt met een mildere strafwet die op het ogenblik van zijn beslissing nog niet in werking is getreden, noch met de bedoeling die de wetgever had bij de invoering van die wet, houdt geen miskenning in van het recht op een eerlijk proces
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - EINDARREST Wettelijke bepalingen:
Art. 2
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:
Art. 2
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:
Art. 2- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: WETTEN.
DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Wettelijke bepalingen:
Art. 2
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 8 - 10 De assisenjury kan de schuldigverklaring van een beschuldigde mede baseren op gegevens die betrekking hebben op een versteklatende medebeschuldigde wiens verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak werd afgewezen, ook al had die laatste te kennen gegeven bepaalde onthullingen te willen doen; hierdoor wordt het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging niet miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel II (Art. 217 tot en met 406) - 09-12-1808 - Art. 334 - 30 ELI link Pub nr 1808120950 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0857.N I K. B., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. II-III-IV Y. A., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en IV zijn gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 15 mei 2025 over de straf (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het tussenarrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 22 april 2025 houdende afwijzing van het verzoek tot uitstel van de zaak (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 14 mei 2025 over de schuld (hierna arrest III). De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 3 oktober 2025 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 21 oktober 2025 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het oordeel van het arrest I dat de eiser I, op grond van de bewezenverklaarde misdaad van gijzeling met de verzwarende omstandigheid dat de gijzelaar een minderjarige was, moet worden veroordeeld tot negenentwintig jaar opsluiting, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest I antwoordt niet op de door de eiser I voor het hof van assisen neergelegde conclusie in zoverre hij daarin als verzachtende omstandigheden ook melding had gemaakt van “het verstrijken van de (redelijke) termijn tussen de feiten en de behandeling van de zaak” en van de billijkheid die in acht moet worden genomen ingevolge de retroactiviteit van de mildere strafwet, met name de omstandigheid dat ontvoering van een minderjarige in het nieuwe strafwetboek met een lagere straf wordt bestraft dan thans het geval is; de motivering van de strafmaat is zeer summier, waardoor er geen afdoende, duidelijke en gedetailleerde motivering voorligt waarom de eiser I een zware straf werd opgelegd. In ondergeschikte orde dient aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Schendt artikel 344, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.1 EVRM, doordat het hof van assisen in haar arrest niet motiveert waarom twee schriftelijk aangehaalde verzachtende omstandigheden niet worden weerhouden voor het bepalen van de strafmaat, inzonderheid wanneer één van deze verzachtende omstandigheden bestaat in het verzoek aan het hof van assisen om naar billijkheid te oordelen over de strafmaat omdat een gewijzigd inzicht bij de wetgever ertoe geleid heeft dat de strafmaat van een levenslange gevangenisstraf voor de ontvoering van een minderjarige vanaf 8 april 2026 niet zwaarder bestraft kan worden dan met twintig jaar gevangenisstraf en dat het noch billijk noch nodig is om alsnog een zwaardere straf op te leggen dan de toekomstige maximale straf?”
- De eiser I heeft in zijn conclusie als verzachtende omstandigheid onder meer aangevoerd dat de feiten dateren van vijf jaar geleden, maar niet dat de redelijke termijn van de strafvervolging is overschreden. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Wanneer een beschuldigde voor het hof van assisen aanvoert dat er meerdere verzachtende omstandigheden zijn op grond waarvan bij toepassing van de artikelen 79 en 80 Strafwetboek een straf onder de wettelijk bepaalde minimumstraf moet worden opgelegd, omkleedt het hof van assisen de beslissing over de straftoemeting op dit punt regelmatig met redenen door het opleggen van een straf beneden de wettelijk bepaalde minimumstraf op grond van welbepaalde verzachtende omstandigheden, zonder dat het daarbij alle andere door de beschuldigde ingeroepen verzachtende omstandigheden moet betrekken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest I motiveert de aan de eiser I opgelegde straf als volgt: - bij het bepalen van de straffen wordt voor elke beschuldigde rekening gehouden met zijn rol en aandeel bij de feiten, met het extreem gewelddadig karakter van de feiten, met de vaststelling dat de feiten werden gepleegd met het oog op grof geldgewin en met het onnoemelijk leed berokkend aan de slachtoffers en hun familie; - de feiten van gijzeling met verzwarende omstandigheden zijn uitermate zwaarwichtig en getuigen van een totaal gebrek aan normbesef en een gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van de slachtoffers; - bij het bepalen van de straf ten aanzien van de eiser I wordt in het bijzonder rekening gehouden met zijn cruciale rol in de organisatie en de uitvoering van de gijzeling, waarbij hij vanaf de voorbereiding tot en met de vrijlating van het slachtoffer actief betrokken was; - de eiser I heeft een ongunstig strafrechtelijk verleden. Hij werd onder meer veroordeeld wegens een zware diefstal en wegens het deelnemen aan de activiteit van een terroristische groep; - het college van psychiater en psycholoog stelde bij de eiser I een persoonlijkheid vast die gekenmerkt wordt door zowel narcistische als antisociale kenmerken, zonder dat men van een welomschreven persoonlijkheidsstoornis kan spreken; - er zijn bij de eiser I verzachtende omstandigheden die bestaan in een beginnend schuldinzicht en een gedeeltelijke bekentenis op de rechtszitting. Op grond van die overwegingen, die een voldoende duidelijke en gedetailleerde motivering inhouden, omkleedt het arrest I de aan de eiser I opgelegde straf van negenentwintig jaar opsluiting wegens de in artikel 347bis, § 2, tweede lid, Strafwetboek bedoelde misdaad van gijzeling van een minderjarige, regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt in welke gevallen aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag kan of moet worden gesteld met betrekking tot een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel. De in het middel opgeworpen prejudiciële vraag heeft geen betrekking op één van de in die bepaling bedoelde gevallen, maar betreft louter het oordeel van het arrest I over de straftoemeting. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de billijkheid en van het recht op een eerlijk proces: de aan de eiser I opgelegde straf van negenentwintig jaar opsluiting wegens gijzeling van een minderjarige, is niet naar recht verantwoord; de eiser I kon op grond van deze in artikel 347bis, § 2, tweede lid, Strafwetboek bedoelde misdaad worden veroordeeld tot een straf van dertig jaar opsluiting, terwijl hij volgens het op 8 april 2026 in werking te treden nieuwe Strafwetboek voor datzelfde misdrijf slechts tot een gevangenisstraf van vijftien tot twintig jaar kan worden veroordeeld; de eiser I had in zijn conclusie voor het hof van assisen verzocht om rekening te houden met de toekomstige mildere wetgeving en verzocht om een billijke beoordeling, waarbij zou worden uitgegaan van een vrijheidsberovende maximumstraf van twintig jaar; het arrest I veroordeelt de eiser I desondanks tot negenentwintig jaar opsluiting zonder te motiveren waarom geen vrijheidsberovende straf van twintig jaar werd opgelegd; de opgelegde bestraffing miskent aldus de billijkheid, rechtvaardigheid en eerlijkheid, die immers impliceren dat ook rekening moet worden gehouden met de maximumstraf die in de toekomst zal worden gehanteerd volgens de toekomstige wil van de wetgever.
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van de billijkheid. In zoverre het middel miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de billijkheid aanvoert, faalt het naar recht.
- Het beginsel van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet geldt slechts wanneer die laatste wet in werking is getreden. De rechter kan geen toepassing maken van en moet geen rekening houden met een mildere strafwet die na het plegen van het misdrijf werd aangenomen en in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd, maar die op het ogenblik van zijn beslissing nog niet in werking is getreden.
- De omstandigheid dat de rechter bij de straftoemeting geen rekening houdt met een mildere strafwet die op het ogenblik van zijn beslissing nog niet in werking is getreden, noch met de bedoeling die de wetgever had bij de invoering van die wet, houdt geen miskenning in van het recht op een eerlijk proces.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet: door de eiser I te veroordelen tot negenentwintig jaar opsluiting wegens gijzeling van een minderjarige terwijl het op 8 april 2026 in werking te treden nieuwe Strafwetboek voor datzelfde misdrijf slechts in een gevangenisstraf van vijftien tot twintig jaar voorziet, miskent het arrest I het gelijkheidsbeginsel; door het opleggen van een dergelijke straf creëert het arrest I immers een verschil in behandeling tussen enerzijds de aanwezige beschuldigden en anderzijds de versteklatende beschuldigden, die, in geval van verzet tegen het arrest, bij een behandeling van de zaak op verzet na 8 april 2026 tot een maximum-gevangenisstraf van slechts twintig jaar kunnen worden veroordeeld; het arrest I had bijgevolg in billijkheid dienen te oordelen dat de aan de eiser I op te leggen straf maximaal twintig jaar kon bedragen.
- Het middel gaat uit van een loutere veronderstelling die geen verband houdt met het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2, 6.3.b en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces, de wapengelijkheid, het recht op tegenspraak en het vermoeden van onschuld: door met het arrest II het verzoek van de raadsman van de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y. tot uitstel van de behandeling van de zaak af te wijzen als ongegrond en de onmiddellijke voortzetting te bevelen van die behandeling, bij verstek ten aanzien van de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y., miskent het hof van assisen het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser II, die na de behandeling van de zaak door het arrest III schuldig werd bevonden als dader of mededader aan gijzeling van een minderjarige en door het arrest I werd veroordeeld tot vijfentwintig jaar opsluiting; de eiser II had op de rechtszitting van 22 april 2025 verklaard zich niet te verzetten tegen het de door de raadsman van de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y. gevraagde uitstel omwille van de mogelijke onthullingen die deze laatste volgens zijn raadsman op de rechtszitting wenste te doen; uit de verklaringen die de eiser II heeft afgelegd naar aanleiding van zijn ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen, blijkt dat de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y. voor hem een cruciale getuige is; door de afwijzing van het voormelde verzoek tot uitstel wegens medische redenen van de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y., die was opgenomen in een ziekenhuis in Turkije, werd de eiser II in het ongewisse gelaten over cruciale elementen en kon hij geen tegenspraak voeren over eventuele verklaringen van G.Y. op de rechtszitting; de afwijzing van het voormelde verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak door het arrest II is bovendien niet afdoende gemotiveerd; het hof van assisen had moeten onderzoeken of er geen alternatieven mogelijk waren ter vrijwaring van het recht van verdediging, zoals een videoconferentie of een beperkt uitstel en kon zich niet beperken tot proceseconomische motieven.
- Er bestaan in strafzaken geen algemene rechtsbeginselen van tegenspraak en wapengelijkheid, te onderscheiden van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces. In zoverre het middel miskenning van de algemene rechtsbeginselen van tegenspraak en wapengelijkheid aanvoert, faalt het naar recht.
- Het middel specificeert niet waarom het hof van assisen het vermoeden van onschuld miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zich op de rechtszitting van 22 april 2025 heeft aangesloten bij het verzoek van de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y. tot uitstel van de behandeling van de zaak, maar louter dat hij geen bezwaar had tegen het gevraagde uitstel. Door de loutere afwijzing van het verzoek tot uitstel van die medebeschuldigde, miskent het arrest II dan ook niet het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser II. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het arrest II doet louter uitspraak over het verzoek van de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y. tot uitstel van de behandeling van de zaak. In zoverre het middel betrekking heeft op de motivering van de afwijzing van het verzoek tot uitstel van de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y., is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- De assisenjury kan de schuldigverklaring van een beschuldigde mede baseren op gegevens die betrekking hebben op een versteklatende medebeschuldigde wiens verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak werd afgewezen, ook al had die laatste te kennen gegeven bepaalde onthullingen te willen doen. Hierdoor wordt het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging niet miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige gaat het middel ervan uit dat de oorspronkelijk zesde medebeschuldigde G.Y. bij een uitstel van de behandeling van de zaak zou zijn verschenen ter rechtszitting en voor het verweer van de eiser II relevante verklaringen zou hebben afgelegd. In zoverre het middel aldus uitgaat van een loutere hypothese, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 173,31 euro, waarvan het cassatieberoep I 44,86 euro is verschuldigd en het cassatieberoep II-III-IV 128,54 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div